4.14
Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling bij het hof heeft ASR twee zogenaamde afwegingsdocumenten overgelegd, waarin het besluitvormingsproces betreffende de eerste en tweede observatieperiode is vastgelegd. Uit deze documenten volgt dat de besluiten tot (de eerste en tweede) observatieperiode niet zijn genomen door de dossierbehandelaar, maar door respectievelijk de Manager Speciale zaken en de adjunct directeur P&D van ASR. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de besluiten door deze functionarissen zijn genomen en evenmin dat zij bevoegd waren om deze besluiten te nemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde] ook aangegeven dat het verweer dat de besluiten niet door een bevoegde functionaris (in de zin van art. 4.3 GPO) zijn genomen niet wordt gehandhaafd. Het hof zal dit (niet gehandhaafde) verweer van [gedaagde] dan ook passeren. Naar het oordeel van het hof heeft ASR met de afwegingsdocumenten ook voldaan aan art. 4.2 GPO, omdat in deze documenten uitvoerig en gedocumenteerd is omschreven hoe het besluitvormingsproces is verlopen, welke stappen zijn doorlopen en welke argumenten daarbij een rol hebben gespeeld.
ASR mocht besluiten tot de eerste observatieperiode
4.15 De GPO stelt (strenge) eisen aan een persoonlijk onderzoek. Allereerst moet er een grond zijn voor een persoonlijk onderzoek. De mogelijke gronden zijn (art. 1 GPO):
- Het feitenonderzoek geeft geen of onvoldoende uitsluitsel voor het nemen van een
beslissing over een aanspraak op uitkering en/of
- Er is gerede twijfel ontstaan over de juistheid of resultaten van het feitenonderzoek,
zodanig dat bij de verzekeraar een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude is ontstaan.
Vervolgens moet het persoonlijk onderzoek voldoen aan de eisen van proportionaliteit
(uitgewerkt in art. 2 GPO) en subsidiariteit (art. 3 GPO).
Observeren is een van de onderzoeksmethoden (7.1 GPO). Het is wel de meest vergaande.
Dat betekent - gelet op het beginsel van subsidiariteit - dat het alleen kan worden toegepast
als verwacht mag worden dat met de andere methoden (interview van de betrokkene en
informatie inwinnen bij derden) het doel van het persoonlijk onderzoek niet bereikt kan
worden.
Bovendien gelden eisen voor de uitvoering van het onderzoek, onder meer over het
cameragebruik (7.3 GPO) en (de opdrachtverlening aan) het in te schakelen bureau (art.
8 GPO).
4.20
[gedaagde] heeft gelijk wanneer zij aanvoert dat observatie op zich een ingrijpende maatregel is, waarmee een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Daarbij geldt wel dat deze inbreuk in dit geval beperkt was tot drie dagen (later verlengd tot vier), dat de observatie werd uitgevoerd vanaf de openbare weg of van andere publiek toegankelijke plaatsen en dat [gedaagde] niet geobserveerd zou worden op plaatsen waarvan geacht kan worden dat zij daar onbevangen zichzelf moet kunnen zijn.
Tegenover het belang van [gedaagde] om daarvan verschoond te blijven, stond het belang van ASR. Met de afwikkeling van de schadeclaim van [gedaagde] was, naar verwachting, een fors bedrag gemoeid, gelet op de aard en de ernst van de klachten van [gedaagde] in combinatie met de leeftijd van [gedaagde] . In dit verband is van belang dat de advocaat van [gedaagde] in de hiervoor aangehaalde brief om een aanvullend voorschot van € 100.000,- had verzocht op basis van de aan die brief gehechte schadestaat en dat, zoals door ASR is gesteld en door [gedaagde] niet is weersproken, van de zijde van [gedaagde] was aangegeven dat [gedaagde] de zaak niet voor minder dan € 500.000,- wilde regelen. ASR heeft verder gesteld dat zij groot belang hecht aan waarheidsvinding, omdat daarmee niet alleen recht wordt gedaan aan het slachtoffer, maar ook aan haar verzekerden, die de premie moeten opbrengen. Dat ASR daaraan belang hecht, vindt het hof alleszins aannemelijk; van een verzekeraar mag dat verwacht worden.
Naar het oordeel van het hof wegen de belangen van ASR, mede gezien de duur en de wijze van observatie, zwaarder dan die van [gedaagde] , zodat ook aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan.
