Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHARL:2013:7553

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
08-10-2013
10-10-2013
200.129.680-01
Civiel recht
Hoger beroep kort geding

Geschil tussen medisch specialist en behandelcentrum over de afwikkeling van een tussen hen bestaand hebbende samenwerking. Opheffing beslag. Geldvordering in kort geding.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.129.680/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/340032 / KL ZA 13-97)

arrest van de eerste kamer van 8 oktober 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

procesadvocaat: mr.drs. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

Stichting Medisch Centrum Lelystad,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: MC Lelystad,

advocaat: mr. J.M. van Noort, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis in kort geding van 17 april 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven, d.d. 15 mei 2013 (met een productie),
- de incidentele conclusie ex artikel 351 Rv. tevens akte overlegging producties van de zijde van [appellant];
- het verwijzingsarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, d.d. 11 juni 2013;
- het exploot van betekening d.d. 18 juni 2013;

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel appel, tevens wijziging van eis (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte uitlating producties in principaal appel tevens antwoord akte wijziging eis en tevens akte overleggen verificatoire productie.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden:

  1. te vernietigen het vonnis in kort geding op 17 april 2013, door de E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad onder zaaknummer/rolnummer C/16/340032/KL ZA 13-97;

  2. opnieuw rechtdoende, zo nodig onder ambtshalve aanvulling en/of verbetering van gronden, in conventie geïntimeerde(n) in haar vordering (in conventie) alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze vordering te ontzeggen en in reconventie alsnog geïntimeerde(n) te veroordelen tot betaling van een voorschot ad € 150.000,-- aan appellant, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente berekend vanaf 9 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. geïntimeerde(n) te veroordelen om al hetgeen door appellant ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde(n) is voldaan aan appellant terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

  4. geïntimeerde(n) te veroordelen in de kosten van beide instanties.”

2.4

De vordering van [appellant] in het incident luidt:

"de ten uitvoerlegging van het vonnis d.d. 17 april 2013 onder zaak/rolnummer C/16/340032/KL ZA 13-97 door de E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad tussen partijen gewezen te schorsen en geschorst te houden, totdat ten dezen arrest zal zijn gewezen en eerbiedig akte verzoekt van de overgelegde producties;

Ten principale:

Tot persistit!!!"

2.5

In incidenteel appel heeft MC Lelystad gevorderd:

"uitvoerbaar bij voorraad:

A. Op te heffen conservatoir derdenbeslag dat op 8 februari 2013 met verlof van de voorzieningenrechter te Midden-Nederland, locatie Lelystad van 4 februari 2013 op verzoek van [appellant] ten laste van MC Lelystad is gelegd onder de ING Bank NV en onder TaMed BV;

Subsidiair hiervoor genoemd conservatoir beslag op te heffen onder de opschortende voorwaarde dat door MC Lelystad binnen 21 kalenderdagen na genoemd arrest zekerheid worde gesteld voor de gestelde geldvordering van [appellant] in de vorm van een bankgarantie ten belope van een bedrag dat door Uw Edelhoogachtbaar College in goede justitie zal worden bepaald, zulks met inachtneming van hetgeen te dien aanzien in de Memorie van Antwoord/Memorie van Grieven in Incidenteel Appèl is gesteld;

[appellant] te bevelen binnen zeven dagen na betekening van het te deze te wijzen arrest een rectificatie te versturen naar alle patiënten waaraan [appellant] een declaratie heeft verstuurd voor een behandeling binnen MC Lelystad zonder begeleidende tekst en zonder dat nadien schriftelijk of in elektronische vorm of op welke wijze dan ook commentaar wordt verzonden aan bedoelde patiënten met de volgende tekst:

Geachte mevrouw/heer,

Het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden heeft bij arrest d.d. …(invullen) geoordeeld dat ik ten onrechte rechtstreeks aan u heb gedeclareerd waarbij door mij ten onrechte gebruik is gemaakt van de AGB code van MC Lelystad en door mij ten onrechte aan u is verzocht de gedeclareerde kosten rechtstreeks naar mij over te maken. Een aantal van u heb ik op …(datum) eerder rectificatieberichten gezonden met daarbij van mij afkomstig commentaar wat naar het inzicht van het Hof afbreuk doet aan bedoelde rectificatie. Het Hof heeft mij bevolen u zonder verder commentaar deze rectificatie te versturen. Op …(datum) heb ik u een declaratie gestuurd ter hoogte van € …(bedrag) onder vermelding van declaratienummer …(invullen). De in deze declaratie aangegeven betaalgegevens zijn onjuist. Voor zover bedoelde declaratie nog niet is betaald, verzoek ik u binnen 30 dagen na heden deze te voldoen op bankrekeningnummer [nummer] ten name van TaMed BV onder vermelding van het declaratienummer. Indien u bedoelde declaratie reeds rechtstreeks aan mij heeft voldaan, verzoek ik u dit rechtstreeks kenbaar te maken aan de raadsheer van MC Lelystad mr. G.J.T.M. van den Bergh, kantoorhoudende te (1017 BT) Amsterdam aan de Herengracht 481 ten kantore van Bergh Stoop & Sanders NV.

Met vriendelijke groet,

[appellant]

te bevelen binnen 7 dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest kopie van ieder bericht aan diens patiënten te verzenden naar de raadsman van MC Lelystad zulks binnen drie dagen nadat bedoelde patiënten zijn aangeschreven;

[appellant] te bevelen binnen 7 dagen na het ten deze te wijzen arrest aan de raadsman van MC Lelystad kenbaar te maken welke bedragen door hem rechtstreeks in rekening gebracht te zijn, zulks zo ver mogelijk uitgesplitst in honorarium en (techniek)kosten delen, en daarbij tevens een volledig overzicht te geven van alle (afwijkende) regelingen die hij met patiënten heeft getroffen terzake betalingen voor zijn behandelingen alsmede te verschaffen een volledig en controleerbaar overzicht van de relevante vergoedingen van de betreffende zorgverzekeraars;

[appellant] te bevelen binnen vier weken na betekening van het ten deze te wijzen arrest op deugdelijke wijze rekening en verantwoording af te leggen middels een rapportage van een door MC Lelystad aan te wijzen registeraccountant met dien verstande dat de daarmee verband houdende kosten voor rekening van [appellant] komen, resp. met dien verstande dat in de rapportage voldoende gespecificeerd wordt aangegeven welke bedragen aan patiënten in rekening zijn gebracht en op welke wijze bedoelde bedragen moeten worden toegerekend aan het deel honorarium, techniekkosten en instellingskosten;

