De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “zonder ontheffing/vergunning een voertuig laten staan in een park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 februari 2020 om 15.12 uur op de John F. Kennedylaan in Heerlen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel komt dat de plaats waar de betrokkene zijn voertuig had staan is aan te merken als een groenstrook en niet als een berm, zoals de gemachtigde stelt. Er is geen verhoogde stoeprand aanwezig, maar een opsluitband, wat maakt dat sprake is van een berm.
3. Ter zitting heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de betreffende groenstrook niet van gemeentewege is aangelegd, aangezien uit navraag bij de afdeling Communicatie van Mondriaan, de instelling die daar gevestigd is, blijkt dat het terrein waarop de groenstrook zich bevindt eigendom is van die instelling. Ter onderbouwing heeft de advocaat-generaal een e-mailbericht overgelegd waarin dit wordt bevestigd. De advocaat-generaal stelt dat niet in strijd is gehandeld met de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV), aangezien daarin is bepaald dat het is verboden om een voertuig te laten staan in een van gemeentewege aangelegde groenstrook.
4. De onderhavige gedraging betreft een vermeende overtreding van artikel 5:10, eerste lid, van de destijds geldende APV van de gemeente Heerlen. Dit artikel(lid) luidt als volgt:
“1. Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.”
5. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 3 april 2020, waarin de ambtenaar het volgende verklaart:
“Ten tijde van bekeuren stond het voertuig van betrokkene geparkeerd op een groenstrook. Deze groenstrook betreft een strook, voorzien van gras, die gelegen is op een parkeerterrein. De groenstrook is niet voorzien van vakken, waaruit opgemaakt kan worden dat deze strook niet bedoeld is om aldaar voertuigen te parkeren. Van deze strook zijn foto’s gemaakt die als bijlage bij dit commentaar worden gevoegd. (…)”
6. De ambtenaar heeft het door hem ondertekende brondocument aan het aanvullend proces-verbaal gehecht, alsmede een aantal foto’s van de gedraging. De gemachtigde heeft eerder in de procedure foto’s van de situatie ter plaatse overgelegd. Op de foto’s is te zien dat het voertuig van de betrokkene stond op een met gras bedekte strook dat een parkeerterrein omzoomt. Op de grasstrook bevinden zich lantaarnpalen en de grasstrook wordt van het (verharde) parkeerterrein afgescheiden door middel van jonge beplanting met daarachter een verhoogde trottoirband. Aan de andere kant van de grasstrook ligt de rijbaan, die met klinkers is bestraat. De grasstrook wordt door middel van een opsluitband afgescheiden van de rijbaan.
7. Naar het oordeel van het hof doet dit terrein zich voor de gemiddelde weggebruiker voor als een groenstrook en moet het daarom als zodanig worden aangemerkt. Uit de beschikbare gegevens blijkt echter niet dat deze groenstrook van gemeentewege is aangelegd. Aldus kan niet worden vastgesteld dat is gehandeld in strijd met bovengenoemde bepaling uit de APV.
8. De advocaat-generaal heeft voorgesteld om de feitcode van de gedraging te wijzigen naar R584: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. De betrokkene zou hierdoor niet in zijn belangen zijn geschaad, aangezien de hoogte van het bedrag van de sanctie voor beide feitcodes gelijk is en de onderliggende vraag, of sprake is van een berm of groenstrook, ook essentieel is voor de vraag of de voorgestelde gedraging kan worden vastgesteld.
9. Uit artikel 65 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 volgt dat de toepassing van een verkeersbord zich beperkt tot de weg. Een groenstrook maakt geen deel uit van de weg, zodat een bord E1 daar geen gelding heeft. Reeds daarom kan de voorgestelde wijziging van de feitcode en de omschrijving van de gedraging niet worden gevolgd.
10. Het hof zal als volgt beslissen.
11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal 4 procespunten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.544,25 (= (1,5 x € 541,- x 0,5) + (3 x € 759,- x 0,5)).