De uitvoering van de eerste observatie was niet in strijd met de GPO
4.21 ASR heeft de opdrachtbevestiging aan Secure Advance in het geding gebracht. Indien [gedaagde] heeft willen stellen dat de opdracht en de opdrachtnemer niet voldoen aan de eisen van de GPO heeft zij deze stelling in het licht van de opdrachtbevestiging onvoldoende onderbouwd. Indien zij heeft willen stellen dat Secure Advance de observatie in strijd met de opdracht heeft uitgevoerd, heeft zij ook die stelling onvoldoende onderbouwd.
ASR mocht besluiten tot de tweede observatieperiode
4.22 ASR heeft ook het besluit om [gedaagde] nogmaals gedurende een aantal dagen te laten observeren gebaseerd op de beide in artikel 1 GPO vermelde gronden. Dit besluit is gebaseerd op de al ten tijde van het besluit tot de eerste observatie bekende informatie in combinatie met nieuwe informatie. Het betrof volgens het afwegingsdocument betreffende het besluit tot de tweede observatie om de volgende nieuwe informatie:
- Tijdens de eerste observatieperiode waren de ouders van [gedaagde] niet waargenomen. In de procedure was aangegeven dat de ouders van [gedaagde] minstens driemaal per week naar [gedaagde] gingen om haar te ondersteunen. Bij gelegenheid van het kort geding op 21 juni 2021 had de vader van [gedaagde] dat nog eens bevestigd. Volgens hem gingen hij of zijn vrouw vrijwel elke dag naar hun dochter. De bevindingen van de observatie stonden dan ook op gespannen voet met deze, herhaalde, bewering.
- Op de tweede dag van de eerste observatieperiode ging [gedaagde] boodschappen doen en bezocht ze een zonnestudio. Ze was ongeveer een uur van huis. Deze vaststelling is moeilijk te verenigen met de informatie die door of namens [gedaagde] aan de deskundigen is gegeven, die erop neerkomt dat zij een keer per week 10 minuten met haar moeder gaat wandelen, niet alleen het huis uitgaat en niet in staat is alleen boodschappen te doen.
- Op de derde dag van de eerste observatieperiode, 21 juni 2021, de datum van de behandeling van het kort geding, is [gedaagde] ’s-avonds met haar auto weggegaan, eerst om boodschappen te doen, en vanaf ongeveer kwart voor tien om naar een woning in [plaats1] te rijden, waar ze om 24:00 uur nog steeds was. Ook deze vaststelling is moeilijk te verenigen met de hiervoor aangehaalde informatieverstrekking aan de deskundigen. Er blijkt bovendien uit dat [gedaagde] inderdaad zelf in staat is om de auto te besturen, wat er nog meer op wijst dat zij een rijbewijs heeft, terwijl deskundige [naam1] heeft genoteerd dat [gedaagde] geen rijbewijs heeft. Daar komt bij dat [gedaagde] zelf niet bij de behandeling van het kort geding aanwezig was en dat daarvoor als reden werd gegeven dat zij zo matig belastbaar was dat zij niet in staat was zelf te verschijnen.
- Op de vierde dag van de eerste observatieperiode, 22 juni 2022, gaat [gedaagde] tweemaal weg met de auto om een boodschap te doen en brengt ze een vuilniszak naar de container. Het hof verwijst voor de spanning tussen die vaststellingen en de door of namens [gedaagde] in de procedure verstrekte informatie naar wat hiervoor is overwogen.
- Bij bureauonderzoek was gebleken dat ook in de periode van medio juni 2020 tot medio juni 2021 veel gereden was met de auto van [gedaagde] , ruim 19.000, ongeveer 375 km per week. Omdat [gedaagde] zelf in de auto reed, lag het voor de hand dat [gedaagde] vaak gebruik maakte van de auto. Dat gegeven staat op gespannen voet met de informatie van [gedaagde] aan de deskundigen, en de bevindingen van de deskundigen, dat zij zich niet langer dan enkele minuten kan concentreren.