[appellant] te veroordelen om de incasso van declaraties per pin van door [appellant] binnen MC Lelystad uitgevoerde behandelingen per direct te staken en gestaakt te houden;

[appellant] te veroordelen aan MC Lelystad een dwangsom te betalen van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hiervoor onder C tot en met G uitgesproken veroordelingen voldoet tot een maximum van € 100.000 is bereikt;

I. I. [appellant] te veroordelen in de kosten van beide instanties.”

3 De beoordeling van het geschil

incidentele vordering

5.1

Nu het hof in de hoofdzaak arrest zal wijzen, heeft [appellant] geen belang meer bij een beslissing op zijn incidentele vordering, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter. Overigens heeft [appellant] ter onderbouwing van deze vordering onder meer aangevoerd dat hij reeds aan de tegen hem uitgesproken veroordelingen heeft voldaan, zodat ook om die reden het belang bij toewijzing van deze vordering, die er immers toe strekt te bewerkstelligen dat hangende de appelprocedure niet aan de veroordelingen behoeft te worden voldaan, ontbreekt. De vordering is dan ook niet toewijsbaar. MC Lelystad heeft niet afzonderlijk op de incidentele vordering gereageerd, zodat er geen termen zijn voor een proceskostenveroordeling in het incident.

wijziging van eis

5.4

MC Lelystad heeft in appel haar eis gewijzigd. [appellant] heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gewijzigde eis, maar heeft niet aangevoerd dat de wijziging niet toelaatbaar is. Het hof ziet ook geen reden de wijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten en zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

laatste memorie van [appellant]

5.7

Het hof stelt vast dat (ook) de laatste memorie van [appellant] zeer uitvoerig is. De memorie telt 27 pagina's en volgt de memorie van antwoord in principaal appel memorie van grieven in incidenteel appel van MC Lelystad op de voet. Een verhoudingsgewijs gering deel van de tekst heeft uitdrukkelijk betrekking op het incidenteel appel. Aldus heeft de memorie voor een groot deel het karakter van een repliek, hetgeen in strijd is met de twee conclusie regel, die in de appelprocedure geldt. Het hof zal het gedeelte van de memorie dat uitsluitend betrekking heeft op het principaal appel (de nrs. 85 tot en met 88) om die reden buiten beschouwing laten. Ten aanzien van het gedeelte van de memorie dat zowel betrekking heeft op het principaal als op het incidenteel appel (de nrs. 2 tot en met 52) zal het hof de stellingen die alleen betrekking hebben op het principaal appel, en een reactie inhouden op de memorie van antwoord in het principaal appel, buiten beschouwing laten.



vaststaande feiten

5.8

De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.26) de feiten vastgesteld. Met grief I in het principaal appel komt [appellant] op tegen enkele onderdelen van deze feitenvaststelling. Het hof zal in het kader van de feitenvaststelling met de meeste opmerkingen van [appellant] rekening houden. Voor zover een en ander voor de beoordeling van het geschil van het belang is, komt het hof er bij de bespreking van de grieven op terug.
Met de bezwaren van [appellant] tegen de door de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2.21 en 2.22 vermelde feiten zal het hof geen rekening houden, omdat deze bezwaren niet inhouden dat de voorzieningenrechter deze feiten ten onrechte heeft vastgesteld. Nu tegen het overgrote deel van de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter geen grieven zijn gericht, kan in hoger beroep worden uitgegaan van deze vaststelling. Daarvan uitgaande, rekening houdend met de bezwaren van [appellant] tegen de feitenvaststelling en aangevuld met wat verder nog over de feiten is komen vast te staan, kan in hoger beroep van de volgende feiten worden uitgegaan.

5.8.1

MC Lelystad is een Zelfstandig Behandelcentrum (hierna ZBC) in de zin van de Wet Toelating Zorginstellingen. ZBC’s die van de overheid een vergunning hebben gekregen om verzekerde zorg te leveren, dienen te voldoen aan de voorwaarden die voortvloeien uit de Wet Toelating Zorginstellingen en het Uitvoeringsbesluit WTZi. Daaronder valt onder andere het houden van een ordelijke en controleerbare bedrijfsvoering.

5.8.2

MC Lelystad heeft een Algemeen Gegevens Beheer-Code (hierna AGB-code) toegekend gekregen.

5.8.3

TaMed voert op grond van een overeenkomst met MC Lelystad de facilitaire werkzaamheden uit voor MC Lelystad. Daaronder wordt onder andere begrepen het bijhouden van de administratie, het opmaken en verzenden van declaraties en het voorraadbeheer.

5.8.4

[appellant] is een mond-, kaak- en aangezichtschirurg (hierna MKA-chirurg).

5.8.5

Eind juli 2012 hebben partijen gesproken over een samenwerking, waarbij uitgangspunt was dat [appellant] binnen MC Lelystad kaakchirurgische behandelingen zou gaan verrichten.

5.8.6

Bij e-mail van 20 augustus 2012 heeft MC Lelystad aan [appellant] een concept-toelatingsovereenkomst voorgelegd. In deze overeenkomst is onder meer bepaald:

"Artikel 12 Honorarium en uitbetaling

12.1 Stichting MC Lelystad verzorgt de financiële en administratieve afwikkeling alsmede de incasso van de
aanspraak op honorarium die de medisch specialist op basis van rechtsgeldige door het NZa vastgestelde
tarieven heeft voor de zorg die hij verleent. Het risico van wanbetaling is voor rekening van de medisch
specialist.
12.2 Stichting MC Lelystad keert na ontvangst van betaling het aan de medisch specialist rechtsgeldig
toekomende honorarium uit met inachtneming van de regeling zoals is opgenomen in bijlage A. Deze
uitkering vindt plaats 30 dagen na het einde van de maand waarin Stichting MC Lelystad de betaling
heeft ontvangen."

5.8.7

Diezelfde dag heeft [appellant] per e-mail aan MC Lelystad geantwoord dat hij ‘wat problemen’ heeft met de aan hem gezonden concept-overeenkomst. [appellant] schrijft dat hij een eigen praktijk wil beginnen, waarin hij ook zelf zeggenschap heeft. MC Lelystad en TaMed kunnen daarin als "een soort facilitair bedrijf" functioneren. In de voorgelegde overeenkomst is de praktijk van MC Lelystad en worden de kosten uit het kostendeel gehaald, terwijl hij het honorarium krijgt betaald, aldus [appellant].

