De verklaring van [werknemer 2] luidt, voor zover hier van belang:
“Op 7 oktober 2015, in het begin van de middag ik denk rond 14.00 uur, werd ik opgebeld door [werknemer 4] dat [geïntimeerde] buiten liep. Normaal gesproken dient een werknemer niet buiten te lopen, maar is hij aan het werk binnen Wilco. Ik kan me niet herinneren dat [werknemer 4] meer heeft gezegd tegen mij dan dat hij [geïntimeerde] buiten had zien lopen.
(…) Toen ik gebeld werd door [werknemer 4] zat ik in mijn kantoor in de binderij. Ik weet niet meer of [werknemer 3] daar ook op dat moment aanwezig was, maar feit is dat wij samen, op verzoek van [werknemer 4] , naar een aparte ruimte zijn gegaan om daar camerabeelden te bekijken. (…) Toen wij met elkaar hadden geconstateerd dat het niet klopte dat [geïntimeerde] op dat moment buiten liep, zijn wij camerabeelden gaan bekijken. Er hangen camera’s in de binderij en in de expeditie. Op de tekening geef ik aan waar de camera in de binderij hangt. Met betrekking tot de camera’s in de expeditie ben ik niet zeker waar deze hangen. Ik heb twee kruisjes gezet van de plaatsen waarvan ik denk dat deze camera’s er hingen. Samen met [werknemer 4] en [werknemer 3] heb ik de beelden van de hiervoor genoemde camera’s in de binderij en de expeditie bekeken. Ik schat dat wij een half uur à drie kwartier naar de beelden van deze camera’s hebben gekeken. Wij hebben deze beelden bekeken ik schat in de periode van 14.00 uur tot 15.00 uur. Ik denk dat wij begonnen zijn om de beelden van camera in de binderij te bekijken. Op een bepaald moment hebben wij op de camerabeelden gezien dat [geïntimeerde] naar buiten liep en een tijdje later weer naar binnen liep. Ik schat dat er tussen de tijd dat [geïntimeerde] vanuit de expeditie naar buiten liep en weer terug naar binnen kwam ongeveer vijf minuten zat. Wat ik mij herinner is dat [geïntimeerde] met een tas op zijn rug naar buiten liep. Volgens mij was (het hof leest: het) een soort rugzak die [geïntimeerde] droeg, van dun materiaal en ik kon zien dat toen [geïntimeerde] naar buiten liep de zak belast was, omdat de zak gespannen stond. Toen [geïntimeerde] weer naar binnen liep, zag ik op de camerabeelden dat de tas een vodje was, waarmee ik bedoel dat de tas leeg was. (…) Daarop hebben wij besloten om [geïntimeerde] er op aan te spreken wat hij buiten deed. Het kan zijn dat ik [werknemer 3] en [werknemer 1] op de camerabeelden heb gezien, immers zij zijn werkzaam op de werkvloer. Ik weet niet waar [werknemer 3] en [werknemer 1] te zien waren op deze beelden, wij waren immers gericht op [geïntimeerde] . Ik kan mij niet herinneren dat ik op enig camerabeeld [geïntimeerde] met [werknemer 1] heb gezien. (…) In overleg met [werknemer 4] zijn [werknemer 3] en ik, na het zien van camerabeelden, op [geïntimeerde] afgestapt. [geïntimeerde] bevond zich toen op de bandenmaakafdeling (…) en ik weet ook niet voor 100 % zeker of [geïntimeerde] daar aanwezig was, maar vermoedelijk wel. Volgens mij was [geïntimeerde] aan het opruimen of aan het vegen. (…) [werknemer 3] heeft het gesprek met [geïntimeerde] geopend, maar ik heb ook zeker wat tegen [geïntimeerde] gezegd. [werknemer 3] heeft tegen [geïntimeerde] gezegd dat wij in zijn auto wilden kijken, omdat we het idee hadden dat er boeken in zijn auto lagen. Hierop antwoordde [geïntimeerde] dat hij niet met auto was, omdat hij meereed met collega’s. Daarop heb ik gezegd dat ik naar zijn collega’s zou gaan om navraag te doen. Dit heb ik gedaan en ik kreeg toen van deze collega’s te horen dat zij met [geïntimeerde] waren meegereden en niet andersom. Eén van de collega’s van [geïntimeerde] waar ik mee heb gesproken, was, als ik me goed herinner [collega 1] , de naam van de andere collega weet ik niet meer. Toen ik naar de collega’s van [geïntimeerde] ging, bleef [werknemer 3] achter bij [geïntimeerde] . Toen ik terugkwam heb ik tegen [geïntimeerde] gezegd dat zijn collega’s hadden verklaard dat zij met hem waren meegereden, waarop [geïntimeerde] zei dat hij wél met de auto was. We waren allemaal een beetje opgefokt, [werknemer 3] en ik ook, omdat het een welles-nietes spelletje was. Op een bepaald moment zei [geïntimeerde] dat hij naar huis ging en liep hij naar zijn auto. Wij zijn toen achter hem aangegaan en hebben tegen hem gezegd dat hij niet zomaar van zijn werk weg kon gaan. [werknemer 3] heeft toen gezegd dat [geïntimeerde] zijn kofferbak moest openmaken. Ik vermoed dat [geïntimeerde] de kofferbak zelf heeft open gemaakt en daarin lagen drie dezelfde boeken. Wij hebben toen de boeken uit de kofferbak gehaald. Als ik mij goed herinner was [werknemer 4] op een bepaald moment ook aanwezig bij de auto, maar ik weet niet meer of hij daar aanwezig was toen de boeken uit de kofferbak zijn gehaald. Wij zijn vervolgens met [geïntimeerde] naar het kantoor van [werknemer 4] gegaan. Ik weet niet of ik of [werknemer 3] de boeken uit de kofferbak heeft gehaald en heeft meegenomen. Toen wij de boeken uit de kofferbak hadden gepakt, zei [geïntimeerde] dat hij die boeken had mogen meenemen van [werknemer 1] .
Hierna is het gesprek voortgezet ten kantore van [werknemer 4] . Bij dit gesprek waren aanvankelijk [werknemer 4] , [werknemer 3] , [geïntimeerde] en ik aanwezig. [werknemer 4] heeft [geïntimeerde] ermee geconfronteerd dat er geen boeken zonder toestemming mogen worden meegenomen en dat er normaal gesproken een stempel in de boeken staat. In deze boeken stond geen stempel, dat heb ik gezien. [geïntimeerde] zei toen nogmaals dat hij de boeken van [werknemer 1] mocht meenemen. Ik heb [werknemer 1] toen gebeld en ik kreeg hem aan de telefoon terwijl hij in de auto zat. Hij was onderweg naar huis. Toen ik [werknemer 1] belde, heb ik hem verteld wat er was gebeurd (dat wij met [geïntimeerde] boven zaten, dat wij in de kofferbak van [geïntimeerde] drie boeken hadden aangetroffen en dat [geïntimeerde] had gezegd dat hij ze van Plezier mocht meenemen). Ik heb toen aan [werknemer 1] gevraagd of juist was dat [geïntimeerde] die boeken mocht meenemen. [werknemer 1] antwoordde daarop dat dit niet het geval was. Ik heb toen nogmaals aan [werknemer 1] gevraagd of hij zeker wist of hij geen toestemming had gegeven en [werknemer 1] antwoordde weer bevestigend. [werknemer 1] voegde daar aan toe dat [geïntimeerde] , als hij de boeken al had willen meenemen, daarvoor een stempel nodig had vanuit kantoor. Ik heb het antwoord van [werknemer 1] dat hij [geïntimeerde] geen toestemming had gegeven om de boeken mee te nemen, herhaald in het gesprek met alle aanwezigen. [geïntimeerde] is volgens mij op dat moment een soort toneelstukje gaan opvoeren. Hij ging op zijn knieën, hij maakte buigingen, hij zei ‘alsjeblieft, alsjeblief, ontsla mij niet’ en als mij herinner gaf hij ook [werknemer 4] handkussen. Later heeft ook mevrouw [betrokkene 1] deelgenomen aan het gesprek. Als ik mij goed herinner was mevrouw [betrokkene 1] niet bij het gesprek aanwezig toen ik met [werknemer 1] belde en ook niet toen [geïntimeerde] zijn toneelstukje opvoerde. Zij is later gekomen. Toen zij kwam, wilde zij [geïntimeerde] een hand geven, maar [geïntimeerde] wilde dit niet, omdat hij ‘vuile handen’ had, zoals hij zei. Ik ben daarna bij het gesprek weggegaan. De volgende dag heb ik zeker nog met [werknemer 1] gesproken over hetgeen was voorgevallen. (…) De raadsheer-commissaris vraagt mij of ik zeker weet of ik met [werknemer 1] heb gebeld. Ik antwoord daarop dat ik dat zeker weet. De raadsheer-commissaris houdt mij voor dat ik in eerste aanleg als getuige heb verklaard dat [werknemer 3] telefonisch contact heeft gehad met [werknemer 1] . Dat is vreemd, want in mijn herinnering heb ik met [werknemer 1] gebeld.
