Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHARL:2013:4697

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
02-07-2013
11-07-2013
CD 200.069.041-01 2-7-2013
Civiel recht
Hoger beroep

Uitleg auteurscontract tussen hoofdauteur van aardrijkskundeleergang en schoolboekenuitgeverij. Kwalificatie van de overeenkomst als een van opdracht. Bij beëindiging van de opdracht door de uitgever om niet-economische redenen moet worden aangeknoopt bij de wettelijke regeling van artikel 7:411 BW. Hof bekijkt per onderdeel van de afgesproken vergoeding of de hoofdauteur recht heeft op de volledige vergoeding dan wel op een deel daarvan.

De vergoeding is afhankelijk van de behaalde omzet. Daarover dient de uitgever nog nadere meer specifieke informatie te verschaffen.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.069.041/01

(zaaknummer rechtbank Groningen: 99454 / HA ZA 08-65)

arrest van de eerste kamer van 2 juli 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen:

[geïntimeerde] (voorheen [X] B.V.),

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna: [de uitgeverij],

advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in tussen partijen gewezen het vonnis van de rechtbank Groningen op 10 februari 2010.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 mei 2010,

- de memorie van grieven (met producties) d.d. 6 december 2011,

- de memorie van antwoord in het principaal appel tevens de memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) d.d. 24 april 2012, en

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger appel d.d. 28 augustus 2012.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in het principaal hoger beroep luidt:

"(…) het vonnis in eerste aanleg te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

1. [de uitgeverij] te veroordelen om - in aanvulling op hetgeen [de uitgeverij] reeds ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg aan [appellant] heeft betaald - een bedrag van € 175.070,088 althans een in goede justitie te betalen bedrag, aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2008;

2. [de uitgeverij] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de kosten van het geding in eerste aanleg;

3. [de uitgeverij] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de kosten van het geding in hoger beroep;

2.4

In het incidenteel hoger beroep heeft [de uitgeverij] gevorderd:

"Het vonnis te vernietigen en opnieuw, recht doende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

1. De vorderingen van [appellant] alsnog af te wijzen, althans [de uitgeverij] te veroordelen aan [appellant] te betalen het bedrag van maximaal € 39.417 (althans een zodanig bedrag als het Hof in goede justitie rechtvaardig acht).

2. [appellant] te veroordelen aan [de uitgeverij] te betalen het onverschuldigd betaalde bedrag van € 13.590,92 (althans een zodanig bedrag als het Hof in goede justitie rechtvaardig acht) inclusief de daarover reeds betaalde wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

3. [appellant] te veroordelen tot betaling van een deel van de volledige proceskosten gemaakt in eerste instantie, te weten € 6055,79 (althans een zodanig bedrag als het Hof in goede justitie rechtvaardig acht).

4. [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding.

3 De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep

De vaststaande feiten

3.1

[appellant] en [de uitgeverij] hebben tegen de feitenvaststelling door de rechtbank in rov. 2.4, 2.5, 2.8 en 2.16 van het bestreden vonnis grieven gericht (grief 1 in het principaal en de grieven I en II in het incidenteel hoger beroep). Het hof zal hierna, met inachtneming van deze grieven, de feiten, voor zover van belang, opnieuw vast stellen.

3.1.1

[appellant] is docent geografie en als vakdocent aardrijkskunde werkzaam geweest aan de Lerarenopleiding Basisonderwijs (PABO). [de uitgeverij] is uitgever van een groot aantal lesmethodes voor het basis- en voortgezet onderwijs, waaronder de aardrijkskundemethode Geobas.

3.1.2

Sinds 1982 is [appellant] in opdracht van [de uitgeverij] betrokken geweest bij de ontwikkeling en uitgave van opeenvolgende edities van de aardrijkskundemethode Geobas.

3.1.3

In de zomer van 2002 heeft [de uitgeverij] [appellant] benaderd in verband met de ontwikkeling en uitgave van een vernieuwde versie van Geobas, te weten Geobas4.

3.1.4

In oktober 2002 is [appellant] als hoofdauteur, samen met [B] begonnen met de ontwikkeling van het concept Geobas4. [appellant] en [de uitgeverij] hebben daarbij afgesproken dat [appellant] één dag per week onbetaald verlof bij de PABO zou nemen om die dag te besteden aan de ontwikkeling van het concept voor Geobas4, waarvoor hij van [de uitgeverij] een niet verrekenbare en niet terugvorderbare vergoeding van € 500,- per maand zou ontvangen.

3.1.5

Nadat het concept voor Geobas4 door [appellant] in augustus 2003 aan [de uitgeverij] is aangeleverd, heeft [de uitgeverij] zich bezig gehouden met de selectie van de lesauteurs. Dit heeft geresulteerd in een door [de uitgeverij] georganiseerde kick-off van Geobas4 te Utrecht op 10 oktober 2003, waarbij het ontwikkelde concept aan de lesauteurs is toegelicht en aan hen de samengestelde projectmap is overhandigd.

3.1.6

Op 5 november 2003 heeft [A] namens [de uitgeverij] aan [B], als adviseur en auteur betrokken bij de ontwikkeling van Geobas4, onder andere het volgende geschreven:

'(....) Vergoeding als auteur: van het totaal aan honorarium wordt 2% (van de netto-omzet = 20% van het totaal aan beschikbaar honorarium) gereserveerd voor het ontwikkelen en (voortdurend) bijstellen van het concept en het begeleiden van de auteurs. Dat laatste zit niet in jouw takenpakket. Ik stel voor jou te laten participeren in de helft van die 2%. Dat moet ik nog wel met de overige hoofdauteurs kort sluiten. Ook de verdeling van die 1 % laat ik aan jullie samen over. Ik heb daar te weinig zicht op. Volgens mij hebben jullie het daar al over gehad'.

3.1.7

In een notitie getiteld “Indicatie honorarium Geobas” van [A] van
20 november 2003 is het volgende opgenomen:

“ Let op:

Deze notitie bevat een grove indicatie van de inschatting van het beschikbare honorarium. Het gaat eerder om de achterliggende redernering, dan om concrete bedragen. Aan deze notitie zijn geen rechten te ontlenen.

Uitgangspunten honorarium

- Het gaat om gezamenlijk ondernemen. Zowel auteur als uitgever lopen het risico dat hun investering niet rendabel blijkt te zijn.

- De auteur levert tijd en expertise, de uitgever levert zijn inhoudelijke en marktexpertise en draagt het financiële risico.

- Het gaat in alle gevallen om het honorarium over de netto-omzet (bruto – btw – schoolboekhandelkorting), oftewel: over de opbrengst van de verkochte boeken. Het honorarium wordt eenmaal per jaar (in april) uitgekeerd over de netto-verkoop van het voorafgaande jaar

- De netto-verkoop is grofweg 70% van de bruto-omzet.

(…)

Aannames:

- Geobas behaalt uiteindelijk 25% gebruikersaandeel, dat zijn 1.800 scholen

- Scholen kopen voor elk kind een leerlingenboek

- De heraanschaf van werkboeken ligt op 80%

- Scholen doen gemiddeld 10 jaar met een aardrijkskundemethode.

Voorbeeld groep 5:

(...)

5. Beschikbaar honorarium: 10% van 1.640.000= EUR 164.000

6. Daarvan is 2% (= 20% van het totaal) voor de conceptgroep (ontwikkeling, bewaking, bijstelling, begeleiding auteurs). Dat is dus ca. EUR 33.000.