5.8.8

Op 28 augustus 2012 heeft [appellant] een door hem opgestelde concept-toelatingsovereenkomst aan MC Lelystad gezonden. In deze overeenkomst is onder meer bepaald:



Artikel 12 Declareren en uitbetaling

12..1 De MKA-chirurg zal de zorg, zoals omschreven in artikel 2.1, declareren in overeenstemming met de vigerende tariefbeschikkingen van de NZa in het daarvoor door de stichting ter beschikking gestelde administratieprogramma.

12.2

De stichting verzorgt de financiële en administratieve afwikkeling van de declaraties van de MKA-chirurg.

12.3

De stichting draagt zorg voor uitbetaling aan de MKA-chirurg maandelijks tegen het einde van de maand van een nader overeen te komen voorschotbedrag op zijn aandeel in zijn omzet.

12.4

De stichting draagt zorg voor uitbetaling aan de MKA-chirurg van zijn aandeel in de omzet onder
inhouding van het betaalde voorschotbedrag uiterlijk binnen twee maanden na het verstrijken van de maand, waarin de betreffende werkzaamheden hebben plaatsgevonden."

5.8.9

Vanaf dinsdag 4 september 2012 heeft [appellant] daadwerkelijk kaakchirurgische behandelingen verricht bij MC Lelystad. Op dat moment was er nog geen getekende toelatingsovereenkomst omdat partijen het niet eens waren over het declaratiesysteem en de wijze van verdeling van de omzet.

5.8.10

In de maanden september en oktober 2012 hebben partijen verder onderhandeld.

5.8.11

Eind oktober 2012 heeft MC Lelystad opnieuw een door haar opgestelde en ondertekende concept-toelatingsovereenkomst aan [appellant] gezonden. Daarin stond onder meer:

Artikel 12 Declareren en uitbetaling

12.1

De MKA-chirurg zal de zorg, zoals omschreven in artikel 2.1, declareren in overeenstemming met de vigerende tariefbeschikkingen van de NZa in het daarvoor door de stichting ter beschikking gestelde administratieprogramma.

12.2

De stichting faciliteert tegen vergoeding de financiële en administratieve afwikkeling van de declaraties van de MKA-chirurg.

12.3

De stichting draagt zorg voor uitbetaling van het honorarium aan de MKA-chirurg maandelijks tegen het einde van de maand van een nader overeen te komen voorschotbedrag op zijn aandeel in zijn omzet."

3.4.12

[appellant] heeft de door MC Lelystad opgestelde overeenkomst ondertekend en aan MC Lelystad teruggestuurd. In de door [appellant] ondertekende overeenkomst heeft [appellant] met de hand geschreven wijzigingen aangebracht en deze geparafeerd. In de door [appellant] gewijzigde bepalingen (wijzigingen door de voorzieningenrechter in cursief weergegeven) staat thans onder meer:

Artikel 12 Declareren en uitbetaling

12.1

De MKA-chirurg zal de zorg, zoals omschreven in artikel 2.1, declareren in overeenstemming met de vigerende tariefbeschikkingen van de NZa in het daarvoor door de stichting ter beschikking gestelde administratieprogramma.

12.2

De stichting verzorgt de financiële en administratieve afwikkeling van de declaraties van de MKA-chirurg.

12.3

De stichting draagt zorg voor uitbetaling aan de MKA-chirurg maandelijks tegen het einde van de maand van een nader overeen te komen voorschotbedrag op zijn omzet, zijnde het totaal van het gedeclareerde honorarium en instellingskosten.”

5.8.12

Bij aangetekende brief van 31 oktober 2012 aan [appellant] heeft MC Lelystad de toelatingsovereenkomst tussen partijen beëindigd met een beroep op het in de overeenkomst opgenomen proeftijdbeding. Dit proeftijdbeding stond in de door MC Lelystad opgestelde en ondertekende concept-overeenkomsten en is door [appellant] ongewijzigd gelaten in de door hem ondertekende overeenkomst:

Artikel 13 Duur en einde van de toelatingsovereenkomst

13.1

De toelatingsovereenkomst is aangegaan met ingang van 1 september 2012 voor onbepaalde tijd. De eerste twee maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de MKA-chirurg zijn werkzaamheden in het behandelcentrum aanvangt, gelden als een proefperiode waarin partijen de toelatingsovereenkomst kunnen beëindigen met inachtneming van een termijn van een maand en zonder enige aanspraak op schadevergoeding.”

5.8.13

In een e-mail van 1 november 2012 heeft [appellant] de ontvangst van de aangetekende brief van 31 oktober 2012 bevestigd.

5.8.14

In de hele maand november en een groot deel van de maand december 2012 heeft [appellant] zijn behandelingen bij MC Lelystad voortgezet.

5.8.15

Partijen hebben in die periode getracht om met hulp van derden alsnog tot overeenstemming te komen.

5.8.16

Op 10 december 2012 heeft MC Lelystad opnieuw een concept-toelatingsovereenkomst aan [appellant] gezonden, waarin door MC Lelystad wederom is opgenomen dat het honorarium toekomt aan [appellant] en de instellingskosten aan MC Lelystad.

5.8.17

In een e-mailbericht van 18 december 2012 heeft [appellant] aan MC Lelystad te kennen gegeven geen principiële bezwaren te hebben tegen de door MC Lelystad voorgestane verdeling. Wel heeft [appellant] in diezelfde mail ook een ander voorstel gedaan en heeft hij aangegeven dat hij deze verdeling niet met terugwerkende kracht vanaf
1 september 2012 wil laten ingaan en dat partijen zich voor de periode 1 september tot en met 31 december (of later) dienen te baseren op de gemaakte afspraken. Ook heeft hij een alternatief voorstel gedaan.

5.8.18

Op 21 december 2012 heeft MC Lelystad [appellant] voor het laatst in de gelegenheid gesteld de door haar opgestelde toelatingsovereenkomst te ondertekenen bij gebreke waarvan aan [appellant] per direct de toegang tot het pand van MC Lelystad zou worden ontzegd.