Op vragen van mr. Menkveld verklaar ik:
(…)
Ik kan mij niet herinneren dat ik beelden heb gezien van de deur van de bandenmaakafdeling naar de expeditie. Ik kan me niet herinneren dat ik beelden van de deur van de expeditie naar de binderij heb gezien. (…) Ik heb de camerabeelden van een drietal camera’s gezien.
(…)”
2.7 [werknemer 3] heeft onder andere het volgende verklaard:
“Op 7 oktober 2015 kwam [werknemer 4] naar mij toe en vertelde dat hij [geïntimeerde] buiten bij zijn auto had gezien. [werknemer 4] vroeg aan mij hoe dat zat en of dit tijdens werktijd was. Ik heb tegen [werknemer 4] gezegd dat dit onder werktijd was, omdat de werktijd van [geïntimeerde] net was begonnen en hij aan de machine had moeten werken. [werknemer 4] kwam omstreeks 15.00 uur bij mij om te vragen wat er aan de hand was. Ik schat dat tijdstip op deze manier omdat [geïntimeerde] om 14.00 uur was begonnen en avonddienst had tot 22.00 uur. [werknemer 4] had [geïntimeerde] met een rugzak buiten zien lopen, vertelde hij mij. [werknemer 4] zei mij dat hij [geïntimeerde] buiten had zien lopen in de buurt van zijn auto en weer terug. Hij vond dat verdacht.
Ik heb [geïntimeerde] zien binnenkomen bij zijn dienst rond 14.00 uur. (…) [geïntimeerde] was werkzaam aan de 85-machine. De productie van deze machine was net voor de ploegwissel om 14.00 uur klaar en de machine stond stil. (…) Ik heb [geïntimeerde] om 14.00 uur gezien bij de 85-machine bij de ploegwissel. Omstreeks 14.30 uur heb ik geconstateerd dat [geïntimeerde] in het magazijntje achterin de bandenmaakafdeling bezig was om materialen op te ruimen in stellingen. (…) Ik schat dat de productie van de machine rond 15.00 uur weer is begonnen. Dat weet ik omdat wij toen ( [werknemer 2] en ik) [geïntimeerde] aanspraken over het feit dat hij tijdens werktijd buiten was gesignaleerd, hij weer aan het werk was aan de 85-machine. Nu ik nog even goed nadenk, denk ik dat het moment dat we [geïntimeerde] hebben aangesproken rond 15.30 uur was. Toen draaide de productie van de 85-machine en was [geïntimeerde] aan de machine werkzaam. Naast [geïntimeerde] waren ook [collega 1] en de andere hulpmedewerker aan de machine werkzaam.