4.28
In de eerdere procedure bij rechtbank en hof is door en namens [gedaagde] het volgende
naar voren gebracht over haar belastbaarheid en de door haar ondernomen activiteiten:
- Tijdens de comparitie bij de rechtbank op 21-09-2015 (nb een paar maanden later haalt
ze haar rijbewijs):
‘ [gedaagde] heeft ook het advies opgevolgd om meer te gaan sporten. Gelet op haar
klachten lukte dit echter niet. Zij is niet in staat om meer dan vijf minuten inspanning te
leveren en is ook al na vijf minuten erg moe. De vermoeidheid van [gedaagde] is niet meteen na
het ongeval ontstaan. Deze heeft zich steeds meer geopenbaard. Ik kan hierbij ook wijzen op
hetgeen dr. [naam5] hierover heeft verklaard. [gedaagde] gebruikt nu Temazepam. [gedaagde] heeft veel
hulp en ondersteuning nodig’.
- In het onderdeel anamnese van zijn rapport geeft deskundige [naam3] aan dat [gedaagde]
nauwelijks meedoet aan het gesprek, na 20 minuten begint te huilen en zegt dat het allemaal
te vermoeiend voor haar is. Over haar huidige niveau van functioneren heeft ze volgens [naam3] (op 6 februari 2019) verklaard:
‘- Loopt 1/w een stukje buitenshuis, maximaal 10 minuten achtereen, daarna uitgeput. Komt
verder naar eigen zeggen de deur niet uit
- Is zelfstandig in wassen en aankleden, moeder komt meerdere malen per week bij haar
thuis voor zorgtaken, huishouden, boodschappen doen
- Wordt om 10 uur 's ochtends wakker, rust daarna uit in bed, gaat van bed naar de bank,
ontbijt alleen wanneer ze daar zin in heeft. Hangt rest van de ochtend op de bank, voert
's middags en 's avonds niets uit. Vult de dag met tv-kijken en niets doen
- Krijgt nergens meer energie van
- Werkt niet, volgt geen scholing/opleiding, sport niet’
- Bij deskundige [naam2] doet [gedaagde] nauwelijks mee aan de intake omdat ze te
vermoeid en overprikkeld is. Ze slaapt daar tijdens een rustpauze, maar kan de test niet
doen. [naam2] schrijft:
‘Vanwege het huidige toestandsbeeld, waarbij een grote passiviteit, initiatiefloosheid en a-
vitaliteit merkbaar is in combinatie met het gegeven dat actieve deelname aan het gesprek
betrokkene zeer zwaar valt en spaarzaam tot stand komt, heeft onderzoekster na
bovengenoemde rustpauze weliswaar geprobeerd het testonderzoek af te nemen, maar al na
één taak (TOMM: in het voorbeeld werden er al foute antwoorden gegeven; duur: hooguit 5
minuten) werd duidelijk dat betrokkene niet testbaar is. Betrokkene huilt na de twee
voorbeelditems, voelt zich niet goed, geeft aan erg veel last te hebben van de prikkels in de
omgeving (vogelgeluiden) en erg vermoeid te zijn. Zij geeft aan te moeten liggen en
rusten. Kortom, vanwege deze zeer marginale en lage belastbaarheid heeft onderzoekster besloten het testonderzoek niet te continueren’
- In de paragrafen anamnese en sociale anamnese van zijn rapport (onderzoeksdatum
14 augustus 2018) schrijft deskundige [naam1] :
‘Betrokkene komt overdag feitelijk tot weinig activiteiten, ze gaat af en toe met moeder korte
stukjes wandelen, pogingen om te gaan fitnessen zijn niet gelukt omdat betrokkene te
uitgeput is.
Ze gaat af en toe theedrinken, kan niet in drukte verkeren en haar sociale leven is volgens
haar vader tot nul gereduceerd. Uit zichzelf ontplooit betrokkene nauwelijks tot geen
activiteiten.(…)
Daarbij heeft betrokkene sinds eind 2017/begin 2018 WMO ondersteuning (20 uur per
week), hulp en begeleiding, daarnaast is haar moeder 3-4 dagen in de week bij betrokkene,
doet het huishouden, kookt en doet de boodschappen. Betrokkene komt thuis niet tot
huishoudelijke activiteiten.
Ze is wel zelfstandig in de zelfverzorging. Betrokkene is rechtshandig.
Ze heeft geen rijbewijs.
Betrokkene werkt niet op de computer, ze heeft een mobiele telefoon maar gebruikt deze
nauwelijks en vader benadrukt dat het sociale leven van betrokkene al langere tijd tot nul
gereduceerd is.’
