Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “het als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 december 2016 om 14:17 uur op de Stadsrondweg-Zuid, N7 te Sneek met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging is verricht en heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard. Daartoe heeft de kantonrechter onder andere overwogen dat onder het begrip vasthouden ook moet worden verstaan het met een hand bedienen van een telefoon terwijl deze geplaatst is in een telefoonhouder die bevestigd is op het dashboard.
3. Met betrekking tot het hoger beroep van de officier van justitie overweegt het hof het volgende.
4. De officier van justitie verzoekt het hoger beroep ontvankelijk te achten en de beslissing van de kantonrechter te bevestigen met overneming van de gronden waarop deze beslissing berust. Hij stelt dat zijn procesbelang bij een beoordeling van het hoger beroep erin is gelegen dat met een uitspraak van het hof duidelijkheid kan worden verkregen over de reikwijdte van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Het is van belang dat het begrip "vasthouden" nader wordt gedefinieerd om het gevaarlijke weggedrag door het gebruik van de mobiele telefoon terug te dringen, bestuurders van de in artikel 61a van het RVV 1990 genoemde voertuigen duidelijkheid te geven over welk gebruik van de mobiele telefoon tijdens het rijden wel of niet is toegestaan en om handhavingsinstanties duidelijkheid te geven wanneer wel en niet verbaliserend kan worden opgetreden indien een weggebruiker gebruik maakt van een mobiele telefoon. Met een inhoudelijk oordeel van het hof wordt ook het belang van de rechtseenheid gediend, aldus de officier van justitie.
5. Voorop gesteld moet worden dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat met het hoger beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de officier van justitie feitelijke betekenis kan hebben. Het hof is in zaken als deze geroepen tot het beslechten van geschillen die betrekking hebben op een administratieve sanctie en niet tot de beantwoording van principiële vragen. Nu de officier van justitie heeft verzocht om de beslissing van de kantonrechter te bevestigen, met inbegrip van de gronden waarop die beslissing berust, valt niet in te zien welk resultaat dat voor de officier van justitie feitelijke betekenis heeft met deze procedure kan worden bereikt. Dit betekent dat de officier van justitie geen belang heeft bij een beslissing op het door hem ingestelde hoger beroep. Derhalve dient het hoger beroep van de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6. Met betrekking tot het hoger beroep van de betrokkene overweegt het hof het volgende.
7. De betrokkene ontkent zijn mobiele telefoon te hebben vastgehouden, bediend of aangeraakt. Zijn linkerarm lag op de deurstijl, waardoor zijn hand zich automatisch dicht bij de houder van de mobiele telefoon bevindt. Die houder is uiterst links op het dashboard bevestigd. Voor zover aangenomen zou worden dat hij de telefoon wel heeft bediend, strookt de ruime uitleg die de kantonrechter aan het begrip vasthouden heeft gegeven niet met de bedoeling van de regelgever zoals die blijkt uit de Nota van Toelichting bij artikel 61a van het RVV 1990. Het gevolg van de bestreden beslissing is dat ieder gebruik van de mobiele telefoon in de auto verboden is, ook als daarbij de telefoon niet wordt vastgehouden. Dat heeft de regelgever tot op heden niet beoogd en bepaald. Het bedienen van een mobiele telefoon is expliciet niet strafbaar gesteld. Het is alleen strafbaar als de telefoon daarbij wordt vastgehouden. Van vasthouden is volgens de jurisprudentie van het hof slechts sprake ingeval van een telefoon + bestuurder + aan bestuurder bevestigd (hulp)middel. De laatste factor ontbreekt. Het woordenboek Van Dale definieert vasthouden als "omvatten, omklemmen met de hand(en)."
8. De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter met overneming van de gronden waarop deze berust. Uitgangspunt is dat kan worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verbalisant dat de betrokkene de telefoon bediende en daar zichtbaar mee bezig was. De regelgever heeft blijkens de Nota van Toelichting bij artikel 61a van het RVV 1990 niet beoogd het begrip vasthouden van een mobiele telefoon restrictief uit te leggen. Dat volgt ook uit de jurisprudentie van het hof (vgl. ECLI:NL:GHARL:2014:7293, ECLI:NL:GHARL:2013:3138, ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5407 en ECLI:NL:GHLEE:2006:AV3538). Het artikel is ingevoerd in een tijd dat met een mobiele telefoon slechts kon worden gebeld en ge-sms't. Het aantal technische mogelijkheden voor het gebruik van een mobiele telefoon groeit nog steeds. Mogelijk komt er een moment dat het aan de regelgever is om nadere regels te stellen, maar het past in de geest van de bepaling om teneinde de risico's voor de verkeersveiligheid te beperken, het begrip bedienen, dat wil zeggen het fysiek manipuleren van een mobiele telefoon, onder het verbod van artikel 61a van het RVV 1990, zoals dit thans luidt, te laten vallen.
9. Ingevolge artikel 61a van het RVV 1990, zoals deze bepaling luidde ten tijde van de gestelde gedraging, is het degene die een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.
10. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant onder meer het volgende in:
"Verbalisant zag betrokkene met zijn linkerhand zijn telefoon bedienen. Telefoon zat in een houder links van het stuur en betrof een nieuw type Nokia met touchscreen. Betrokkene was zichtbaar bezig met zijn telefoon en keek ook naar zijn telefoon gedurende het passeren van het opvallende dienstvoertuig."
11. Uit de verklaring van de verbalisant dat de telefoon in een houder zat kan niet volgen dat de betrokkene zijn mobiele telefoon heeft vastgehouden. Gelet op hetgeen de verbalisant verder heeft verklaard, rijst vervolgens de vraag of het bedienen van een telefoon onder het verbod van artikel 61a van het RVV 1990 valt.
12. De Nota van Toelichting bij het Besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het RVV 1990 (verbod handmatig telefoneren), Stb. 2002, 67, houdt onder meer in:
"Het handmatige telefoneren en het gelijktijdig besturen van een motorvoertuig, invalidenvoertuig of bromfiets vormt een gevaar voor de verkeersveiligheid. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid schat dat per jaar in het verkeer enkele tientallen doden en bijna driehonderd gewonden vallen door het gebruik van de mobiele telefoon. De oorzaak hiervan is gelegen in een tweetal factoren. Ten eerste is bij het handmatig telefoneren - vaak gedurende enige tijd - slechts één hand beschikbaar voor het verrichten van de noodzakelijke verkeershandelingen. Ten tweede wordt de aandacht van de bestuurder door het voeren van een telefoongesprek afgeleid van de verkeerssituatie. Door de combinatie van deze twee factoren ontstaat een niet te veronachtzamen risico voor de verkeersveiligheid. (...)
In artikel 61a RVV 1990 wordt gesproken van het vasthouden van een mobiele telefoon en niet van telefoneren. Hiervoor zijn verschillende redenen te geven. Ten eerste wordt hiermee de afwijzing van het fysieke aspect van het handmatig telefoneren beter tot uitdrukking gebracht. Onder vasthouden wordt verstaan het in de hand houden, het tussen oor en schouder geklemd houden etc. Ten tweede kan bij de term telefoneren onduidelijkheid bestaan wanneer daarvan sprake is. Is dat op het moment dat de telefoon ter hand wordt genomen, een nummer wordt ingetoetst of bijvoorbeeld op het moment dat de verbinding tot stand komt. Ten derde wordt met de term telefoneren de reikwijdte beperkt tot de overdracht van spraak. Door de gekozen formulering van artikel 61a RVV 1990 wordt tevens het verzenden of ontvangen en lezen van SMS-berichten of e-mailberichten of het internetten met een mobiele telefoon tijdens het rijden onder de verbodsbepaling gebracht. Ten vierde heeft het openbaar ministerie aangegeven dat een verbod op het telefoneren aanzienlijk moeilijker te handhaven is dan een verbod op het vasthouden van een mobiele telefoon.”
13. Uit de Nota van Toelichting volgt dat de regelgever er bewust voor heeft gekozen om slechts het vasthouden van de mobiele telefoon te verbieden. Dat de regelgever het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden heeft verboden, betekent daarom geenszins dat het bedienen van een mobiele telefoon tijdens het rijden niet is toegestaan, indien de telefoon niet wordt vastgehouden. Voor zover het telefoneren, dan wel het bedienen van de mobiele telefoon gevaarlijk wordt geacht, wat daar verder ook van zij, heeft de regelgever dit niet verboden. Derhalve is het oordeel van de kantonrechter, dat onder het begrip vasthouden ook moet worden verstaan het met een hand bedienen van een telefoon terwijl deze geplaatst is in een telefoonhouder die bevestigd is op het dashboard, niet juist. Indien de advocaat-generaal het vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid gewenst acht dat het bedienen van een mobiele telefoon tijdens het besturen van een motorvoertuig strafbaar wordt gesteld, dient hij zich tot de regelgever te richten. Nu artikel 61a van het RVV 1990 niet de basis kan zijn voor zodanig extensieve interpretatie gaat dit de rechtsvormende taak van het hof te buiten.
14. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de gestelde gedraging niet is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. De door de betrokkene betaalde zekerheidstelling dient te worden gerestitueerd.
Dit brengt mee dat de argumenten die de betrokkene overigens nog heeft aangevoerd geen bespreking meer behoeven.
15. Het hof acht termen aanwezig om, zoals ter zitting van het hof is verzocht, een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de verletkosten en de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en de zitting in hoger beroep. Het hof acht het aannemelijk dat de betrokkene voor elk van deze zittingen drie uren aan inkomsten heeft gederfd. Verzocht is om bij gebreke van onderbouwing van een uurtarief het laagste tarief toe te passen. Dat bedraagt ingevolgde artikel 2, eerste lid, sub d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 7,- per uur. De verletkosten worden derhalve vastgesteld op een bedrag van € 42,-. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 24,16 (2 x retour [A] - Leeuwarden). Voor reis- en verletkosten van de betrokkene wordt derhalve een totaalbedrag vastgesteld van € 66,16.
16. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft een hoger beroepschrift ingediend, een nadere toelichting op het beroep gegeven en de zitting van het hof bijgewoond. Aan het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting dient één punt te worden toegekend, aan het geven van de nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 626,25 (=2,5 x € 501,- x 0,5).