Nadat [werknemer 4] mij had bevraagd over het feit dat [geïntimeerde] buiten werktijd buiten was gesignaleerd, hebben [werknemer 2] , [werknemer 4] en ik in een aparte ruimte camerabeelden bekeken. (…) Op de tekening heb ik voorts twee cirkels getekend waarin een ‘c’ is geplaatst. Dat zijn de twee camera’s die in het magazijn/de expeditie hangen en waarvan ik samen met [werknemer 4] en [werknemer 2] de beelden heb bekeken. (…) Ik schat dat wij, dat wil zeggen [werknemer 4] , [werknemer 2] en ik, de beelden van deze twee camera’s ongeveer 10 à 15 minuten hebben bekeken. [werknemer 4] heeft met zijn afstandsbediening gezocht naar de beelden waarop [geïntimeerde] te zien was. Heel concreet waren er beelden te zien dat [geïntimeerde] vanuit de deur van de bandenmaakafdeling naar de deur van de personeelsingang van de expeditie ruimte loopt en daar via de personeelsingang naar buiten loopt met een rugtas op zijn schouder. Het andere beeld wat wij hebben gezien, dateert van daarna en daarop is te zien dat [werknemer 4] via de laadruimte naar de afdeling expeditie loopt en daarna rechtsaf de binderij inloopt. Meteen daarachteraan is [geïntimeerde] te zien, die kort na [werknemer 4] via de personeelsingang naar binnen loopt de expeditie ruimte in en vervolgens rechtsaf via de deur de binderij inloopt. (…) Ik weet niet meer van welke tijdstippen die camerabeelden dateren. Ik schat echter dat die camerabeelden van rond 14.45 uur dateren. Wij hebben ongeveer een tijdsbestek van een half uur aan camerabeelden bekeken, die wij deels versneld hebben afgespoeld en ook een paar keer heen en weer terug hebben gespoeld. Ik heb op de camerabeelden geen andere medewerkers gezien dan [geïntimeerde] . Ik heb [werknemer 1] niet op de beelden die wij hebben bekeken gezien. Op het beeld waarop te zien is dat [geïntimeerde] vanuit de bandenmaakafdeling naar de personeelsingang loopt, is alleen [geïntimeerde] te zien. Ik kan mij niet herinneren dat [werknemer 4] nog beelden van andere camera’s aan ons heeft laten zien.
Toen [werknemer 2] en ik [geïntimeerde] hebben aangesproken, stond hij aan de 85-machine. [werknemer 2] heeft aan [geïntimeerde] gevraagd of wij in de auto van [geïntimeerde] mochten kijken. [geïntimeerde] reageerde beduusd en vroeg waarom dat was. [werknemer 2] antwoordde toen dat wij dachten dat [geïntimeerde] boeken in zijn auto had gelegd. [geïntimeerde] zei toen tegen ons dat hij naar de auto was geweest om medicijnen te halen. Ik heb toen tegen hem gezegd dat wij dat niet geloofden, maar als hij dat kon aantonen dat het dan geen probleem zou zijn. [geïntimeerde] was duidelijk verrast en ook een beetje zenuwachtig toen wij hem aanspraken. Wij zijn toen langzaam in de richting van de uitgang gelopen en toen we daar liepen zei [geïntimeerde] dat hij niet met de auto was. Ik wist echter dat [geïntimeerde] wel met zijn eigen auto naar het werk was gekomen. Dat had ik nagevraagd bij [collega 1] , die met [geïntimeerde] was meegereden. Ik heb ook tegen [geïntimeerde] gezegd dat ik wist dat hij wél met de auto was en hem gevraagd mee naar de auto te gaan. Hij liep wel met ons mee, maar bleef volhouden dat hij niet met de auto was. Dat heeft een paar minuten geduurd, tot een meter van de stoep waar de auto geparkeerd stond. Ik kon merken dat [geïntimeerde] duidelijk druk voelde. Op een gegeven moment pakte hij onverwachts zijn sleutels uit zijn broekzak, stak de weg over naar de parkeerplaats, stapte in de auto en zei: ‘ik ga weg, ik ga naar huis’. Ik heb toen het portier aan de bestuurderszijde vast gehouden, zodat [geïntimeerde] niet kon wegrijden en hem gezegd dat hij gewoon moest laten zien wat er in zijn kofferbak zat. Ik was op dat moment alleen met [geïntimeerde] . Uiteindelijk is [geïntimeerde] uit de auto gestapt. Op dat moment kwamen ook [werknemer 2] en [werknemer 4] aangelopen en toen heeft [geïntimeerde] de kofferbak open gemaakt. In de kofferbak lagen drie Fantasiaboeken. [geïntimeerde] zakte toen bijna door zijn knieën. [werknemer 4] vroeg aan hem: ‘toch boeken, doe je dit vaker?’ Waarop [geïntimeerde] antwoordde: ‘nee, nee, dit is de eerste keer.’ Wij hebben toen de boeken uit de auto gehaald en zijn naar het kantoor van [werknemer 4] gegaan om daar verder te praten. Op weg naar het kantoor van [werknemer 4] gaf [geïntimeerde] tegenover ons aan dat hij toestemming van [werknemer 1] had gekregen om de boeken mee te nemen. Wij hebben toen in het kantoor van [werknemer 4] verder gepraat en aan [geïntimeerde] gevraagd: waarom doe je dit? Hij gaf toen aan dat hij toestemming had van [werknemer 1] , maar dat kon volgens mij haast niet zo zijn, omdat er een stempel of een paraaf in die boeken moet zitten en die zaten er niet in, zoals ik heb gezien. Bovendien waren het drie dezelfde boeken en het komt nooit voor dat iemand om drie boeken vraagt. Wij geven ook geen drie boeken weg. [werknemer 4] heeft ook aan [geïntimeerde] gevraagd of hij dit wel vaker had gedaan, maar [geïntimeerde] heeft gezegd dat dit de eerste keer was. Hij gaf aan spijt te hebben en zei: ‘sorry, sorry’. (…) In het kantoor van [werknemer 4] heb ik direct [werknemer 1] gebeld en hem gevraagd of hij toestemming aan [geïntimeerde] had gegeven om de drie Fantasiaboeken mee te nemen. [werknemer 1] antwoordde dat dit absoluut niet waar was. Als ik me goed herinner was [werknemer 1] net naar huis vertrokken. Ik weet niet meer of ik hem met mijn zakelijke telefoon of privételefoon heb gebeld. Ik kreeg [werknemer 1] meteen te pakken. De raadsheer-commissaris houdt mij voor dat [werknemer 2] als getuige heeft verklaard dat hij [werknemer 1] heeft gebeld, maar dat is niet juist. Ik heb [werknemer 1] gebeld.
Twee à drie dagen later heeft er nog een gesprek met [geïntimeerde] plaatsgevonden. Bij dat gesprek waren [werknemer 4] , [werknemer 2] , [geïntimeerde] en ik aanwezig en de zoon van [geïntimeerde] . Tijdens dat gesprek was ook [werknemer 1] aanwezig. Ook [betrokkene 1] was bij het gesprek aanwezig. Ik weet niet of [betrokkene 1] bij het gesprek op 7 oktober 2015 aanwezig is geweest. Het gesprek op 9 oktober 2015 verliep rustig. [geïntimeerde] was stil. Zijn zoon voerde met name het woord voor hem en vroeg hoe een en ander kon worden opgelost en Wilco of het gebeuren door de vingers wilde zien. Tijdens het gesprek op 9 oktober 2015 is van de zijde van de zoon van [geïntimeerde] aan de orde gesteld dat [geïntimeerde] de boeken mocht meenemen van [werknemer 1] . [werknemer 1] heeft toen aangegeven dat hij absoluut geen toestemming had gegeven. [werknemer 4] wilde het niet door de vingers zien en vond het een ontslag op staande voet waard.
(…)
Op vragen van mr. Menkveld verklaar ik:
(…) Ik heb zelf boven in het kantoor van [werknemer 4] in de boeken gekeken of er stempels of een paraaf in zaten, die zaten er niet in. Ik weet niet of iemand ook al in de kofferbak heeft gekeken of er in de boeken stempels of parafen zaten.
Toen ik [werknemer 1] heb gebeld in het kantoor van [werknemer 4] waren [werknemer 4] , [werknemer 2] , [geïntimeerde] en ik aanwezig. Iedereen heeft gehoord wat ik aan de telefoon met [werknemer 1] heb besproken en wat ik hem heb gevraagd. Ik heb het antwoord van [werknemer 1] ook herhaald in het bijzijn van alle betrokkenen. Dat antwoord was dat hij [geïntimeerde] geen toestemming had gegeven om de boeken mee te nemen.”