5.8.19

Naar aanleiding van het ultimatum van MC Lelystad vindt op 21 december 2012 de volgende mailwisseling plaats tussen partijen:

[appellant] aan MC Lelystad:

“Helaas constateer ik, dat wij er blijkbaar niet uitkomen. (…)

Wij hebben vooraf afgesproken een samenwerking aan te gaan. Hiervoor is door mij KC Flevoland opgericht. (…) Er is besloten om per 1 september 2012 jl. te starten en de organisatie dan per 1 januari op de rail te hebben. (…) Bovendien is er afgesproken, dat MTC Lelystad in ieder geval voorlopig de declaraties zou verzorgen vanwege de daarvoor noodzakelijke vergunning die MTC Lelystad reeds in bezit heeft en KC Flevoland nog niet.

(…)

Het is volstrekt irreëel om nu met een overeenkomst aan te komen tussen MTC Lelystad en mij als privé-persoon. Dat is op geen enkele wijze tussen ons gecommuniceerd, in ieder geval niet zoals die nu voorligt. Evenzo is het niet gepast, om hier pas na 6 weken mee aan te komen en van mij per omgaande mijn instemming te verwachten. Nog minder gepast is het, om daar direct aan te verbinden, dat ik straks om 12.00 uur het pand niet meer mag betreden.

(…)”

MC Lelystad aan [appellant]:

“De toelatingsovereenkomst is in overleg met jou tot stand gekomen, hierover kan geen twijfel bestaan.

Ik verzoek je nogmaals deze overeenkomst voor 12 uur te tekenen.

De faciliteiten zijn daarna niet meer tot jouw beschikking.

De nodige activiteiten om dit netjes af te ronden zal ik dan laten uitvoeren.”

[appellant] aan MC Lelystad:

“Deze toelatingsovereenkomst is absoluut niet in overleg met mij tot stand gekomen, daar ga ik hier ook verder niet op in.

Jij wil op onze eerdere afspraken terugkomen en daar ben ik niet mee accoord. Onze wegen zullen zich dus scheiden.

Over het tijdstip daarvan verschillen wij van mening.”

5.8.20

Uiteindelijk is het niet tot ondertekening van de overeenkomst gekomen en heeft MC Lelystad daadwerkelijk aan [appellant] de toegang tot haar pand ontzegd.

5.8.21

In de periode van 28 december 2012 tot en met 7 januari 2013 heeft [appellant] enige keren zonder toestemming van MC Lelystad het pand betreden.

5.8.22

[appellant] heeft zelfstandig en zonder medeweten of toestemming van MC Lelystad, maar met gebruikmaking van de AGB-code van MC Lelystad declaraties verzonden voor behandelingen die tijdens het samenwerkingsverband met MC Lelystad hadden plaatsgevonden en daadwerkelijk betalingen geïnd op zijn eigen bankrekening.

5.8.23

[appellant] heeft in ieder geval rechtstreeks betalingen ontvangen ter hoogte van € 27.166,27.

5.8.24

Op 25 januari 2013 heeft MC Lelystad aangifte tegen [appellant] gedaan bij de politie Amsterdam-Amstelland.

5.8.25

Op 8 februari 2013 heeft [appellant] na daartoe verleend verlof, ten laste van MC Lelystad conservatoire derdenbeslagen doen leggen onder ING Bank NV en TaMed tot zekerheid van zijn op € 336.000,- begrote vordering op MC Lelystad.

5.8.26

MC Lelystad heeft een klacht tegen [appellant] ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Zwolle;

5.8.27

Tussen partijen is bij de rechtbank Midden Nederland locatie Lelystad een bodemprocedure (in conventie en in reconventie) aanhangig.

procedure in eerste aanleg

5.9

MC Lelystad en TaMed hebben [appellant] gedagvaard voor de voorzieningenrechter en opheffing van de gelegde beslagen gevorderd. Daarnaast hebben zij gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld een rectificatie te sturen naar alle patiënten waaraan hij een declaratie heeft verstuurd voor een behandeling binnen MC Lelystad, dat [appellant] wordt bevolen de incasso van declaraties per pin van door hem binnen MC Lelystad uitgevoerde behandelingen te staken, dat hem wordt bevolen rekening en verantwoording af te leggen van door hem ontvangen gelden en dat hij wordt veroordeeld de door hem ontvangen gelden aan MC Lelystad te betalen.

5.10

[appellant] heeft verweer gevoerd. In reconventie heeft hij betaling door MC Lelystad van een voorschotbedrag van € 150.000,- gevorderd.

5.11

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen in conventie afgewezen voor zover deze mede namens TaMed zijn ingesteld. De vordering tot onvoorwaardelijke opheffing van het beslag heeft de voorzieningenrechter afgewezen. Zij heeft het beslag wel opgeheven onder de voorwaarde dat door MC Lelystad zekerheid wordt gesteld tot een bedrag van
€ 119.125,-, het honorariumdeel van de door [appellant] binnen MC Lelystad verrichte behandelingen. Ook heeft de voorzieningenrechter [appellant] (steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom) veroordeeld een rectificatiebrief te versturen, hem bevolen de incasso van declaraties per pin te staken en rekening en verantwoording af te leggen van de rechtstreeks door hem van patiënten ontvangen bedragen.

5.12

De voorzieningenrechter heeft de vordering in reconventie afgewezen.

bespreking van de grieven

5.15

Het hof stelt voorop dat TaMed niet in appel is gekomen tegen de beslissing van de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie af te wijzen, voor zover deze door TaMed zijn ingesteld. In hoger beroep staat deze beslissing dan ook niet ter discussie en is TaMed geen procespartij meer.

5.16

Met de grieven in principaal en incidenteel appel worden vrijwel alle beslissingen van de voorzieningenrechter op de in conventie en in reconventie ingestelde vorderingen bestreden. Het hof zal de bestreden beslissingen behandelen en bij iedere beslissing de bijbehorende grieven bespreken.

