Beoordeling
1. Het hof duidt voormelde beslissing van de kantonrechter aldus dat deze het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, die beslissing heeft vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 123,75.
2. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. De gemachtigde voert daartoe onder meer aan dat het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen behoort te bevatten, maar dat de beslissing van de kantonrechter daaraan niet voldoet. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter dus niet in stand blijven.
3. Het dossier bevat een afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 22 augustus 2017. Het door de vertegenwoordiger van de officier van justitie ingenomen standpunt ontbreekt daarin. De vermelding "Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift" volstaat niet, nu daaruit niet blijkt tot welke conclusie de vertegenwoordiger is gekomen. Het opnemen van deze conclusie is in het bijzonder van belang, gelet op de eigenstandige bevoegdheid die (de vertegenwoordiger van) de officier van justitie op de voet van artikel 7 van de Wahv juncto artikel 7:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ten aanzien van het in stand laten, wijzigen of vernietigen van de inleidende beschikking. Het proces-verbaal voldoet derhalve niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld.
4. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
5. De gemachtigde heeft in zijn fax aan de kantonrechter van 26 juli 2017 tegen de beslissing van de officier van justitie onder meer aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.
6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord. Geen van de (andere) uitzonderingssituaties van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht doen zich hier voor. In het licht van bestendige, bekende en niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt, kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand blijven.
7. Het hof zal derhalve, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer.
8. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
9. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 juni 2015 om 01:26 uur op de Haarlemmerweg te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
10. De gemachtigde voert hiertegen aan dat de betrokkene stelt dat het verkeerslicht geen rood licht uitstraalde, maar dat dit nog net oranje (het hof begrijpt: geel) was. De gemachtigde merkt daarbij op dat de ambtenaar niet zelf heeft waargenomen dat het verkeerslicht van de betrokkene rood licht uitstraalde maar dat hij dat concludeert op basis van een niet nader onderbouwde redenering. De afstemming van de verkeerslichten is echter geen kennis die de ambtenaar ambtshalve kan hebben. Die afstemming zal uit de technische gegevens van de verkeerslichtinstallatie moeten blijken, maar die ontbreken.
11. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
12. De gegevens waarop de oplegging van de sanctie is gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast de volgende verklaring van de ambtenaar: "Ik, verbalisant, reed op de Van Limburg Stirumstraat vlak voor de kruising met de Haarlemmerweg. Ik zag dat het voor mij bestemde
verkeerslicht inmiddels drie seconden groen licht uitstraalde op het moment dat de betrokkene met onverminderde snelheid over de Haarlemmerweg door reed. Roodlichtfase is dusdanig afgesteld dat groen licht op Van Limburg Stirumstraat inhoudt dat verkeer op Haarlemmerweg rood licht heeft."
13. De betrokkene ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest d.d. 13 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4941, is het hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd.
14. De ambtenaar zal ook moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daaromtrent uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.
15. Uit het dossier blijkt niet dat de ambtenaar een dergelijk onderzoek in deze zaak heeft uitgevoerd. Het hof ziet geen aanleiding om in deze fase van de procedure de ambtenaar nog om nadere informatie te verzoeken.
16. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat de onder 9 genoemde gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook gegrond verklaren en die beschikking vernietigen.
17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift aan de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 768,-.