De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel” (feitcode R533). Deze gedraging zou zijn verricht op 25 november 2019 om 15:01 uur op de Nieuwleusenerdijk in Zwolle met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat hij zijn autogordel wel degelijk om had, maar dat hij deze zoals altijd onder zijn oksel droeg, omdat de band anders zou irriteren op een litteken dat hij heeft overgehouden aan een chirurgische behandeling van een fractuur van zijn linker sleutelbeen. De verklaring van de ambtenaar deugt op de meeste punten niet en bevat zelfs een aantal punten die feitelijk onmogelijk zijn. Zo beweert de ambtenaar dat de betrokkene voor hem langs reed. Dit klopt niet, want de ambtenaar stond aan de overzijde van de weg. Verder beweert de ambtenaar dat hij door de voorruit vrij en onbelemmerd zicht had op de bestuurder. De betrokkene is de ambtenaar echter met een redelijke snelheid gepasseerd, zodat deze zijn waarneming slechts in een flits heeft kunnen doen. Hij heeft het borstgedeelte van de gordel niet gezien en trekt daaruit de conclusie dat de betrokkene zijn gordel niet droeg. Ook verklaart de ambtenaar dat hij door de achterruit heeft gezien dat het schuine gedeelte van de gordel achter de betrokkene langsliep. Dit is echt onmogelijk, want de achterruit is verduisterd, wat de betrokkene met een foto heeft aangetoond. Dat de betrokkene op zijn gordel zou zitten, terwijl deze ingeklikt was, heeft de ambtenaar al helemaal niet kunnen zien. Tot slot heeft de ambtenaar als verklaring van de betrokkene genoteerd dat hij zijn gordel niet droeg, omdat hij net wegreed bij Van der Valk. Dit heeft de betrokkene echter nooit verklaard.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Betrokkene reed voor rapporteur langs en daarbij was het borstgedeelte van de gordel niet te zien. Betrokkene droeg een witte blouse. Toen rapporteur van achteren de auto in keek zag ik dat het schuine gedeelte achter betrokkene langsliep. Betrokkene zat dus op de gordel terwijl deze ingeklikt was.”
5. Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal d.d. 14 april 2020, waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:
“Op 25 november 2019 reed ik op een opvallende politie-motorfiets. Ik bevond mij op de middenberm, gelegen tussen beide rijbanen in, op de Nieuwleusenerdijk ter hoogte van Van der Valk. Om 15:01 uur zag ik dat een witte Citroën voorzien van het kenteken [kenteken] reed vanaf de parkeerplaats van Van der Valk en dat de bestuurder rechtsaf sloeg de Nieuwleusenerdijk op. Ik zag dat de bestuurder voor mij langs draaide, waardoor ik vrij en onbelemmerd zicht had door de voorruit op de bestuurder. Het viel mij op dat de bestuurder een witte blouse droeg en dat er voor hem langs geen autogordel zichtbaar was. Nadat de bestuurder voor mij langs was gereden ben ik achter deze bestuurder aan gereden en kwam ik achter de eerder genoemde Citroën te rijden. Ik zag dat de achterruit voorzien was van zgn. “privacyglas”, maar dat ik er nog wel doorheen kon kijken. Ik zag dat het schuine gedeelte van de autogordel, wat uit de B-stijl kwam achter de bestuurder langs liep.”
6. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 59, eerste lid, van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is voor zover relevant bepaald dat bestuurders van een personenauto gebruik maken van de voor hen beschikbare autogordel.
7. Gelet op hetgeen de betrokkene de gehele procedure consistent en vasthoudend heeft aangevoerd, is bij het hof gerede twijfel ontstaan of de betrokkene zijn gordel achter zijn rug droeg zoals de ambtenaar heeft verklaard. De waarnemingen van de ambtenaar kunnen namelijk ook passen bij de stelling van de betrokkene dat hij zijn gordel onder zijn oksel droeg. Ook dan is het borstgedeelte van de gordel namelijk niet (goed) zichtbaar en kan het vanaf de achterkant lijken alsof het schuine gedeelte van de gordel achter de betrokkene langs loopt. Dat de betrokkene op zijn gordel zat terwijl deze was ingeklikt, betreft geen waarneming van de ambtenaar, maar een conclusie. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene geen gordel droeg. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode R533 is verricht.
8. Wel kan worden vastgesteld dat de wijze waarop de betrokkene zijn autogordel droeg, te weten onder zijn oksel, de beschermende werking daarvan negatief kan beïnvloeden. Dit betreft een overtreding van artikel 59, zevende lid, van het RVV 1990 en levert de gedraging met feitcode R335o op. Het hof merkt hierbij nog op dat gesteld noch gebleken is dat het CBR aan de betrokkene op grond van artikel 149, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 een ontheffing heeft verleend voor het (op juiste wijze) dragen van de autogordel.
9. Het is volgens vaste rechtspraak geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien een betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen wordt geschaad. Daarvan is in dit geval sprake. De betrokkene wist waartegen hij zich moest verdedigen en de wijziging leidt niet tot een hoger sanctiebedrag. Het hof zal dan ook overgaan tot wijzing van de feitcode en de omschrijving van de gedraging. Dit brengt mee dat het hof zal beslissen zoals hierna te melden.