7. Beschikbaar voor de lesauteurs: ca. EUR 131.000

8. Dat bedrag wordt verdeeld onder de lesauteurs op basis van een puntenverdeling per leerjaar. Die puntenverdeling wordt door de uitgever, i.o.m. de hoofdauteurs, gemaakt. Uitgangspunt: de auteurs schrijven samen het gehele leerjaar.

9. Middels de puntenverdeling wordt elk onderdeel van het totale werk dat per groep moet gebeuren voorzien van een gewogen waardering. Dat gebeurt om te voorkomen dat sommige auteurs beter af zijn dan anderen. Een werkboekje bijvoorbeeld, levert uiteindelijk veel meer op dan een handleiding, terwijl een handleiding misschien wel veel meerwerk kost.

10. Het honorarium dat elke auteur ontvangt is gebaseerd op het aantal punten dat wordt verzameld.

Voorbeeldberekening gehele methode

1. Uitgaande van groep 3 t/m 8. Groep 1-2 levert relatief weinig honorarium op en is voor de indicatieve berekening niet erg relevant.

2. Uitgaande van de netto-omzet van groep 5 als een redelijke gemiddelde per jaargroep.

3. Beschikbaar voor honorarium bij 10 jaar gebruik:

- 10% van de totale netto-omzet is: 6 x EUR 164.000 =EUR 984.000

- daarvan is 1/5 deel voor de conceptgroep, oftewel: EUR 197.000

- de onderlinge verdeling in de conceptgroep moet daarop nog worden toegepast.'

3.1.8

Vanaf het najaar van 2003 heeft [appellant] zich als hoofdauteur bezig gehouden met onder andere het nader invullen van het concept, het inhoudelijk scholen van de lesauteurs en het beoordelen van de eerste producten van de lesauteurs.

3.1.9

In een notitie van [de uitgeverij] (prod. 1 bij MvG), worden de werkzaamheden van hoofdauteurs en lesauteurs als volgt omschreven:

Hoofdauteurs

- De hoofdauteurs zijn verantwoordelijk voor het inhoudelijk en didactisch concept.

- Schrijven de blauwdruk en stellen met de uitgever, editor en redacteur de methode in hoofdlijnen op.

- Beoordelen de kopij op didactische uitgangspunten en doelen.

- Sturen de auteurs inhoudelijk aan.

- Leveren beeldsuggesties en voorbeelden ten behoeve van de auteurs.

- Schrijven de inleidingen voor de handleidingen en methodehandleiding.

Op dit moment is [appellant] de enige hoofdauteur van Geobas.

(…)

Lesauteurs

- Schrijven kopij voor de lessen voor alle uitgaven die gemaakt worden voor de groep waarvoor zij schrijven.

- Maken omschrijvingen voor de te maken illustraties.

- Verwerken opmerkingen van de hoofdauteur, redacteur uitgever en editor tot een tweede kopijversie (zo nodig tot een derde of zelfs vierde versie).

- Controleren proeven van opgemaakte versies.

(…)"

3.1.10

Bij e-mailbericht van 2 februari 2004 heeft [C] als lesauteur verbonden aan Geobas4, mede namens [D] eveneens als lesauteur verbonden aan Geobas4, aan [A] van [de uitgeverij] onder andere het volgende geschreven:

'(...)[D] ([D], toevoeging hof) en ik hebben de laatste weken regelmatig contact met elkaar gehad om onze zorgen (...) omtrent het functioneren van de organisatie rondom Geobas4 en daarmee in het bijzonder het functioneren van [appellant] te bespreken. Waar het in het kort op neer komt, is dat we van [appellant] nauwelijks respons op ons werk krijgen en daarom nu niet meer verder kunnen. (…) Het enige wat ik van [appellant] tot nu toe als commentaar heb gekregen is het commentaar op mijn eerste structuurversie (...). Ik ben nu twee maanden het grootste deel van mijn tijd met Geobas4 bezig geweest, heb mijn structuurversies voor groep 7 en 8 zeer uitgebreid uitgewerkt en weet niet eens of ik wel op de goede weg zit! (...) Alleen met het commentaar van [appellant] op mijn structuurversie (...) zou ik al enorm geholpen zijn. (...)'

3.1.11

Bij e-mailbericht van 20 maart 2004 heeft [D] aan [A] van [de uitgeverij] onder andere het volgende geschreven:

'(...) Ik vraag mij af wat ik de afgelopen maanden gedaan heb. Blijkbaar was dat fout (want dit is totaal anders!). Maar ja, hoe had ik kunnen weten dat, dat fout was, want ik hoorde nooit iets. En ik vraag me dan

ook af of de andere 7 structuurversies waar ik (maar ook de medeauteurs tijd in hebben gestopt) fout zijn. En wanneer hoor ik dat? En zie ik deze tijdsinvestering ooit terug in mijn gage? (...)'

3.1.12

Eind 2004 is een groot aanta1 lesauteurs van het Geobas4 project opgestapt.

3.1.13

Bij e-mailbericht van 27 januari 2005 heeft [appellant] aan [A] van [de uitgeverij] onder andere het volgende geschreven:

'Ik ben gisteren door mijn directrice (...) uitgenodigd voor een dringend gesprek op de PABO (...).

Hoofdonderwerp is het spoedig hervatten van mijn werkzaamheden (...), aangezien ik niet langer 'strategisch ziek' te boek sta. De arbo-arts heeft mij begin januari weer 100% gezond verklaard (wat natuurlijk ook het geval is). (...). '

3.1.14

Op 1 februari 2005 heeft [appellant] ontslag genomen bij de PABO.

3.1.15

Bij e-mailbericht van 22 maart 2005 heeft [appellant] aan [A] van [de uitgeverij] onder andere het volgende geschreven:

'Ik heb al een aantal weken last van chronische oververmoeidheid wat leidt tot concentratie- en energieverlies. Ondanks alle verwoede pogingen lukt het me momenteel niet om me op het schrijven te focussen. (...) Is dit nu het beruchte writersblock? In overleg met mijn huisarts, heb ik vanmiddag besloten om een week volstrekte rust te nemen in de verwachting dat ik volgende week dinsdag (...) weer met frisse moed verder kan. (...)'

3.1.16

Op 4 apri1 2005 heeft [A] [appellant] met betrekking tot nadere afspraken honorariumverdeling, het volgende bericht (prod. 13 MvG)

“(…)

Vanwege de afspraken die in het verleden zijn gemaakt over het honorarium van Geobas-3, hebben wij het volgende afgesproken.

1. Voor de berekening van jouw honorarium over de materialen van de groepen 5 t/m 8 van Geobas4 worden de percentages gehanteerd die destijds voor Geobas-3 in het contract zijn vastgelegd.

2. Dat betekent dat voor jou, anders dan vermeld in het auteurscontract voor Geobas-4, de volgende percentages als basis voor de berekening van het honorarium gelden:

- leerlingenboek : 10% van netto

- werkboek : 10% van netto

- kopieermap : 10% van netto

- antwoordenboek : 0%van netto

- handleiding : 13% van netto

3. Op deze percentages wordt de verdelingssystematiek toegepast die is overeengekomen met de auteurs van de betreffende leerjaren.

