3.1
Op [sterfdatum] 2009 is te [woonplaats] , overleden [erflater] (hierna: erflater), geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] . Hij was ten tijde van zijn overlijden in voor hem tweede echt gehuwd met [verweerster] met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een finaal verrekenbeding bij overlijden van de eerststervende als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd.
3.2
Bij testament van 25 oktober 2006 heeft erflater benoemd tot erfgenamen:
- [verweerster] , echtgenote van erflater, voor 1%,
- [verzoeker 1] , zoon van erflater, voor 12,5%,
- [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , kleinkinderen van erflater,
ieder voor 6,25%,
- [verzoeker 4] , zoon van erflater, voor 37%,
- [verzoeker 5] , dochter van erflater, voor 37%.
3.3
Erflater heeft in zijn testament verder onder meer het volgende bepaald:
“IV. LANGSTLEVENDE AL, TENZIJ-VARIANT A:VERDELING
Geen goederenrechtelijke wettelijke verdeling
Afdeling 4.3.1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek stel ik geheel buiten toepassing.
Quasi-wettelijke verdeling door langstlevende
Ik leg mijn echtgenote als executeur, zoals hierna te benoemen, de testamentaire last op in de zin van artikel 4:130 lid 2 en artikel 4:144 van het Burgerlijk Wetboek, welke last mede rust op de gezamenlijke erfgenamen, om de nalatenschap te verdelen als ware er een wettelijke verdeling en inhoudelijk overeenkomend met de wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek op de wijze als hierna is uitgewerkt.
Op basis van artikel 4:171 van het Burgerlijk Wetboek, ken ik mijn echtgenote bovendien de bevoegdheid toe om, als vertegenwoordiger van de erfgenamen, de nalatenschap met inachtneming van het hierna bepaalde te verdelen bij notariële akte. Ik benoem haar hiertoe tot afwikkelingsbewindvoerder. Mijn echtgenote is zelfstandig bevoegd toe te delen aan zichzelf, als ware er een wettelijke verdeling en inhoudelijk overeenkomend met de wettelijke verdeling, als bedoeld in artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek alle goederen die tot mijn nalatenschap behoren, onder de verplichting alle schulden van mijn nalatenschap (...) voor haar rekening te nemen.
Indien en voorzover mijn echtgenote door deze toedeling wordt overbedeeld, krijgen mijn kinderen op grond van de verdeling een vordering in geld ten laste van mijn echtgenote berekend in het saldo van de nalatenschap, met inachtneming van bovenbedoelde schulden".
In het testament heeft erflater vervolgens bepalingen over het afwikkelingsbewind en nadere bepalingen over de verdeling opgenomen (opeisbaarheid, rente, zekerheidstelling, aflossing, uitschakeling regeling wilsrechten van artikel 4:19-26 BW en overdraagbaarheid vorderingen). Het testament vervolgt dan:
"Boedelbeschrijving
Ieder van mijn erfgenamen kan verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt conform het in artikel 4:16 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde.
Vaststelling vorderingen en dergelijke
Ik draag ieder van mijn erfgenamen op binnen een redelijke termijn na mijn overlijden, nadat zij daartoe verzocht zijn, mee te werken aan de vaststelling bij notariële akte van de omvang van de vorderingen en zo nodig aan de overige uitvoering van dit testament. (…)
Voorzover de erfgenamen over de vaststelling van de vorderingen niet tot overeenstemming komen, worden deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld.
Ieder van mijn erfgenamen heeft jegens de andere erfgenamen recht op inzage in en een afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die hij voor de vaststelling van de vorderingen behoeft. In het kader van de vaststelling wordt verwezen naar artikel 4:15 van het Burgerlijk Wetboek.”
3.4
Onderdeel van de nalatenschap zijn de aandelen in [erflater] Beheermaatschappij B.V. (hierna: de aandelen). Deze aandelen hebben – zo staat tussen partijen vast – een waarde op de sterfdatum van erflater van € 4.528.645,- , waarvan ten gevolge van het finaal verrekenbeding € 2.264.323,- aan diens nalatenschap is toe te rekenen. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de hoogte van de belastinglatentie.
3.5
De (klein)kinderen hebben de kantonrechter verzocht, voor zover hier van belang, de hoogte van de belastinglatentie als waardedrukkende factor bij de waardering van de aandelen vast te stellen.
3.6
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, bepaald dat bij de vaststelling van de erfdelen en de vorderingen uit overbedeling van de (klein)kinderen op [verweerster] voor de waardering van de aandelen uitgegaan dient te worden van een latente AB-claim van 25%.