5.17

Partijen verschillen van mening over de afwikkeling van hun samenwerking in de maanden september tot en met december 2012. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in verband met de werkzaamheden van [appellant] voor een totaalbedrag van € 262.355,- declaraties zijn verzonden en dat van dit bedrag € 119.125,- betrekking heeft op het honorarium van de specialist, in dit geval [appellant]. Het restant betreft de instellingskosten, inclusief de techniekkosten. Tussen partijen staat verder niet ter discussie dat [appellant] zelf voor een bedrag van € 27.165,- heeft gedeclareerd. Het hof zal van deze bedragen uitgaan. Het hof zal er ook, gelet op de door MC Lelystad overgelegde en niet door [appellant] weersproken opgave, van uitgaan dat MC Lelystad per 2 april € 148.000,- aan declaraties had ontvangen. Dat betekent dat er toen nog ongeveer € 87.000,- aan declaraties noch aan [appellant] noch aan MC Lelystad betaald was. Dat is aanmerkelijk minder dan het door MC Lelystad in eerste aanleg berekende bedrag van € 139.000,- en ook minder dan het door MC Lelystad in hoger beroep genoemde bedrag van € 129.462,97. MC Lelystad heeft het verschil niet verklaard.

5.18

Partijen zijn het er over eens dat [appellant] in beginsel - dus los van mogelijke tegenvorderingen en de eventuele consequenties van het incassorisico - aanspraak heeft op het honorariumdeel betreffende de door hem in de maanden september tot en met december 2012 bij MC Lelystad verrichte werkzaamheden. Op dit bedrag - € 119.125,- - strekt in mindering het door [appellant] zelf geïncasseerde bedrag van ruim € 27.000,-, zodat een bedrag van € 92.125,- resteert. MC Lelystad stelt dat zij dit bedrag niet verschuldigd is, allereerst omdat [appellant] het incassorisico draagt van de onbetaald gebleven declaraties en vervolgens omdat zij een tegenvordering op hem heeft in verband met de door hem veroorzaakte schade. Die tegenvordering bedraagt € 246.000,- en is aanzienlijk hoger dan het bedrag waarop [appellant] maximaal aanspraak heeft, aldus MC Lelystad. [appellant] betwist de tegenvorderingen en meent bovendien dat hij niet alleen aanspraak heeft op het honorariumdeel van de declaraties, maar ook op de instellingskosten, in elk geval op de daarin begrepen techniekkosten en kosten van implantaten.

5.19

MC Lelystad heeft gesteld dat zij, in tegenstelling tot [appellant], ten tijde van de samenwerking wel over een AGB-instellingscode beschikte. [appellant] heeft dat niet bestreden. Hij heeft evenmin bestreden dat een AGB-instellingscode vereist is om de instellingskosten in rekening te kunnen brengen. Het staat vast dat [appellant], als medisch specialist, in de bedoelde periode wel beschikte over een eigen AGB code. Die code is vereist om het honorarium en de techniekkosten ten aanzien van de door de specialist verrichte werkzaamheden te declareren.

5.20

Het hof stelt vast dat de overgelegde declaraties betreffende door [appellant] in MC Lelystad verrichte werkzaamheden uit drie onderdelen bestaan, te weten het honorarium van de specialist, de instellingskosten en de techniekkosten. Bij het honorarium van de specialist en de techniekkosten wordt in de declaraties steeds verwezen naar codes uit de bijlagen 1 en 2 van de Tariefbeschikking kaakchirurgische hulp van de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: de tariefbeschikking). Op de declaratie zijn zowel de AGB-code van MC Lelystad als de AGB-code van [appellant] vermeld. Deze wijze van declareren voldoet aan de vereisten van de tariefbeschikking, inhoudende dat de kaakchirurg zijn honorarium en de techniekkosten declareert via een instelling voor medisch specialistische zorg van waaruit hij de te declareren prestatie heeft geleverd en van waaruit de totale declaratie inclusief het aan de prestatie gekoppelde kostendeel ziekenhuis aan de patiënt of diens verzekeraar in rekening wordt gebracht en tevens inhoudende dat de tarieven en techniekkosten als zodanig herkenbaar en gespecificeerd in rekening dienen te worden gebracht.

5.21

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat in het systeem van de tariefbeschikking een onderscheid werd gemaakt tussen het honorarium, de techniekkosten en de instellingskosten. Het ligt voor de hand dat bij dit systeem in de onderlinge verhouding tussen MKA-chirurg en instelling de MKA-chirurg in beginsel aanspraak heeft op het honorarium voor zijn werkzaamheden, de instelling op de vergoeding voor instellingskosten en degene die de techniekkosten heeft gedragen op de vergoeding voor techniekkosten. Uiteraard kunnen de MKA-chirurg en de instelling afwijkende afspraken hebben gemaakt over deze verdeling, bijvoorbeeld inhoudende dat de MKA-chirurg aanspraak heeft op (een deel van) de instellingskosten. Volgens [appellant] is een dergelijke afspraak ook gemaakt, maar MC Lelystad heeft dat gemotiveerd betwist. Nu uit de hiervoor aangehaalde (en de verder overgelegde) correspondentie tussen partijen niet volgt dat een dergelijke afwijkende afspraak is gemaakt - de correspondentie wekt veeleer de indruk dat [appellant] zich, nolens volens, heeft neergelegd bij de voorwaarde van MC Lelystad dat zij aanspraak heeft op de instellingskosten - en in deze procedure geen gelegenheid is voor bewijslevering, zal het hof bij zijn oordeel over de over en weer gevorderde voorlopige voorzieningen uitgaan van de hiervoor vermelde verdeling. Het tekent daarbij aan dat partijen het er over eens zijn dat [appellant] verantwoordelijk was voor de techniekkosten. Hij heeft dan ook aanspraak op de gedeclareerde techniekkosten. Welk bedrag in de periode september tot en met december 2012 met de techniekkosten gemoeid is geweest, is het hof niet duidelijk geworden. Een gespecificeerde opgave van de techniekkosten ontbreekt.

5.22

Het hof zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen de grieven bespreken.

5.23

Met grief IV in het principaal appel komt [appellant] op tegen rechtsoverweging 5.11 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de wijze van declareren ooit een discussiepunt tussen partijen is geweest en dat het er daarom voor moet worden gehouden dat partijen het er over eens waren dat MC Lelystad zorg zou dragen voor de financiële en administratieve afwikkeling van declaraties. In de toelichting op deze grief voert [appellant] niet aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de wijze van declareren een discussiepunt is geweest tussen partijen. Evenmin voert hij aan dat MC Lelystad niet zou zorgen voor de administratieve en financiële afwikkeling van de declaraties. [appellant] maakt in de toelichting een opmerking over het incassorisico, maar die opmerking doet niet af aan hetgeen de voorzieningenrechter over de wijze van declareren heeft overwogen. De grief is om die reden vergeefs voorgesteld.