4. De nog overeen te komen vergoeding voor de ICT toepassing valt buiten deze afspraak. (...)

3.1.17

In zijn brief van 6 april 2005 aan [appellant], heeft [A] de afspraken tussen partijen met betrekking tot de werkzaamheden van [appellant] als (hoofd)auteur vastgelegd (zie prod. 11 MvG). Deze brief is door [appellant], [A] en Struijlaart voor akkoord ondertekend. In de brief is het volgende opgenomen:

(…)

“Eind februari is [X] akkoord gegaan met mijn voorstel jou 5 dagen in de week vrij te maken

om:

kopij voor groep 5 t/m 8 van Geobas-4 te kunnen (laten) schrijven,

je functioneren als inhoudelijk hoofdauteur mogelijk te maken.

De reden dat [X] akkoord is gegaan met dat voorstel is de grote zorg over de kwetsbaarheid van het kopijtraject. Het 'borgen' van dat traject, in het bijzonder van de kopijdata, is essentieel, zowel voor de realisatie als voor de implementatie van de methode.

Dat is het kader waarbinnen je deze afspraken moet plaatsen.

Het is dus essentieel dat de planning die we overeenkomen ook daadwerkelijk gehaald wordt, anders komt de voortgang van het project ernstig in gevaar. De einddata van de planning zijn derhalve een gegeven en een voorwaarde voor [X]. Dat is scherp, maar eerlijk en noodzakelijk. We kunnen ons geen verdere vertraging meer veroorloven. M.a.w.: het is dus niet de vraag óf we de planning halen, maar hoe we dat organiseren.

De afspraken die we maken vallen uiteen in de afspraken over je betrokkenheid als inhoudelijk en didactisch hoofdauteur enerzijds en het daadwerkelijke auteurswerk voor groep 5 t/m 8 anderzijds. De afspraken hebben betrekking op de periode 1 februari 2005 tot 1 januari 2006. Ze hebben geen betrekking op datgene dat wordt geregeld in het auteurscontract. Het gaat hier om de randvoorwaarden waarbinnen jij het werk als (hoofd)auteur uitvoert.

Inhoudelijk en didactisch hoofdauteur voor de groepen 5 t/m 8.

Omschrijving:

je bent inhoudelijk en didactisch hoofdauteur van Geobas-4 voor de groepen 5 t/m 8. Als zodanig:

ben je verantwoordelijk voor het bewaken en bijstellen van het concept voor de groepen 5 t/m 8. Je doet dat in nauw overleg met de hoofdauteur van groep 1 t/m 4. Op dit moment is dat [B];

neem je deel aan de redactie en ben je verantwoordelijk voor het uitwerken van het inhoudelijk en didactisch deel van de projectmap;

zorg je ervoor, onder andere op die manier, dat auteurs inhoudelijk en didactisch voldoende zijn geïnformeerd en zorg je voor beelden die de auteurs sturen en ondersteunen in hun auteurswerk;

bespreek je de verschillende kopijversies met de auteurs conform de overeengekomen kopijrouting. Daarin integreer je de opmerkingen die door andere leden van de redactie zijn gemaakt. Je fiatteert de definitieve kopij inhoudelijk;

signaleer je knelpunten in zowel de kopij, het functioneren van de auteurs alsook de geformuleerde randvoorwaarden.

(…)

De Omvang:

De omvang van deze taak wordt vastgesteld op gemiddeld 1 dag per week. (…)

Vergoeding:

Als vergoeding voor deze taak ontvang je een voorschot op het redactiehonorarium van € 500,-, zegge vijfhonderd Euro, per maand. Er is sprake van een verrekenbaar, niet terugvorderbaar voorschot. Overige onkosten declareer je bij de uitgeverij.

Hoofdauteur van groep 5 t/m 8:

Omschrijving:

Als hoofdauteur van groep 5 t/m 8 ben je verantwoordelijk voor het (laten) schrijven van de kopij conform de voorwaarden zoals die staan beschreven in de projectmap, waaronder de auteursinstructie en planning. In overleg met de andere leerjaarauteur(s) maak jij een werkverdeling en een planning voor het auteurswerk die leidt tot de einddatum waarop de kopij moet worden ingeleverd. Die planning maakt onderdeel uit van deze afspraken.

Omvang:

De omvang van deze taak wordt vastgesteld op gemiddeld 4 dagen per week. Je bewaakt die tijdsinvestering in overleg met de coördinator van groep 5 t/m 8, in dit geval de uitgever. Ook hier meldt je een structurele overschrijding.

Einddata kopij:

De definitieve kopij van het leerlingenboek en het werkboek van groep 7 moet op 1 mei 2005 bij de eindredacteur zijn. De definitieve kopij van leerlingenboek en werkboek van groep 5 is op 21 mei 2005 bij de eindredacteur. Voor de definitieve kopij van de handleiding, de kopieermap en het antwoordenboek van groep 5 en 7 is 1 juli 2005 de inleverdatum.

De definitieve kopij van het leerlingenboek van groep 6 en 8 moet op 1 december 2005 bij de eindredacteur zijn. Voor de definitieve kopij van de handleiding, de kopieermap van groep 6 en 8 is dat op 1 februari 2006.

Vergoeding:

Als vergoeding voor deze taak ontvang je een voorschot op het redactiehonorarium van EUR 2.000,00, zegge tweeduizend euro per maand. Er is sprake van een verrekenbaar, niet terugvorderbaar voorschot. Overige onkosten declareer je bij de uitgeverij.

Voortgangsoverleg met de uitgever.

Om deze afspraken te bewaken en in geval van knelpunten te komen tot een oplossing, vindt regelmatig overleg tussen jou en de uitgever plaats. Dat overleg vindt elke drie weken plaats, voorafgaand aan de redactievergadering.

Vanwege de afspraken die zijn vastgesteld in deze brief vindt er elke drie maanden een formele evaluatie plaats waarbij de gemaakte afspraken opnieuw worden bezien.

(…)”.

3.1.18

Daarnaast heeft [appellant] op 7 april 2005 als lid van het auteursteam een tweetal overeenkomsten getekend met betrekking tot de vierde editie van Geobas voor respectievelijk kinderen van groep 5 en 7 van de basisschool, productie 12 bij memorie van grieven. Deze door partijen aangeduide auteurscontracten bevatten onder andere de volgende bepalingen:

“ (…)

Artikel 3 – Samenstelling Auteursteam

(…)

3.4

Indien een lid van het Auteursteam niet langer deelneemt aan het Project blijft hij honorarium ontvangen voor de bijdrage die hij heeft geleverd overeenkomstig het verdelingssysteem. Daarnaast ontvangt hij een éénmalige vergoeding, ten laste van het beschikbaar honorarium, waarvan de hoogte wordt vastgesteld door de Uitgever op basis van inbreng, voor zover die bruikbaar is in nog te verschijnen titels, waarbij tevens rekening zal worden gehouden met de omstandigheden van zijn uitsluiting.

Artikel 4 – Taakverdeling en werkwijze

4.1

Tot de taak van het Auteursteam behoren onder andere:

 het maken van auteursversies en illustratieopdrachten van alle onderdelen van een titel;

 het leveren van commentaar op al die onderdelen;

 het bijstellen van eerdere versies op basis van commentaar en aanwijzingen van hoofdauteur, redactie en uitgever;

 tijdig opleveren van een goed en compleet manuscript inclusief beeldplan en illustratieopdrachten;

 uitvoeren van proevencontroles en teksten en illustraties;

 verzamelen en aangeven van bijdrukcorrecties;

 het (uitsluitend in overleg met de uitgever) meewerken aan promotieactiviteiten van de methode;

 alle overige activiteiten die in de Projectnota zijn vastgelegd.

