2.
In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat die feiten tussen partijen vast staan. Het hof zal van die feiten uitgaan. Samengevat gaat het om het volgende.
2 .1.
Het ziekenhuis Bronovo heeft een groot aantal medisch-specialistische afdelingen
waaronder oogheelkunde (hierna: de polikliniek oogheelkunde). Oogheelkundige zorg
wordt verleend op twee locaties, te weten in Den Haag (in het ziekenhuis zelf, hierna:
locatie Den Haag) en in het gezondheidscentrum Wassenaar (de nevenlocatie, hierna:
locatie Wassenaar).
2.2.
[geïntimeerde], geboren in 1953, is sedert 1991 als vrijgevestigd specialist werkzaam geweest in de polikliniek oogheelkunde op de locatie Den Haag, aanvankelijk voor anderhalve dag, later voor twee dagen in de week. Naast [geïntimeerde] was er sedert 1997 in de vakgroep oogheelkunde op de locatie Den Haag een tweede “vrijgevestigde” oogarts werkzaam, te weten de oogarts [A] (hierna: [A]). [A] was daar voltijds werkzaam.
2.3.
In de loop van de tijd zijn er in de samenwerking tussen [geïntimeerde] en [A] dermate serieuze problemen ontstaan, dat de Raad van Bestuur van Bronovo (hierna: de RvB) aanleiding zag het bureau Intermezzo Management in te schakelen om te rapporteren over de verhoudingen binnen de vakgroep oogheelkunde.
2.4
Naar aanleiding van de rapportage van genoemd bureau heeft de RvB besloten beide oogartsen “uit elkaar te halen”. [A] bleef op de locatie Den Haag werkzaam en [geïntimeerde] is door de RvB opgedragen haar werkzaamheden met ingang van 1 september 2008 te verrichten op de locatie Wassenaar, aanvankelijk voor de duur van drie maanden, later tot 1 juli 2009, de datum waarop een door de RvB voorgenomen reorganisatie zou zijn afgerond.
2.5
[geïntimeerde] heeft aan de opdracht om (voor enige tijd) op de locatie Wassenaar te gaan werken geen gehoor willen geven, waarna aan [geïntimeerde] per 1 september 2008 de toegang tot de locatie Den Haag is ontzegd.
2.6
In het kader van de voorgenomen reorganisatie heeft de RvB [B] (hierna: [B]), verbonden aan het LUMC, de opdracht gegeven een plan van aanpak voor de vakgroep oogheelkunde te ontwerpen. In februari 2009 heeft [B] een conceptplan uitgebracht dat onder meer voorzag in roulatie van de oogartsen over de twee hiervoor aangeduide locaties.
2.7
[geïntimeerde] heeft Bronovo in oktober 2008 in kort geding gedagvaard en (onder meer) onmiddellijke toelating gevorderd tot de locatie Den Haag. Na aanhouding in verband met een (niet geslaagde) mediation heeft de voorzieningenrechter de vordering van
[geïntimeerde] bij vonnis van 29 april 2009 afgewezen. Reden om de vordering van
[geïntimeerde] af te wijzen was dat Bronovo (ter zitting) had toegezegd dat het beleidsplan (zoals hiervoor onder 2.6 bedoeld) uiterlijk 1 juli 2009 zou worden geïmplementeerd. De voorzieningenrechter wilde de op korte termijn te verwachten implementatie van het beleidsplan niet doorkruisen met het toewijzen van een vordering tot toelating.
2.8
Bronovo heeft de termijn van 1 juli 2009 als uiterlijke datum voor implementatie van het beleidsplan, niet gehaald, waarna [geïntimeerde] aan Bronovo een nieuw kort geding heeft aangekondigd. Partijen hebben vervolgens gesproken over voorwaarden waaronder [geïntimeerde] haar werkzaamheden op de locatie Den Haag zou kunnen hervatten, maar tot overeenstemming is het niet gekomen. [geïntimeerde] heeft vervolgens een tweede kort geding tegen Bronovo aangespannen en wederom op verbeurte van dwangsommen, gevorderd toegelaten te worden tot het uitoefenen van haar praktijk op de locatie Den Haag met hervatting van de bevoorschotting ad € 9.000,-- over de maanden december 2008 tot en met augustus 2009 en vanaf 1 september 2009. Bij vonnis van 16 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter die vordering toegewezen, waarna [geïntimeerde] haar werkzaamheden per 18 november 2009 (op de locatie Den Haag) heeft hervat.
2.9
Bij brief van 29 juni 2010 heeft Bronovo de toelatingsovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd tegen 1 november 2010. [geïntimeerde] is thans niet meer werkzaam als (vrijgevestigd) oogarts bij Bronovo.
3.
Bronovo kan zich met de beslissing van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2009 niet verenigen. In hoger beroep vordert zij dan ook vernietiging van het vonnis van 16 oktober 2009, in ieder geval van die gedeelten van het dictum die de dwangsom en de voorschotbetalingen betreffen. De acht grieven die Bronovo in dat kader geformeerd heeft, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.