5.24

Nu MC Lelystad zorg zou dragen voor de financiële en administratieve afwikkeling van de declaraties heeft [appellant] naar voorlopig oordeel van het hof in strijd met deze afspraak gehandeld door zelf, buiten MC Lelystad om, declaraties te versturen en te innen. Het ligt voor de hand dat MC Lelystad door deze handelwijze van [appellant] geen totaaloverzicht heeft ten aanzien van de verzonden declaraties (welke patiënten hebben declaraties ontvangen en voor welk bedrag) en de verrichte betalingen, waardoor het haar niet mogelijk is een sluitende en controleerbare administratie te voeren. Voor het voeren van een deugdelijke administratie is een (sluitend) totaaloverzicht wel onontbeerlijk. Het feit dat MC Lelystad geen voorschotten aan [appellant] heeft betaald, vormt - daargelaten dat MC Lelystad bestrijdt dat [appellant] aanspraak heeft gemaakt op de betaling van voorschotten en correspondentie waarin dat is gebeurd ook ontbreekt – geen rechtvaardiging voor het eigenmachtig versturen en innen van declaraties door [appellant]. Indien [appellant] van oordeel was dat hij aanspraak had op de betaling van voorschotten, had hij indien een verzoek daartoe niet was gehonoreerd in rechte betaling van voorschotten kunnen afdwingen, al dan niet gecombineerd met het opschorten van zijn werkzaamheden.

5.25

Nu [appellant] onzorgvuldig heeft gehandeld door zelf declaraties te versturen en het voor de hand ligt dat MC Lelystad daardoor geen sluitende administratie kan voeren, kan van [appellant] gevergd worden dat hij meewerkt aan herstel van de door hem veroorzaakte situatie. Daartoe is noodzakelijk dat duidelijk wordt aan welke patiënten [appellant] zelf declaraties heeft verstuurd, hoe deze declaraties zijn opgebouwd en welke bedragen [appellant] op de door hem verstuurde declaraties heeft ontvangen. In dat licht bezien heeft de voorzieningenrechter [appellant] terecht veroordeeld rekening en verantwoording af te leggen door opgave te doen van de door hem rechtstreeks van patiënten ontvangen bedragen. Dat hij daartoe inzage dient te hebben in de administratie van MC Lelystad, zoals [appellant] stelt, acht het hof niet aannemelijk. Het gaat immers om de door [appellant] zelf verstuurde declaraties en de door hemzelf op die declaraties ontvangen bedragen. Over die gegevens beschikt [appellant] zelf. Dat [appellant] deze rekening en verantwoording niet alleen kon doen, maar diende te laten controleren door een accountant, is gelet op de verhouding tussen partijen en de handelwijze van [appellant] vanzelfsprekend. Ook kan van [appellant] gevergd worden dat hij er aan meewerkt dat de door hem behandelde patiënten overeenkomstig de met MC Lelystad overeengekomen werkwijze de declaratie aan MC Lelystad voldoen. Het versturen van een rectificatiebrief door [appellant] aan de patiënten die van hem een declaratie hebben ontvangen, is een passend middel om dit doel te bereiken. De voorzieningenrechter heeft de daartoe strekkende vordering dan ook terecht toegewezen. Grief V in het principaal appel, die zich keert tegen toewijzing van de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording en het versturen van een rectificatiebrief, faalt dan ook.

5.26

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de door de voorzieningenrechter opgelegde termijn van vier weken voor het verstrekken van een verklaring van de accountant kort is. Het hof acht een termijn van zes weken wel haalbaar. Het hof zal het vonnis op dit punt vernietigen. In zoverre slaagt grief VII in het principaal appel.

5.27

Grief IX in het principaal appel is gericht tegen de beslissing een dwangsom te verbinden aan de hiervoor besproken veroordelingen. De grief faalt. De veroordelingen lenen zich voor het opleggen van een dwangsom en de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom is niet excessief. Nu het hof hierna zal overwegen dat de veroordeling betreffende de pinbetalingen niet in stand kan blijven, heeft [appellant] geen belang bij een bespreking van de dwangsom betreffende die veroordeling.

5.28

Bij wege van vermeerdering van eis vordert MC Lelystad dat [appellant] veroordeeld wordt een uitgebreidere rectificatiebrief te versturen. Deze vordering is niet toewijsbaar. Allereerst heeft MC Lelystad de vordering niet deugdelijk onderbouwd. MC Lelystad verwijst naar een door haar genomen conclusie in de bodemprocedure zonder precies aan te geven op welke onderdelen van dit (uitvoerige) processtuk zij precies doelt. Bovendien is de kans groot dat het versturen van nog een rectificatiebrief, deels met dezelfde inhoud als de al verzonden brief slechts tot verwarring zal leiden bij de patiënten die het betreft. Ten slotte acht het hof het ongewenst dat de desbetreffende patiënten, die part noch deel hebben aan het geschil tussen partijen, in de nu door MC Lelystad voorgestelde brief worden uitgenodigd om contact op te nemen met de raadsman van MC Lelystad.

5.29

MC Lelystad vordert verder dat [appellant] een kopie aan haar zal verzenden van de door hem verzonden rectificatiebrieven. Het hof stelt vast dat [appellant] in zijn laatste memorie18 brieven in het geding heeft gebracht. Nu uit de door [appellant] ook in het geding gebrachte verklaring van de accountant volgt dat door hem veel meer declaraties zijn verstuurd, kan er niet van worden uitgegaan dat hij een kopie heeft verstrekt van alle door hem te versturen rectificatiebrieven. Deze vordering van MC Lelystad is dan ook toewijsbaar. Het hof zal een termijn van twee weken bepalen waarbinnen [appellant] kopieën van deze brieven dient te verstrekken.

5.30

MC Lelystad vordert verder dat [appellant] rekening en verantwoording aflegt betreffende alle door hem in rekening gebrachte bedragen. Deze vordering is geclausuleerd toewijsbaar. [appellant] heeft rekening en verantwoording afgelegd betreffende de door hem ontvangen bedragen. De rekening en verantwoording waartoe [appellant] is veroordeeld, betreft niet de door [appellant] wel gedeclareerde maar niet ontvangen bedragen.
MC Lelystad heeft er belang bij te kunnen beschikken over de door [appellant] verstuurde declaraties, uiteraard voor zover deze betrekking hebben op door [appellant] bij MC Lelystad verrichte werkzaamheden. Het hof zal [appellant] dan ook veroordelen deze declaraties aan MC Lelystad te verstrekken. Het hof ziet de meerwaarde van een controle door een accountant op het verstrekken van deze declaraties niet, nog daargelaten of een dergelijke controle kan worden verricht. Omdat [appellant] slechts kopieën van declaraties hoeft te verstrekken, volstaat een termijn van twee weken.