(…)

Artikel 10 – Het Honorarium

10.1

Het honorarium voor de leden van het Auteursteam wordt berekend over het geheel van het betreffende leerjaar van de Editie.

10.2

Voor de diverse Titels waaruit de Editie bestaat geldende volgende honorariumpercentages:

 leerlingenboek: 10% van de nettoprijs per verkocht exemplaar;

 werkboek: 8% van de nettoprijs per verkocht exemplaar;

 kopieermap: 8% van de nettoprijs per verkocht exemplaar;

 handleiding: 12% van de nettoprijs per verkocht exemplaar;

 ICT-toepassingen: nog onbekend.

De nettoprijs is de particuliere verkoopprijs (brutoprijs) verminderd met de BTW en de verleende boekhandelkorting.

(...)

Artikel 11 – De Honorariumverdeling

11.1

De honorariumverdeling, die pas definitief wordt nadat de gehele Editie is voltooid, zal tot, stand komen conform de puntenverdeling die daartoe door de uitgever is opgesteld.

11.1.1

Het honorarium wordt onder de leden van het Auteursteam verdeeld volgens een verdelingssysteem, waarbij de hoogte van het honorarium per lid is gekoppeld aan de geleverde bijdrage aan de Editie per groep.

(...)

11.2

Wanneer een lid van het Auteursteam zijn medewerking aan het Project tussentijds beëindigt, stelt de Uitgever in overleg met het Auteursteam vast welk deel van het honorarium het uitgetreden lid ontvangt. In principe ontvangt het uitgetreden lid een honorarium-aandeel naar rato van de uiteindelijke bijdrage aan de Editie, tenzij de omstandigheden van de beëindiging aanleiding geven voor een ander verdeling.

(...)

Artikel 18 - Beëindiging van de overeenkomst

18.1 De leden van het Auteursteam zijn gerechtigd deze overeenkomst te beëindigen indien de Uitgever blijvend tekortschiet in de nakoming van de wezenlijke verplichtingen.

18.2

De Uitgever is gerechtigd om deze overeenkomst tussentijds eenzijdig op te zeggen, indien het Auteursteam blijvend tekortschiet in de nakoming van de wezenlijke verplichtingen van deze overeenkomst, door bijvoorbeeld niet tijdig te leveren en/of blijven materiaal van onvoldoende kwaliteit te leveren.

18.3

De Uitgever is eveneens gerechtigd om deze overeenkomst tussentijds eenzijdig op te zeggen, wanneer voortzetting van het project naar zijn mening economisch niet verantwoord is. Indien dit niet het gevolg is van onvoldoende kwaliteit van het werk of een of andere tekortkoming van leden van het Auteursteam of van het feit dat de levenscyclus van de editie is voltooid, ontvangen zij een door de Uitgever vast te stellen vergoeding. Bij deze vergoeding zal rekening worden gehouden met het mogelijke honorarium dat gerealiseerd had kunnen worden bij voortzetting van het Project [onder de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het staken ervan].

3.1.19

Bij e-mailbericht van 27 juni 2005 heeft [appellant] aan [A] van [de uitgeverij] onder andere het volgende geschreven:

“(...) Na weer een weekend met veel stress en spanning en amper kunnen genieten van het leven (...) en het zomerse weer, heb ik besloten mijn taken voor Geobas4 op te schorten totdat ik beter in mijn vel zit en wél naar behoren kan functioneren. Ik schat in dat mijn herstel wel enige maanden zal duren. (...) Mijn welgemeende excuses voor deze situatie en bedankt voor je persoonlijke betrokkenheid en meedenken in de afgelopen maanden. (...)”

3.1.20

Per 1 juli 2005 is de betaling van voorschotten aan [appellant] door [de uitgeverij] stopgezet. Op dat moment waren aan [appellant] ter zake van zijn werkzaamheden verrekenbare voorschotten tot een totaal van EUR 21.500,- voldaan.

3.1.21

De delen van Geobas4 bestemd voor de bovenbouw (groep 4 t/m 8) zijn na de zomer van 2007 aan het basisonderwijs aangeboden.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2

[appellant] heeft - samengevat - gevorderd voor recht te verklaren dat i) [de uitgeverij] door de vervaardiging, inkoop, verkoop, levering en/of het op voorraad hebben van de in de inleidende dagvaarding omschreven werken, inbreuk maakt op de auteursrechten van [appellant] op de werken, een en ander met uitzondering van door [appellant] aan [de uitgeverij] geleverde werken bestemd voor leerjaar 5. [appellant] heeft tevens gevorderd ii) [de uitgeverij] te bevelen iedere inbreuk op de auteursrechten van [appellant] op de hiervoor genoemde werken met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en meer in het bijzonder, [de uitgeverij] te bevelen iedere vervaardiging, inkoop, verkoop, levering of het in voorraad hebben en het aanbieden van die werken te staken en gestaakt te houden, tot het moment dat [de uitgeverij] aan [appellant] de hem toekomende door de rechtbank Groningen vast te stellen vergoeding volledig heeft voldaan, op straffe van een dwangsom van EUR 2.500,- van één van de werken waarmee [de uitgeverij] nalaat aan dit bevel gevolg te geven. [appellant] heeft voorts gevorderd iii) [de uitgeverij] te bevelen aan hem te betalen een bedrag van
EUR 470.763,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen, eenmalig of periodiek te betalen bedrag, ten vergoeding van de door hem uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot het Geobas4 project. Hij heeft de rechtbank ten slotte verzocht iv) [de uitgeverij] te veroordelen tot vergoeding van de hem gemaakte kosten van rechtsbijstand en in de volledige kosten van het geding.

3.3

Na verweer van [de uitgeverij] heeft de rechtbank de vorderingen onder i) en ii) afgewezen omdat, samengevat, [appellant] door ondertekening van de auteursovereenkomsten de volledige auteursrechten op de hoor hem geleverde werken aan [de uitgeverij] heeft overgedragen. De rechtbank heeft ten aanzien van vordering iii) geoordeeld dat de door [appellant] verrichte werkzaamheden gewaardeerd dienen te worden op in totaal EUR 74.507, 92, te weten EUR 56.427,13 voor zijn werkzaamheden als hoofdauteur en EUR 18.080,79 voor zijn werkzaamheden als lesauteur van leerlingenboek 5. Omdat [appellant] reeds een bedrag van EUR 21.500,- bij wijze van voorschot heeft ontvangen, heeft de rechtbank de vordering tot een bedrag van EUR 53.007,92 toegewezen. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

De overige grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep

3.4

De overige grieven in het principaal (aangeduid met Arabische cijfers) en incidenteel hoger beroep (aangeduid met Romeinse cijfers) betreffende met name de berekening van de aan [appellant] toekomende afkoopsom. Tegen de vaststelling door de rechtbank in rechtsoverweging 5.9 dat partijen in het licht van de onmogelijkheid van verdere vruchtbare samenwerking zijn overeengekomen de oorspronkelijke regeling inzake periodieke royalty’s te vervangen door een uitkering ineens, welke afkoopsom is gebaseerd op een aan [appellant] toekomend percenatge van de te verwachten netto-omzet, is niet gegriefd zodat ook in hoger beroep hiervan wordt uitgegaan. Het debat in hoger beroep spitst zich vooral toe op de vraag hoe dit percentage in de gegeven omstandigheden moet worden berekend.