- Deskundige [naam4] heeft [gedaagde] op 12 december 2019 bij hem op de praktijk gezien en op 16 januari 2020 bij haar ouders thuis. Over de onderzoeken schrijft hij:
‘In beginsel zie ik cliënten voor een expertise eerst alleen. Dit om eventuele beïnvloeding
door anderen te voorkomen. Zo ook in dit geval. Na ongeveer 20 minuten gaf ze aan dat het
haar teveel werd, dat ze te overprikkeld raakte en vroeg ze om een pauze. Ze is toen naar de
wachtkamer gegaan waar haar vader wachtte. Vader vroeg of de achtergrondmuziek die
aanstond in de wachtkamer uit kon omdat ze daar last van had. Na korte tijd heb ik haar
weer in de spreekkamer gevraagd waarbij ze al direct vroeg of vader niet mee kon komen. Ik
heb dat in eerste instantie geweigerd en na vijf minuten gaf ze aan dat mijn vragen bij haar
niet meer goed binnenkwamen en ze vroeg wederom of haar vader erbij kon komen. Ik heb
dat toen toegestaan en heb nog kort met vader gesproken.
Ik heb toen besloten om een tweede afspraak te maken bij haar thuis. Haar ouders en zij
wilden het liefst dat dit bij haar ouders plaats zou kunnen vinden. Ik ben hiermee akkoord
gegaan en heb haar toen voor de tweede maal onderzocht op 16-01-2020 in [plaats2] . (…)
Ik sprak haar nu thuis bij haar ouders aan de eettafel in de woonkamer. Haar ouders hebben
zich teruggetrokken op een kamer elders in huis.
Ook nu maakt betrokkene een wat afwezige indruk en houdt het niet langer dan 40 minuten
vol.
- Tijdens het gesprek op 12 december 2018 vertelt [gedaagde] aan [naam4] dat ze veel last heeft
van vermoeidheid. Als ze 10 minuten wandelt met haar moeder, is ze de rest van de dag
uitgeput. Ze is vergeetachtig. Haar moeder doet het meeste, zoals boodschappen, het
huishouden en dergelijke. Op 16 januari 2021 vertelt ze dat ze geen film kan uitkijken, en
maar 10 minuten TV kan kijken. Verder vertelt ze, volgens [naam4] :
‘Ze woont in een studio in [woonplaats1] , de meeste dagen is ze daar ook. Ze gaat niet iedere week
naar haar ouders omdat ze het nogal druk vindt omdat haar broers en zus daar meestal ook
zijn. Haar moeder komt drie à vier keer per week bij haar in [woonplaats1] , soms blijft ze dan ook
slapen. Moeder doet verder bijna alles in de huishouding. Soms dwingt moeder haar om mee
te helpen, en soms neemt ze haar mee om boodschappen te doen. Betrokkene doet nooit
alleen boodschappen. Moeder neemt haar ook wel eens mee om te gaan wandelen maar na
tien minuten moet ze dan altijd wel even rusten. Ze gaat nooit alleen naar buiten. Als moeder
er niet is, is ze meestal vroeg wakker maar staat rond 9.00 uur op. Om de dag doucht ze. Ze
ontbijt als ze trek heeft. Soms gaat ze op bed liggen en als ze erg moe is valt ze in slaap. Als
moeder er is dan kletsen ze.
Betrokkene geeft dan aan dat ze moe is en even moet rusten. Ik vraag toch nog wat verder
door.
Ze zit niet op facebook en doet verder niet veel op de computer. Moeder kookt voor haar. Als
moeder er niet is is ze de hele dag alleen. Als ze in [plaats2] is en er is familie dan is ze veel
op haar kamer.’
Haar ouders vertellen dan, volgens het rapport van [naam4] , dat moeder haar probeert
mee te laten helpen als zij (moeder) bij haar thuis is, maar ze haakt snel af. Wandelen kan
[gedaagde] maar 10 minuten.
4.30
Uit het verrichte onderzoek zijn feiten en omstandigheden gebleken die niet passen
in het hiervoor vermelde beeld dat in de vorige procedure bij het hof door
of namens [gedaagde] is geschetst over haar belastbaarheid en de door haar ondernomen
activiteiten (beter: het gebrek daaraan).