5.31

Grief VI in het principaal appel is gericht tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om [appellant] te bevelen de incasso van declaraties per pin te staken en gestaakte te houden. Volgens [appellant] beschikt hij niet over een pinautomaat. Hij is dan ook niet in staat (geweest) patiënten per pin te laten betalen. De grief slaagt. MC Lelystad is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat [appellant] wel over een pinautomaat beschikt. Haar stelling dat patiënten hebben verklaard dat zij per pin hebben moeten betalen, is onvoldoende concreet. Onduidelijk is gebleven welke patiënten het betreft. Het enkele feit dat [appellant] indien hij niet over een pinautomaat beschikt niet door de veroordeling wordt getroffen, vormt geen reden de veroordeling op te leggen, nu niet valt in te zien welk belang MC Lelystad heeft bij een dergelijke veroordeling indien [appellant] niet over een pinautomaat beschikt.

5.32

De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] tot betaling van een voorschot van € 150.000,- op het hem toekomende honorarium afgewezen. Tegen deze beslissing is grief II in het principaal appel gericht. Het hof stelt bij de bespreking van deze grief voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is, maar ook - kort gezegd - of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van de partijen mede (als één van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken.

5.33

Ten aanzien van de aannemelijkheid van de vordering van [appellant] geldt dat [appellant] zijn vordering baseert op zijn aanspraak op het honorariumdeel van de declaraties. Het betreft een bedrag van € 119.125,-. [appellant] heeft in elk geval € 27.166,27 geïnd, waardoor zijn vordering voor hooguit € 92.000,00 toewijsbaar is. Het staat vast dat een fors aantal declaraties betreffende de door [appellant] verrichte werkzaamheden onbetaald is gebleven. Ervan uitgaande dat aan MC Lelystad de in rekening gebrachte instellingskosten toekomen en aan [appellant] het honorarium, ligt het naar het voorlopig oordeel van het hof voor de hand dat beiden het incassorisico dragen voor hun deel van de onbetaald gebleven declaraties. Dat is alleen anders indien andersluidende afspraken zijn gemaakt. De overgelegde correspondentie tussen partijen biedt geen aanknopingspunt voor een dergelijke andersluidende afspraak. Indien, zoals [appellant] stelt, hij aanspraak heeft op zowel het honorarium als op de instellingskosten, valt zeker niet in te zien dat het incassorisico (van het honorariumdeel) op MC Lelystad rust. In deze procedure dient er dan ook vanuit te worden gegaan dat op [appellant] het risico betreffende het honorariumdeel van de declaraties rust. Uitgaande van een bedrag aan onbetaald gebleven declaraties van (in elk geval)
€ 86.000,- en van een aandeel van het honorarium in de declaraties van ongeveer 45% is met het incassorisico - afgerond - € 38.000,- gemoeid. Wanneer dat bedrag van de restant vordering van [appellant] wordt afgetrokken, resteert een bedrag van € 54.000,-.

5.34

MC Lelystad stelt dat zij een tegenvordering van ruim € 246.000,- op [appellant] heeft in verband met door haar geleden schade. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen betreffende de handelwijze van [appellant] volgt dat [appellant] naar voorlopig oordeel van het hof onzorgvuldig heeft gehandeld door zelf declaraties te versturen en te innen. Het hof acht aannemelijk dat daardoor bij de patiënten en ook bij MC Lelystad verwarring is ontstaan. Het hof acht eveneens aannemelijk dat MC Lelystad enige schade heeft geleden, bestaande in extra administratiekosten en gederfde instellingskosten (vanwege oninbare declaraties). Het hof acht niet aannemelijk dat de schade zelfs maar bij benadering het door MC Lelystad geclaimde bedrag bedraagt. Allereerst heeft MC Lelystad niet onderbouwd waarom zij naast de instellingskosten aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding voor personeelskosten
(ad € 10.620,-). Vervolgens maakt MC Lelystad aanspraak op vergoeding van het gehele onbetaald gebleven bedrag aan instellingskosten. Naar voorlopig oordeel van het hof kan er niet van worden uitgegaan dat het volledige bedrag ( € 54.770,-) onbetaald blijft, nog daargelaten dat MC Lelystad het totale onbetaald gebleven declaratiebedrag niet goed heeft onderbouwd. Ten aanzien van de administratiekosten kan niet zonder meer worden uitgegaan van een uurtarief (van nota bene € 140,-) voor de verrichte werkzaamheden. Uitgangspunt is dat alleen de extra personeelskosten in verband met de te verrichten administratieve werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking komen. Extra personeelskosten worden doorgaans niet op basis van een uurtarief berekend, tenzij personeel moet worden “ingehuurd”. De vordering van € 53.808,- betreffende de kosten van juridische bijstand voor het voeren van de gerechtelijke procedures lijkt, gelet op de aard en de inhoud van de gevoerde procedures, niet alleen exceptioneel hoog, maar berust ook op een juridisch onjuiste grondslag, de beschouwingen van MC Lelystad over de analogie van de vergoeding van proceskosten in intellectuele eigendomszaken - die een (het hof overigens onbekende) “aardverschuiving” in het denken over proceskosten zou hebben teweeggebracht - ten spijt. De post imagoschade van € 50.000,00 wordt slechts onderbouwd met de stelling dat er patiënten zijn vertrokken. Hoeveel patiënten zijn vertrokken en dat deze patiënten niet zouden zijn vertrokken indien [appellant] niet zelf declaraties zou hebben verstuurd, heeft MC Lelystad echter niet gesteld. Evenmin heeft zij het bedrag van € 50.000,00 toegelicht. Ten slotte stelt MC Lelystad dat zij aanspraak heeft op een bedrag van (in elk geval) € 50.000,00 in verband met verbeurde dwangsommen. Volgens MC Lelystad heeft [appellant] niet (volledig) aan de veroordeling tot het versturen van een rectificatiebrief voldaan door een aantal patiënten geen brief te sturen. Naar voorlopig oordeel van het hof kan niet worden uitgesloten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [appellant] zich niet volledig aan de veroordeling heeft gehouden en dwangsommen heeft verbeurd. Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vordering van [appellant] dient dan ook met een vordering van MC Lelystad op [appellant] uit hoofde van verbeurde dwangsommen rekening te worden gehouden (ofschoon deze vordering, anders dan MC Lelystad veronderstelt, geen vordering uit hoofde van schadevergoeding is).