Kwalificatie van de overeenkomst

3.5

Grieven 2 en 3 van het principaal hoger beroep zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de tussentijdse beëindiging van het project en de gevolgen daarvan voor het bepalen van de hoogte van de door [de uitgeverij] aan [appellant] te betalen vergoeding. Allereerst bestrijdt [appellant] dat hij zijn medewerking aan het project tussentijds heeft beëindigd. Hij stelt dat [de uitgeverij] door hem niet in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten de overeenkomst heeft beëindigd en dat alleen al om die reden artikel 11.2 van de auteurscontracten niet van toepassing is. Meer in het bijzonder bestrijdt [appellant] dat de auteurscontracten van toepassing zijn op de werkzaamheden die hij als hoofdauteur heeft uitgevoerd.

3.6

Het hof stelt allereerst vast dat partijen zich over de aard van die overeenkomst in eerste aanleg noch in hoger beroep expliciet uitgelaten. Partijen hebben de overeenkomst niet nader juridisch gekwalificeerd en zich niet de vraag gesteld of het een bijzondere overeenkomst betreft waarvoor Boek 7 BW een regeling geeft.

3.7

Artikel 7:400 BW omschrijft de overeenkomst van opdracht, voor zover van belang, als de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer zich verplicht jegens de opdrachtgever buiten dienstbetrekking werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dat het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard. Uit de briefovereenkomst van 6 april 2005, waarin de afspraken met betrekking tot de door [appellant] uit te voeren werkzaamheden van hoofdauteur zijn vastgelegd, volgt dat de werkzaamheden van [appellant] hoofdzakelijk bestaan uit i) het bewaken en bijstellen van het concept voor de groepen 5 tot en met 8 en ii) het begeleiden van de lesauteurs bij het schrijven van kopij. Nu de werkzaamheden worden verricht buiten dienstbetrekking en uit iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een stoffelijke werk en daarenboven, naar uit de briefovereenkomst blijkt, [de uitgeverij] een instructiebevoegdheid en aanwijzigingsbevoegheid met betrekking tot de uitvoering van die werkzaamheden door [appellant] heeft bedongen, voldoet de overeenkomst aan de wettelijke omschrijving van de overeenkomst van opdracht.

3.8

De kwalificatie van de overeenkomst als een overeenkomst van opdracht heeft tot gevolg dat op die overeenkomst de bepalingen van de artikelen 7:400 e.v. BW van toepassing zijn.

Voortijdige beëindiging van de overeenkomst?

3.9

Met betrekking tot de voortijdige beëindiging van de overeenkomst overweegt het hof dat [appellant] zijn werkzaamheden in juni 2005 door ziekte weliswaar voor enkele maanden heeft opgeschort, maar dat het uiteindelijk [de uitgeverij] is geweest die de overeenkomst heeft beëindigd door [appellant] in maart 2006 te berichten geen prijs te stellen op een hervatting van zijn werkzaamheden. Het hof overweegt verder dat uit het enkele feit dat [appellant] niet heeft gegriefd tegen het door de rechtbank vastgestelde honorarium voor zijn werkzaamheden als lesauteur, niet kan worden afgeleid, anders dan [de uitgeverij] in onderdeel van 25 van zijn memorie van antwoord betoogt, dat [appellant] heeft toegegeven zijn werkzaamheden als lesauteur zelf te hebben beëindigd. Dit is een te beperkte opvatting van de strekking van de grief die geen steun vindt in de toelichting daarop. Grief 2 slaagt derhalve.

3.10

Artikel 11.2 van de auteurscontracten bepaalt dat wanneer een lid van het auteursteam zijn medewerking aan het project tussentijds beëindigt, hij in principe een honorariumdeel naar rato van zijn uiteindelijke bijdrage aan de editie ontvangt. Uit de tekst van artikel 11.2 in samenhang met artikel 18 volgt naar het oordeel van het hof dat de daarin opgenomen regeling alleen betrekking heeft op de situatie dat een lid van het auteursteam zelf zijn medewerking beëindigt en niet, zoals in het onderhavige geval, op een situatie waarbij de uitgever de opdracht tussentijds beëindigt, op andere gronden dan het niet economisch verantwoord zijn van voortzetting van het project. Op die laatste situatie ziet artikel 3.4 van de auteurscontracten.

3.11

Artikel 3.4 voornoemd, noch een van de andere bijlagen die in het partijdebat zijn genoemd, beperken de opzeggingsbevoegdheden van [de uitgeverij]. Nu anderszins gesteld noch gebleken is dat partijen een dergelijke beperking hebben beoogd, geldt ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW dat [de uitgeverij] te allen tijde bevoegd was de overeenkomst op te zeggen. Daarvoor is niet vereist, anders dan [appellant] in onderdeel 46 van zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep stelt, dat [appellant] in verzuim verkeerde. De overeenkomst is door [de uitgeverij] in maart 2006 derhalve rechtsgeldig beëindigd.

De financiële gevolgen van de voortijdige beëindiging

3.12

De financiële gevolgen van de voortijdige beëindiging van de overeenkomst dienen, nu evenmin is gebleken dat partijen van de regeling in artikel 7:411 BW hebben willen afwijken, aan de hand daarvan te worden beoordeeld. Op grond van de hoofdregel van artikel 7:411 BW heeft de opdrachtnemer bij een voortijdig einde van de opdracht recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het overeengekomen het loon. Uit artikel 7:411 lid 2 volgt dat de opdrachtnemer slechts aanspraak kan maken op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. De omstandigheid dat de opdrachtgever de opdracht rechtsgeldig door opzegging heeft beëindigd, staat daaraan niet in de weg (vgl. HR 28 januari 2005, LJN: AK 4481, NJ 2008,41).

3.13

Bij de bepaling van een naar redelijkheid vast te stellen loon dient ingevolge artikel 4:711 lid 1 BW onder meer rekening te worden gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichtte werkzaamheden, het voordeel dat opdrachtgever daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is beëindigd. Wat in een concreet geval als redelijk heeft te gelden zal onder meer afhangen van de aard en — zo nodig schattenderwijs te bepalen — omvang van de verrichte werkzaamheden en van hetgeen in de desbetreffende branche in het algemeen gebruikelijk is. In het onderhavige geval, waarin ter zake van de werkzaamheden een loon is afgesproken, kan aanknoping worden gezocht bij hetgeen bij volbrenging van de opdracht is overeengekomen. Verder geldt dat de werkzaamheden die voor het einde van de opdracht zijn verricht, door de opdrachtgever in beginsel volledig dienen te worden vergoed. Omdat aan de bepaling van een redelijk loon niet een nauwkeurige berekening ten grondslag kan worden gelegd, kunnen geen hoge eisen gesteld worden aan de stelplicht van de opdrachtnemer omtrent het redelijke loon (vgl. HR 19 december 2008, LJN: BG1680, NJ 2011, 4).

Het loon bij volledige vervulling van de opdracht

3.14

Alvorens te beslissen op welk deel van het overeengekomen loon [appellant] aanspraak kan maken, dient het hof allereerst vast te stellen wat het overeengekomen loon is. Op dit punt zijn de tussen partijen gemaakte afspraken niet geheel eenduidig.