Anders dan door Bronovo toegezegd, is de reorganisatie binnen de vakgroep oogheelkunde niet afgerond op 1 juli 2009, de implementatie van het beleidsplan per die datum heeft niet plaats kunnen vinden. Implementatie is niet afgeblazen, maar vertraagd, hetgeen mede te wijten was aan het feit dat [geïntimeerde] zich niet volmondig wilde committeren aan het beleidsplan van [B] (inmiddels formeel aangesteld tot voorzitter van de vakgroep oogheelkunde) en de nadere uitwerking door [B] van dat plan. Bronovo had namelijk als voorwaarde voor wedertoelating onder meer gesteld dat [geïntimeerde] zich met een en ander (plan en uitwerking) schriftelijk accoord zou verklaren en de regie van [B] binnen de vakgroep zou accepteren. Tot een dergelijke accoordverklaring is het niet gekomen. Reden daarvoor was onder meer dat [geïntimeerde] niet wilde instemmen met het voorstel van [B] dat zij haar werkzaamheden zou hervatten door in aanvang één dag per week te werken op de locatie Wassenaar en één dag op de locatie Den Haag. Nader overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.
6.
Het kort geding dat [geïntimeerde] vervolgens tegen Bronovo heeft aangespannen heeft geleid tot het bestreden vonnis van 16 oktober 2009, waarbij Bronovo is veroordeeld
[geïntimeerde] toe te laten tot haar werkzaamheden op de locatie Den Haag. Naar het voorlopig oordeel van het hof is die veroordeling prematuur geweest. Van een patstelling was geen sprake. Waar [B] nog doende was orde op zaken te stellen en geenszins van plan was [geïntimeerde] te “verbannen” naar de locatie Wassenaar (althans een onevenredig deel van de werkzaamheden daar, ten laste van [geïntimeerde] te brengen), is het toewijzen van de vordering tot toelating een te forse inbreuk op het werk van [B] en de precaire verhoudingen in de vakgroep oogheelkunde. Een dergelijke beslissing had op dat moment achterwege moeten blijven. Pas nadat het werk van [B] was afgerond en duidelijk was wat de positie van [geïntimeerde] binnen de vakgroep oogheelkunde zou zijn, zou (mogelijk) een vordering tot toelating goede grond kunnen hebben. Van [geïntimeerde] mocht als lid van de vakgroep tot die tijd verwacht worden dat zij zich, haar werkzaamheden na ongeveer een jaar weer aanvangende, vooralsnog zou schikken naar de regie van vakgroepvoorzitter [B].
7.
Dat toewijzing van de toelatingsvordering ongelukkig was (en daarom achterwege had moeten blijven), moge ook blijken uit hetgeen daarna is gebeurd: de verhoudingen tussen partijen zijn snel verder verslechterd, hetgeen uiteindelijk geresulteerd heeft in de opzegging door Bronovo van de toelatingsovereenkomst. Het hof mag met deze omstandigheden, naar voren gekomen na het vonnis van 16 oktober 2009, rekening houden. Bij de beoordeling van het hoger beroep mogen nieuw naar voren gekomen feiten worden meegewogen.
9.
Anders ligt het met de veroordeling van Bronovo tot hervatting van de bevoorschotting per 1 juli 2009. Waar Bronovo had toegezegd de implementatie van het beleidsplan uiterlijk op
1 juli 2009 afgerond te hebben, mag Bronovo, wat de financiële kant ervan, aan die toezegging gehouden worden. Op dit vlak spelen niet de beleidsmatige en personele kwesties als hiervoor onder 5 en 6 geschilderd. De toezegging houdt in dat bij implementatie van het beleidsplan per 1 juli 2009, [geïntimeerde] in staat gesteld zou worden zelf inkomsten te genereren en aanspraak te maken op bevoorschotting. Dat de implementatie uiteindelijk niet op het toegezegd tijdstip tot stand gekomen is, dient wat het geldelijke aspect van het geheel betreft, voor rekening en risico van Bronovo te komen. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan [geïntimeerde] dan ook (bij wijze van bevoorschotting) aanspraak maken op betaling van € 9.000,-- per maand vanaf 1 juli 2009 (deels vermeerderd met wettelijke rente) zolang de toelatingsovereenkomst tussen partijen voort duurt. Het hof onderschrijft hier hetgeen de voorzieningenrechter in het vierde en vijfde deel van het dictum van het vonnis van
16 oktober 2009 heeft beslist. Het hof kan van die beslissing uitgaan, nu [geïntimeerde] tegen die beslissing niet incidenteel heeft gegriefd. Op het vonnis van 16 oktober 2009 gedane betalingen, strekken uiteraard in mindering.
10.
Waar het hof deels tot een ander oordeel komt ten aanzien van de door [geïntimeerde] ingestelde vordering in kort geding dan de kantonrechter in zijn vonnis van 16 oktober 2009, zal het hof dat vonnis vernietigen. Beslist wordt als na te melden.
Nu partijen over en weer in het (on)gelijk gesteld worden, ziet het hof aanleiding de kosten van zowel de eerste aanleg als die van het hoger beroep te compenseren.
11.
Voor zover er grieven zijn opgeworpen die in het voorgaande niet aan de orde geweest zijn, zullen die grieven niet alsnog worden besproken nu, wat er van die grieven ook zij, deze niet tot een andere uitkomst van de procedure kunnen leiden.