5.35

Ofschoon de door MC Lelystad gepretendeerde tegenvordering naar voorlopig oordeel van het hof grotendeels onvoldoende onderbouwd en/of opgeklopt is, dient er in het kader van deze procedure toch rekening mee te worden gehouden dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag dat (minimaal) gelijk is aan het bedrag dat [appellant] in elk geval te vorderen heeft. Dat betekent dat de vordering van [appellant] onvoldoende aannemelijk is om in kort geding te kunnen worden toegewezen. Grief II in het principaal appel faalt dan ook.

5.36

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt ook dat het maar de vraag is of [appellant], gelet op zijn aanspraak op betaling van het geïncasseerde honorariumdeel van de declaraties in de bodemprocedure en het dubieuze karakter van diverse onderdelen van de tegenvordering van MC Lelystad, zal worden veroordeeld tot terugbetaling van het door hem geïncasseerde bedrag aan declaraties. Ook de reconventionele vordering van MC Lelystad tot terugbetaling van de door [appellant] geïnde declaraties is dan ook onvoldoende aannemelijk voor toewijsbaarheid in kort geding. De voorzieningenrechter heeft deze vordering terecht afgewezen. De daartegen gerichte grief, grief D in het incidenteel appel, faalt.

5.37

De grieven A tot en met C in het incidenteel appel keren zich tegen de afwijzing van de vordering tot onvoorwaardelijke opheffing van het door [appellant] gelegde conservatoire beslag. Krachtens het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv dient een conservatoir beslag onder meer te worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die opheffing vordert om, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Het in het kader van een zodanige afweging gegeven oordeel van de voorzieningenrechter over de vraag of de vordering waarvoor beslag is gelegd deugdelijk of ondeugdelijk is, is niet meer dan een voorlopig oordeel en voor de motivering ervan gelden dan ook minder strenge eisen dan moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing in de bodemprocedure (HR 14 juni 1996, NJ 1997, 481 en HR 25 november 2005, LJN: AT 9060).

5.38

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de vordering van [appellant] weliswaar onvoldoende aannemelijk is voor toewijzing in kort geding, maar dat betekent niet dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken. Integendeel, op grond van de nu bekende gegevens valt niet uit te sluiten dat de vordering in een bodemprocedure uiteindelijk (geheel of gedeeltelijk) toewijsbaar zal blijken te zijn. Nu uit de stellingen van MC Lelystad niet volgt dat zij meer belang heeft bij een onvoorwaardelijke opheffing van het beslag (voor het gehele bedrag waarvoor het is gelegd) dan [appellant] bij een continuering ervan, heeft de voorzieningenrechter het beslag terecht niet onvoorwaardelijk opgeheven. De grieven falen dan ook.

5.39

De voorzieningenrechter heeft het beslag beperkt tot een bedrag van € 119.125,-. Met grief II in het principaal appel komt [appellant] op tegen deze beperking. De grief faalt. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat [appellant] naar voorlopig oordeel van het hof aanspraak heeft op het honorariumdeel van de declaraties (voor zover voldaan) en op de (betaalde) techniekkosten. Het met de techniekkosten gemoeide bedrag is onbekend. Het honorariumdeel bedraagt maximaal € 119.125,- waarvan ruim € 27.000,- is ontvangen door [appellant]. Onder deze omstandigheden is een beperking van het bedrag waarvoor beslag is gelegd tot € 119.125,- alleszins redelijk.

5.40

Voor zover [appellant] zich keert tegen de opheffing onder de voorwaarde van zekerheidsstelling - helemaal duidelijk is dat niet -, miskent hij dat het door hem gelegde conservatoire beslag strekt tot zekerheid van de voldoening van zijn vordering en niet tot het op korte termijn incasseren van die vordering. Indien de zekerheid wordt gesteld, is het doel van het beslag - het verstrekken van zekerheid - bereikt en heeft [appellant] geen rechtens relevant belang meer bij continuering van het beslag.

5.41

Grief E in het incidenteel appel keert zich tegen de compensatie van de proceskosten in conventie. De grief faalt. In conventie zijn beide partijen op onderdelen in het ongelijk gesteld. Dat geldt zeker nu ook de vordering van MC Lelystad betreffende de pinbetalingen niet toewijsbaar is.

5.42

Ook in appel zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten in het principaal en in het incidenteel appel dan ook compenseren. Het zal het vonnis van de voorzieningenrechter voor het grootste deel bekrachtigen en op de hiervoor aangegeven onderdelen vernietigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het incident:


wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging af;

in de hoofdzaak:

bekrachtigt het vonnis voor zover in reconventie gewezen;

bekrachtigt het vonnis voor zover in conventie gewezen, behoudens voor wat betreft het dictum onder 7.5 en 7.7 en de termijn van vier weken in het dictum onder 7.6
en in zoverre opnieuw rechtdoende:



wijst de vordering tot het staken van de incasso van declaraties per pin af;

bepaalt dat voor de termijn van vier weken in het dictum onder 7.6 een termijn van zes weken dient te worden gelezen;

veroordeelt [appellant] om binnen twee weken na betekening van het ten deze te wijzen arrest rekening en verantwoording af te leggen van alle door hem verzonden declaraties aan patiënten die door hem in de maanden september tot en met december 2012 zijn behandeld bij MC Lelystad door een afschrift van deze declaraties te verstrekken aan MC Lelystad, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag, met een maximum van € 25.000,--, dat [appellant] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet;

veroordeelt [appellant] om binnen twee weken na betekening van het ten deze te wijzen arrest afschriften van alle door hem ingevolge het vonnis van de voorzieningenrechter verzonden brieven aan patiënten te verstrekken aan MC Lelystad, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag, met een maximum van € 25.000,--, dat [appellant] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in het principaal en in het incidenteel appel;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, H. de Hek en A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

8 oktober 2013.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.