3.15

Voorop wordt gesteld dat de afspraken dienen te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt het steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004, NJ 2005, 493, volgt dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen, gelezen in de context van het contract als geheel, bij de uitleg vaak wel van groot belang zijn.

3.16

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen het overeengekomen loon voor de werkzaamheden die [appellant] als hoofdauteur en lesauteur heeft verricht. De afspraken met betrekking tot de werkzaamheden van [appellant] als lesauteur zijn vastgelegd in de auteurscontracten (zie producties 11 en 12 bij memorie van grieven). Die contracten zijn naar het oordeel van het hof, anders dan [de uitgeverij] betoogt, niet van toepassing op de werkzaamheden die [appellant] als hoofdauteur heeft verricht. Uit de considerans en artikel 4.1 van de auteurscontracten volgt naar het oordeel van het hof dat de auteurscontracten uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheden van lesauteurs als omschreven in de hiervoor onder 3.1.9 geciteerde notitie van [de uitgeverij]. [de uitgeverij] heeft, mede gelet op het feit dat het contract door haar is geredigeerd en van haar mocht worden verwacht dat wat zij op papier heeft gezet de bedoelingen van partijen juist weergeeft, onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die haar stelling kunnen dragen dat de auteurscontracten waren bedoeld voor het gehele auteursteam, waaronder ook de hoofdauteurs. Die stelling van [de uitgeverij] is ook niet te rijmen met haar eerder ingenomen stelling dat de voorwaarden met betrekking tot de werkzaamheden van [appellant] als inhoudelijk en didactisch hoofdauteur van Geobas4 zijn vastgelegd in de briefovereenkomst van 6 april 2005. In zoverre is grief 3 gegrond. Of dat [appellant] kan baten, zal hierna blijken.

3.17

Niet in geschil is dat globaal tien procent van de totale netto-omzet van Geobas4 beschikbaar is als vergoeding voor de hoofdauteurs en lesauteurs van Geobas4. Van die tien procent is acht procent gereserveerd voor de lesauteurs. De resterende twee procent is gereserveerd voor de hoofdauteurs. Van die twee procent is de helft gereserveerd voor de conceptontwikkeling en de andere helft voor de begeleiding van de lesauteurs. Uit het
e-mailbericht van [A] aan [B] (zie hiervoor 3.1.6) volgt dat de verdeling van het honorarium voor de conceptontwikkeling (te weten 1% over de netto-omzet) aan de conceptontwikkelaars zelf is overgelaten. Uit artikel 11 van de auteurscontracten volgt dat het voor de lesauteurs beschikbare percentage onder hen wordt verdeeld op basis van een puntenverdeling per leerjaar. In artikel 10.2 van de auteurscontracten zijn de precieze honorariumpercentages opgenomen voor het leerlingenboek, werkboek, kopieermap en handleiding. [appellant] en [de uitgeverij] zijn wat betreft de bijdrage van [appellant] aan voornoemde onderdelen een afwijkend honorarium overeengekomen. Dit volgt uit het e-mailbericht van [A] aan [appellant] van 4 april 2005 (zie hiervoor onder 3.1.16).

Waardering bijdrage conceptontwikkeling

3.18

Met de grief 7 in het principaal hoger beroep komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de door hem verrichte werkzaamheden met betrekking tot de ontwikkeling van het concept op 0,5% moet worden gewaardeerd.

3.19

[appellant] stelt dat hij de opdracht ter zake van de ontwikkeling van het concept in de zomer van 2003 had volbracht. Op basis van dit concept zijn door [de uitgeverij] lesauteurs aangetrokken en begon de schrijffase. Dat het concept gaandeweg is aangepast en bijgesteld brengt niet mee dat het concept van onvoldoende kwaliteit was en dat hij het werk van de conceptontwikkelaar niet naar behoren heeft verricht, aldus [appellant]. [appellant] stelt verder dat het hem niet worden verweten dat hij niet heeft bijdragen aan de definitieve structuur van Geobas4 nu [de uitgeverij] de overeenkomst voortijdig heeft beëindigd. Of [de uitgeverij] het concept volledig heeft overgenomen is volgens [appellant] niet relevant voor het bepalen van zijn vergoeding omdat het overeengekomen honorarium niet afhankelijk was gesteld van de uiteindelijke overname daarvan in Geobas4. Relevant is slechts of [appellant] de opdracht goed heeft uitgevoerd, aldus nog steeds [appellant].

3.20

[de uitgeverij] stelt daarentegen dat de beloning van [appellant] als conceptontwikkelaar moet worden bepaald aan de hand van de delen van het concept die door [de uitgeverij] in de uiteindelijk versie van Geobas4 zijn gebruikt. Volgens [de uitgeverij] is het schrijven van een concept een resultaatsverplichting en geen inspanningsverplichting. Nu de uitwerking van de vakinhoudelijke leerlijnen op lesniveau (ook wel de blauwdruk genoemd) zoals die uiteindelijk voor Geobas4 is gebruikt aanzienlijk afwijkt van de blauwdruk die door [appellant] is aangeleverd, komt hem geen volledige vergoeding toe.

3.21

Bij de beoordeling van deze grief wordt vooropgesteld dat de vraag of de op [appellant] rustende verbintenis een resultaats- dan wel een inspanningsverbintenis is, een vraag is van uitleg van de overeenkomst waaruit de in het geding zijnde verbintenis voortspruit. Uit de briefovereenkomst van 6 april 2005 volgt dat de opdracht aan [appellant] mede inhield het bewaken en het bijstellen van het concept voor de groepen 5 tot en met 8.

Nu het concept steeds bijstelling behoefde, kan naar het oordeel van het hof niet gesproken worden van een resultaatsverbintenis maar een inspanningsverbintenis. Anders dan [appellant] stelt, volgt uit de briefovereenkomst noch uit de aanvullende werking van redelijk en billijkheid dat er op [appellant] een verplichting rustte tot het aanleveren van een compleet concept, dat wil zeggen een volledig uitgewerkt concept. [de uitgeverij] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die steun bieden voor haar stelling dat het concept pas gereed was, indien het volledig was uitgewerkt. Dat het concept in de zomer van 2003

nog niet was uitgekristalliseerd, zoals [A] in zijn brief van 25 juli 2007 heeft verklaard, is naar het oordeel van het hof van weinig belang nu het de bedoeling van partijen was het concept, indien nodig, aan te passen. Het feit dat aanpassingen nodig waren impliceert dus nog niet dat het concept niet gereed was of niet voldeed. Van doorslaggevend belang is dat [de uitgeverij] in de zomer van 2003 het concept in de projectmap heeft opgenomen en de lesauteurs op basis daarvan aan het schrijven heeft gezet.

3.22

[appellant] was gehouden als goed opdrachtnemer te handelen. Er is gesteld noch gebleken dat [appellant] niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. [Q] en [R] verklaren weliswaar dat het concept voor Geobas4 naar hun oordeel te moeilijk en omvangrijk was voor het basisonderwijs, maar uit die verklaringen volgt nog niet dat [appellant] niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk is gegaan. Indien het concept, zoals [de uitgeverij] betoogt en [appellant] bestrijdt, inhoudelijk niet voldeed, dan valt niet te begrijpen dat [de uitgeverij] dit concept heeft gebruikt als blauwdruk op basis waarvan zij de lesauteurs aan het werk heeft gezet.

