”Na bekendmaking van onze bedoelingen aan de schipper, welke zich voorstelde als de heer [de schipper] , schipper van de bovengenoemde tanklichter.(hierna: de schipper), heb ik, [de verbalisant1] , aan de schipper gevraagd welke lading de tanklichter normaliter vervoerde en of de tanklichter nog geladen was.
Ik, [de verbalisant1] , hoorde de schipper zeggen dat de tanklichter voornamelijk minerale oliën vervoerde en nu leeg was.
Hierop heb ik, [de verbalisant1] , de schipper gevraagd welke soorten minerale oliën door de tanklichter werden vervoerd.
Ik, [de verbalisant1] , hoorde de schipper zeggen dat er de vorige reis gasolie werd vervoerd.
Hierop heb ik, [de verbalisant1] , de schipper gevraagd of hij nog restlading aan boord had.
Ik, [de verbalisant1] , hoorde de schipper zeggen dat er geen restlading aan boord was.
Hierop heb ik, [de verbalisant1] , aan de schipper gevraagd of hij mij bescheiden kon tonen met betrekking tot de laatste reis van de tanklichter.
De schipper voldeed aan mijn verzoek en overhandigde mij een losverklaring, zoals genoemd in artikel 4a van het Scheepsafvalstoffenverdrag van 01 november 2009, gedateerd 2 december 2015 (…)
Hierop heb ik, [de verbalisant1] , de schipper medegedeeld dat wij, verbalisanten [de verbalisant1] , [de verbalisant2] en [de verbalisant3] , aan boord van de tanklichter de cofferdammen, dekkasten, de voor- en achterpiek, de boegschroefruimte, de sloptank en andere bergplaatsen wilden controleren en hem verzocht daarbij zijn medewerking te verlenen.
Ik, [de verbalisant1] , hoorde de schipper zeggen hieraan zijn medewerking te verlenen en ons daarbij te vergezellen.
Hierop zijn wij, verbalisanten [de verbalisant1] , [de verbalisant2] en [de verbalisant3] , met de controle begonnen waarbij wij in de cofferdammen, achterpiek, voorpiek en boegschroefruimte geen onregelmatigheden troffen.
Op het dek van voornoemde tanklichter zagen wij, verbalisanten [de verbalisant1] , [de verbalisant2] en [de verbalisant3] , een cilindervormige tank staan.
Ik, [de verbalisant1] heb aan de schipper gevraagd waar deze tank voor diende.
Wij, verbalisanten [de verbalisant1] , [de verbalisant2] en [de verbalisant3] , hoorden de schipper zeggen dat dit de slobtank was, bedoeld voor opslag van ladingsrestanten.
Na het openen van het toegangsdeksel boven op deze tank zagen wij, verbalisanten [de verbalisant1] en [de verbalisant3] , een vloeistof in deze tank staan.
Wij, verbalisanten [de verbalisant1] en [de verbalisant3] , roken een geur die leek op die van gasolie. (…)
Hierna heb ik, [de verbalisant2] , de temperatuur van de vloeistof in genoemde slobtank opgemeten, middels een geijkte thermometer. Na onderdompeling in de vloeistof zag ik, [de verbalisant2] , op de thermometer dat de vloeistof een temperatuur had van 9 ⁰C.
Hierna heb ik, [de verbalisant2] , de totale hoeveelheid aanwezige vloeistof in de slobtank, middels een door de Belastingdienst beschikbaar gesteld rekenprogramma, vastgestelde op: 974 Liter/Actueel (…)
Vervolgens heb ik, [de verbalisant2] , de boegschroefruimte gecontroleerd en zag ik hier een bunkertank.
Ik, [de verbalisant2] , heb de aanwezige matroos om een vloeistofmonster verzocht.
Onder mijn toezicht heeft de matroos een monster genomen en aan mij, [de verbalisant2] , overhandigd.
De schipper ging middels ondertekening van het monstername formulier akkoord met de wijze van monstername (bijlage 5).
Ik, [de verbalisant2] , las samen met de aanwezige matroos op de peilschaal af dat er 955 liter vloeistof aanwezig was in de bunkertank.
Gezien de constructie van de bunkertank in de boegschroefruimte was het niet mogelijk de temperatuur van de gasolie op te meten.
Hierna hebben wij, verbalisanten [de verbalisant2] , [de verbalisant3] en [de verbalisant1] , de machinekamer gecontroleerd op de aanwezigheid van ladingrestanten.
In de machinekamer zagen wij, verbalisanten [de verbalisant2] en [de verbalisant1] , zowel aan bakboord als ook aan stuurboord een bunkertank. Deze beide tanks monden uit in de dagtank welke direct aangesloten was op de scheepsmotor.
Ik, [de verbalisant2] , verzocht de schipper ons een monster uit de drie tanks te overhandigen.
Wij, verbalisanten [de verbalisant1] , [de verbalisant2] en [de verbalisant3] , hoorden de schipper zeggen dat dit technisch niet mogelijk was voor de bakboord en stuurboord bunkertanks maar dat een monster uit de dagtank representatief was voor de drie tanks omdat deze allen met elkaar in verbinding stonden.
Hierop heeft een matroos van de tanklichter onder toezicht van ons, verbalisanten [de verbalisant1] , [de verbalisant2] en [de verbalisant3] , een monster genomen uit de dagtank en deze aan mij, [de verbalisant1] , overhandigd teneinde deze in te sturen naar het Douanelaboratorium te Amsterdam met het doel de soort en samenstelling te laten vaststellen De schipper ging middels ondertekening van het monstername formulier akkoord met de wijze van monstername (bijlage 6).
Ik, [de verbalisant2] , las samen met de aanwezige matroos op de peilschaal af dat er 8967 liter vloeistof aanwezig was in de bunkertank stuurboordzijde van de machinekamer.
Ik, [de verbalisant2] , las samen met de aanwezige matroos op de peilschaal af dat er 9777 liter vloeistof aanwezig was in de bunkertank bakboordzijde van de machinekamer.
Ik, [de verbalisant2] , las samen met de aanwezige matroos op de peilschaal af dat er 400 liter vloeistof aanwezig was in de dagtank van de machinekamer.
Gezien de constructie van de bunkertank in de boegschroefruimte was het niet mogelijk de temperatuur van de gasolie op te meten. (…)”
- drie tank-/bunkerbonnen op naam van belanghebbende met datum 17 oktober 2015 (bijlage 10), 8 november 2015 (bijlage 11) en 22 november 2015 (bijlage 12), alsmede één bunkerverklaring op naam van belanghebbende met datum 22 november 2015 (eveneens bijlage 12);
- twee aanvragen tot monsteronderzoek (nummers [nummer2] -41 en [nummer2] -42) met datum 3 december 2015 (bijlagen 14 en 15);
- een analyserapport van het Douane Laboratorium met kenmerk [nummer2] -42 en datum 23 december 2015 (bijlagen 21 en 22, monster dagtank);