De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 december 2016 om 10:39 uur op de Groenstraat in Geleen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. Het dossier bevat een zaakoverzicht. De ambtenaar verklaart daarin onder meer dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een weggedeelte dat bestemd is voor het verkeer van voetgangers, zijnde een voetpad c.q. trottoir.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep –onder meer– aan dat het hier een rijbaan betreft en geen trottoir.
4. Artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) luidt als volgt:
“Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.”
5. Ingevolge artikel 1 van het RVV 1990 wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder rijbaan: “elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden”. Het RVV 1990 bevat geen definitie of omschrijving van de begrippen ‘trottoir’ of ‘voetpad’.
6. Bij gebreke van een wettelijke definitie kan aan de hand van het spraakgebruik en de uiterlijke verschijningsvorm van een weggedeelte worden beoordeeld of het al dan niet als trottoir of voetpad moet worden aangemerkt. In dit verband wordt hier verwezen naar De Dikke Van Dale, waarin een trottoir wordt omschreven als een “verhoogd en bestraat voetpad naast de rijweg”.
7. Op basis van de foto’s die door de betrokkene in administratief beroep zijn ingebracht, stelt het hof vast dat de Groenstraat, waarop het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd, op de volgende wijze is ingericht. Een trap geeft toegang tot een door gebouwen omgeven (verhoogd) plein. Voor de trap, meest rechts, is een fietsenrek geplaatst. Het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd voor de trap, aan de linkerzijde van dit fietsenrek. Er zijn geen verschillende ondergronden gebruikt. Alles vóór de trap is op dezelfde wijze bestraat. Er is daarnaast op de foto’s geen waarneembaar hoogteverschil te zien of enig andere (fysieke) barrière aangebracht, die belemmert dat geparkeerd wordt voor de trap.
8. Gelet op de hiervoor omschreven weginrichting, met name op het ontbreken van een verhoogde trottoirband en/of enig andere fysieke barrière en op de wijze van bestrating, doet het weggedeelte waarop het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd zich naar het oordeel van het hof voor de gemiddelde weggebruiker niet voor als trottoir of voetpad.
9. Dit betekent dat het voertuig van de betrokkene op de rijbaan was geparkeerd, zodat geen sprake is van met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene om enige andere reden niet op de desbetreffende plek mocht worden geparkeerd. Informatie omtrent eventuele bebording ter plaatse ontbreekt. Gelet hierop kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. De beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie moeten worden vernietigd, evenals de inleidende beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven gelet hierop geen bespreking meer.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient een punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht dit punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 918,75 (= 3,5 x € 525,- x 0,5).