3.23

Het hof concludeert dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] zijn werkzaamheden van conceptontwikkelaar op het moment van de voortijdige beëindiging van de overeenkomst door [de uitgeverij] had afgerond en dat om hij die reden recht heeft op het volle loon.


3.24 Een volgend geschilpunt betreft de vraag hoe dit volle loon moet worden berekend (grief 8 in het principaal hoger beroep). [appellant] stelt dat hij recht heeft op 0,75% van netto-omzet van de gehele editie van Geobas4. Daartoe voert hij aan dat [de uitgeverij] het aan [appellant] en [B] overgelaten om het beschikbare percentage van 1% onderling te verdelen. Dit is door [A] aan [B] bevestigd in zijn e-mailbericht van 5 november 2003. [appellant] en [B] zijn overeengekomen dat 75% van het gereserveerde honorarium van 1% aan hem zou toekomen, aldus nog steeds [appellant]. Ter ondersteuning van zijn stelling verwijst [appellant] naar de verklaring van [B] die als productie 2 bij de memorie van grieven is overgelegd.

3.25

[de uitgeverij] erkent dat [appellant] en [B] het werk zelf mochten verdelen. Volgens [de uitgeverij] hield de afspraak tussen [appellant] en [B] in dat [appellant] het bovenbouwdeel voor zijn rekening nam en [B] het onderbouwdeel. Omdat [appellant] in zijn functie van hoofdauteur uitsluitend betrokken is geweest bij de bovenbouw, heeft [appellant] - bij een volledig kwijten van zijn werkzaamheden - dus recht op 1% van de netto-omzet van ieder leerjaar van de bovenbouw, aldus [de uitgeverij].

3.26

Het hof overweegt hierover als volgt. Vaststaat dat [de uitgeverij] de verdeling van het honorarium voor de conceptgroep aan [appellant] en [B] overgelaten. Het gaat om de verdeling van het honorarium en niet, zoals [de uitgeverij] betoogt, om de verdeling van de werkzaamheden over de onderbouw en bovenbouw. [B] heeft in haar brief van
24 september 2007 verklaard dat zij met [appellant] met betrekking tot de conceptontwikkeling een taakverdeling is overeengekomen van 1:3, dus eenvierde deel voor [B] en drievierde deel voor [appellant]. Dit betekent dat [appellant] recht heeft op 0,75% van de verkoop van de totale leergang (dus onderbouw en bovenbouw). Uit de door [appellant] overlegde voorbeeldberekeningen (producties 8 en 9 bij memorie van grieven) volgt verder dat het beschikbare honorarium wordt berekend over het totaal aantal verkochte boeken van de gehele editie Geobas4 per leerjaar, waaronder dus ook de topografieboekjes (zie ook punt 32 van en productie 10 bij de memorie van grieven) waaruit volgt dat het onderdeel topografie uiteindelijk wel onderdeel uitmaakte van het concept.

3.27

Dit leidt tot het slagen van grief 7 en deels grief 8.

Waardering begeleiding lesauteurs

3.28

In het tweede deel van de grief 7 klaagt [appellant] erover dat de rechtbank ook zijn werkzaamheden als hoofdauteur met betrekking tot de begeleiding van de lesauteurs te laag heeft gewaardeerd. [appellant] stelt dat hij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat hij voor de hoofdstukken waarvan hij als hoofdauteur heeft gefunctioneerd zou worden betaald conform de met [de uitgeverij] gemaakte afspraken. [appellant] stelt dat hij 37 hoofdstukken van de in totaal 72 hoofdstukken van de bovenbouw van Geobas4 editie als hoofdauteur heeft gefunctioneerd, zodat hij recht heeft 37/72ste deel van 0,75 % van de totale netto-omzet. Volgens [appellant] geldt ook hier de met [B] overeengekomen verdeling van 1:3. Voor zover het hof mocht menen dat het om de door [de uitgeverij] geplaatste hoofdstukken gaat, stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij recht heeft op 20/72ste deel van 0,75 % van de totale netto-omzet van Geobas4.

3.29

[de uitgeverij] betoogt daarentegen dat per hoofdstuk dient te worden vastgesteld wat de daadwerkelijke bijdrage van [appellant] als hoofdauteur is geweest en of zijn aanwijzingen de lesauteurs daadwerkelijk hebben bereikt en of die aanwijzingen hebben geleid tot wijzigingen in de uiteindelijk gepubliceerde versies. Op [appellant] rustte immers een resultaats- en geen inspanningsverplichting. Uit het feit dat [appellant] onder bepaalde hoofdstukken als hoofdauteur staat vermeld, kan de daadwerkelijke bijdrage van [appellant] niet worden afgeleid, aldus [de uitgeverij]. [de uitgeverij] stelt verder dat de verdeelsleutel die [appellant] met [B] is overeengekomen niet geldt voor de begeleiding van de lesauteurs.

3.30

Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat [appellant] zijn werkzaamheden met betrekking tot de lesauteurs niet heeft afgerond. Dat de overeenkomst voortijdig is beëindigd, is in zoverre niet aan [de uitgeverij] toe te rekenen. Gelet op de vertraging die het project reeds had opgelopen en de concrete afspraken die partijen ter voorkoming van verdere vertraging daarover in de briefovereenkomst van 6 april 2005 hadden gemaakt, kon van [de uitgeverij] niet worden verwacht dat zij [appellant], nadat hij in juni 2005 aankondigde zijn werkzaamheden met enkele maanden op te schorten, in staat zou stellen zijn werkzaamheden te hervatten. Om die reden heeft [appellant] dus ook geen recht op het volle loon.

3.31

De afspraken met betrekking tot de begeleiding van de lesauteurs, als vastgelegd in de briefovereenkomst van 6 april 2005, laten zich naar het oordeel van het hof kwalificeren als resultaatsverplichtingen. [appellant] diende immers als hoofdauteur ervoor te zorgen dat de definitieve kopij van zijn lesauteurs voor bepaalde data door hem bij [de uitgeverij] werd ingeleverd. Gelet op de strekking van die verplichting, acht het hof het redelijk de vergoeding van de door [appellant] verrichte werkzaamheden te koppelen aan de kopij die door [de uitgeverij] in de uiteindelijke editie van Geobas4 ook is geplaatst. Nu [appellant] niet betrokken is geweest bij de definitieve vaststelling van Geobas4, kan van hem niet worden verlangd, anders dan [de uitgeverij] betoogt, dat [appellant] aangeeft welke van zijn aanwijzingen de lesauteurs daadwerkelijk hebben bereikt en of de lesauteurs die aanwijzingen in hun concepten hebben aangebracht.

3.32

Omdat aan de stelplicht van [appellant] omtrent het redelijke loon niet al te hoge eisen kunnen worden gesteld, acht het hof het in de gegeven omstandigheden redelijk om bij schatting van de door [appellant] verrichtte werkzaamheden ervan uit te gaan dat hij met betrekking tot die hoofdstukken die in de uiteindelijke Geobas4 versie zijn geplaatst met zijn naam als hoofdauteur, ook als hoofdauteur heeft gefungeerd. Hieronder vallen ook de hoofdstukken van de werkboeken, antwoordenboeken, handleidingen en kopieermappen. Dit volgt uit de voorbeeldberekeningen die als producties 8 en 9 bij memorie van grieven zijn gelegd. De grieven V en VIII in het incidenteel hoger beroep falen om die reden.