Allereerst heeft [gedaagde] , in strijd met wat deskundige [naam1] daarover heeft opgemerkt, toch
haar rijbewijs behaald. Dat is voor iemand die extreem vermoeid is en zich (daardoor)
nauwelijks kan concentreren een bijna onmogelijke prestatie. Het deelnemen aan het verkeer
vergt een buitengewone concentratie. Dat geldt zeker voor iemand die als onervaren en
beginnend automobilist, zonder de vaardigheden een auto te besturen, deelneemt aan het
verkeer.
Bovendien wordt vrij intensief gebruik gemaakt van de auto die op naam van [gedaagde] staat.
Met die auto wordt gedurende enkele jaren gemiddeld minimaal 300 kilometer per week
gereden. Een dergelijk intensief gebruik van een auto - toch al snel 3 tot 6 uur per week -
door iemand die extreem vermoeid is en zich slecht kan concentreren, ligt niet voor de hand.
Vervolgens blijkt uit de verslagen van de observaties en de video-opnames die daarvan zijn
gemaakt (die ook door het hof gezien zijn) en waarvan de authenticiteit en volledigheid niet
(gemotiveerd) door [gedaagde] worden bestreden, dat:
- [gedaagde] de meeste dagen zelf, dus zonder haar moeder, boodschappen gaat doen en gaat
wandelen, enkele malen 45 minuten lang. In de eerdere procedure is juist aangegeven dat
[gedaagde] niet zelf boodschappen kan doen en eenmaal per week tien minuten wandelt met haar
moeder.
- [gedaagde] tweemaal ’s avonds, tot in de nacht, op bezoek gaat of een horecagelegenheid
bezoekt, eenmaal op een afstand van 90 kilometer van haar woonplaats. Dit
gegeven is in strijd met wat door of namens [gedaagde] is gesteld over het ontbreken van een
sociaal leven en over haar extreme vermoeidheid en beperkte concentratievermogen. [gedaagde]
is ondanks deze vergaande beperkingen klaarblijkelijk wel in staat om lange avonden door
te brengen met vrienden of bekenden, in een geval zelfs in combinatie met een heen- en een
terugreis van een uur, waarbij zij zelf autorijdt;
- [gedaagde] maakt verschillende keren, soms meerdere malen per dag, gebruik van haar auto, onder meer om boodschappen te doen, te winkelen, een schoonheidssalon of fitnessbedrijf te bezoeken. Het is het hof bij de bestudering van de beelden opgevallen dat [gedaagde] geen enkele moeite lijkt te hebben om soepel deel te nemen aan het, vaak drukke, verkeer. Ook deze activiteiten stroken niet met het door of namens [gedaagde] opgeworpen beeld van een jonge vrouw die, noodgedwongen, hele dagen haar huis niet uitkomt en tot nagenoeg geen enkele activiteit buitenshuis in staat is.
- Opvallend is dat [gedaagde] op de beelden vaak met een telefoon in de hand en oortjes in te zien is. Dat staat op gespannen voet met de gestelde forse concentratieproblemen van [gedaagde] . Kennelijk kan [gedaagde] toch uit de voeten in situaties waarin zij zich blootstelt aan een combinatie van externe prikkels (vanwege het verblijf buitenshuis) en de prikkels die inherent zijn aan het gebruik van een telefoon.
- De moeder van [gedaagde] heeft haar tijdens de beide observatieperiodes maar eenmaal bezocht. Dat gegeven staat op gespannen voet met wat door en namens [gedaagde] naar voren is gebracht over de zeer intensieve begeleiding van [gedaagde] door haar moeder, die drie dagen per week bij [gedaagde] zou verblijven en vrijwel het hele huishouden van [gedaagde] zou doen.
Ten slotte staat vast dat [gedaagde] begin augustus 2021 enkele dagen met vriendinnen naar Ibiza is geweest. Ook indien [gedaagde] , zoals zij stelt, daar niet heeft ‘gefeest’ en niet mee kon doen met alle activiteiten van haar vriendinnen of eerder moest afhaken, staat het feit dat [gedaagde] met vriendinnen naar Ibiza is geweest, een eiland waar je niet voor de rust naar toegaat, en zich daartoe kennelijk in staat achtte, op gespannen voet met wat door of namens haar in de eerdere procedure is aangevoerd over het ontbreken van sociale contacten van [gedaagde] en over haar extreme vermoeidheid, waardoor zij aan haar huis gebonden is en nauwelijks activiteiten kan ondernemen.