3.33

Door [de uitgeverij] is niet bestreden dat [appellant] bij 18 van de 72 hoofdstukken die door [de uitgeverij] zijn geplaatst als hoofdauteur staat vermeld. Van twee hoofdstukken is de naam van [appellant] als hoofdauteur weggevallen. Uit de overgelegde stukken blijkt evenwel dat [appellant] ook van deze hoofdstukken hoofdauteur was. In totaal gaat het dus om 20 hoofdstukken, zodat het aandeel van [appellant] 20/72ste bedraagt.

3.34

Omdat het hier gaat om de concrete begeleiding van de lesauteurs, kan de verdeelsleutel die [appellant] stelt met [B] te zijn overeengekomen, niet worden toegepast, nog daargelaten dat niet is gebleken dat [B] daarmee heeft ingestemd.

Nu [appellant] zich niet heeft bemoeid met de begeleiding van de lesauteurs van de onderbouw, heeft hij ook geen recht op een gedeelte van het gereserveerde percentage van de onderbouw. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] evenmin recht op een percentage van de omzet van de topgrafieboekjes omdat hij daar geen enkele bemoeienis mee heeft gehad. De conclusie uit het voorgaande is dat [appellant] recht heeft op 20/72ste deel van de omzet van bovenbouw minus de omzet van de topografieboekjes.

Vergoeding werkzaamheden lesauteur

3.35

In rechtsoverweging 5.23 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat in het auteurscontract en de notitie van [A] van 4 april 2005 is opgenomen dat het honorariumpercentage voor [appellant] voor het leerlingenboek van het leerjaar 5 op 10% is bepaald. Tegen die overweging is grief VI in het incidenteel hoger beroep gericht.

Volgens [de uitgeverij] heeft de rechtbank met die overweging miskend dat het in het contract en de notitie genoemde bedragen gaat om het voor het betreffende boek beschikbare percentage. Dat percentage moet volgens [de uitgeverij] nog worden verdeeld volgens het puntensysteem. Dit blijkt ook uit het contract en genoemde notitie van [A] van
4 april 2005. Uit het puntensysteem blijkt dat 8% van de beschikbare 10% is bestemd voor de lesauteurs. Volgens [de uitgeverij] heeft [appellant] als lesauteur recht op 2/9 van 8% van de netto-omzet van leerlingenboek 5.

3.36

De grief slaagt. Vaststaat immers dat van gereserveerde honorarium van de lesauteurs en de hoofdauteurs gezamenlijk, twee procent is gereserveerd voor de hoofdauteurs. De afwijkende percentages ten opzichte van de auteurscontracten die in het e-mail-bericht van [A] van 4 april 2005 worden genoemd, zien niet op de verdeling van het honorarium tussen lesauteurs en hoofdauteurs, maar uitsluitend op gegevens die [appellant] in de verdeling met de andere lesauteurs een betere uitgangspositie verschaffen en daarmee een hoger aandeel in het voor de lesauteur beschikbare honorarium. Voor [appellant] is dat bij het werkboek 10% minus 2% voor de hoofdauteurs. Voor de andere lesauteurs 8% minus 2% voor de hoofdauteurs.

De omzet

3.37

[de uitgeverij] klaagt in de grieven VII en VIII in het incidenteel hoger beroep er tevens over dat de rechtbank de berekening van de te verwachten omzet van [appellant] heeft overgenomen. [appellant] is in zijn berekening volgens [de uitgeverij] uitgegaan van een onrealistisch gebruikersaandeel van 25%, onjuist gemiddeld aantal leerlingen en onjuist percentage heraanschaf.

3.38

Het hof is van oordeel dat nu [de uitgeverij] het niet eens is met de berekening van de te verwachten netto-omzet en dit bedrag in hoger beroep opnieuw dient te worden vastgesteld, er geen reden is om van aannames uit te gaan indien de bedragen door het verloop van de tijd inmiddels meer concreet berekend kunnen worden. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van [de uitgeverij] om gegevens te verstrekken op grond waarvan de netto-omzet kan worden bepaald. Het gaat dus om de netto-omzet van de gehele Geobas4 editie (inclusief maar niet beperkt tot het leerlingenboek, het werkboek, antwoordenboek, de kopieermap, de handleiding en de topografieboekjes) over de afgelopen vijf jaar met in ieder geval de volgende uitsplitsingen:

- omzet onderbouw (totaal),

- omzet bovenbouw inclusief topografieboekjes,

- omzet topografieboekjes bovenbouw,

- omzet werkboek 5e leerjaar.

Deze omzetten over de afgelopen 5 jaar dienen, uitgaande van een gebruiksduur van 10 jaar, vervolgens te worden geëxtrapoleerd naar het einde van de gebruiksduur.

3.39

Het hof vindt daarin aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het hof zal [de uitgeverij] voorafgaand aan die comparitie in de gelegenheid stellen een nadere onderbouwing van haar netto-omzet te verstrekken. De comparitie zal tevens benut worden voor het beproeven van een minnelijke regeling.

Proceskosten eerste aanleg

3.40

Met Grieven III en IX in het incidenteel hoger beroep klaagt [de uitgeverij] erover dat de rechtbank in haar overweging met betrekking tot de proceskosten niet voldoende rekenschap heeft gegeven ter zake van de toepasselijkheid van artikel 1019h Rv. op de afgewezen auteursrechtelijke vorderingen.

3.41

De grieven berusten op een verkeerde lezing van het vonnis. De rechtbank heeft wel degelijk rekening gehouden met de toepasselijkheid van artikel 1019 Rv. Zij heeft evenwel geoordeeld dat de proceskosten moeten worden gecompenseerd omdat van de initiële vordering van [appellant], waaronder naar het oordeel van het hof ook de auteursrechtelijke vorderingen moeten worden begrepen, een beperkt deel is toegewezen en anderszijds meer wordt toegewezen dan door [de uitgeverij] is aangeboden. De grieven falen derhalve.

3.42

De beslissing met betrekking tot de proceskosten in hoger beroep wordt aangehouden.

3.43

De grieven 4, 5 en 6 in het principaal hoger beroep behoeven gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen afzonderlijke behandeling meer.

4 Slotsom

Het hof zal [de uitgeverij] vooruitlopend op de comparitie van partijen opdragen een uitgebreid, met onderliggende bewijsstukken, berekening van de netto-omzet in het geding te brengen met inachtneming van de uitgangspunten als hiervoor geformuleerd onder 3.33. De zaak wordt hiervoor verwezen naar de rol.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep;

- stelt [de uitgeverij] in de gelegenheid een uitgebreid, met onderliggende bewijsstukken, gestaafde berekening van de netto-omzet in het geding te brengen als bedoeld in rechtsoverwegingen 3.38;

- verwijst de zaak daartoe naar de rol van dinsdag 6 augustus 2013;

- stelt [appellant] in de gelegenheid ten tijde van de comparitie daarop te reageren, zonodig aan de hand van pleitaantekeningen;

- beveelt een verschijning van partijen, desgewenst vergezeld van de raadslieden - tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking;

- bepaalt dat deze verschijning van partijen zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. R.E. Weening hiertoe benoemd tot raadsheer commissaris;

- houdt iedere verder beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, L. Groefsema en R.E. Weening en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2013.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.