[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Rotterdam, de Inspecteur,
inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 november 2014, nummer SGR 14/4821 betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.
Aanslag, beschikking en bezwaar en geding in eerste aanleg
1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 juli 2013 een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging in het jaar 2011 van (€ 217.214 minus vrijstelling van € 19.114) is € 198.100 (hierna: de aanslag). Voorts is gelijktijdig met de aanslag een beschikking heffingsrente gegeven.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een naar een belaste verkrijging van € 187.214 (minus vrijstelling van € 19.114) is € 168.100 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Vaststaande feiten
3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:
3.1.
Bij onderhandse aktes heeft de moeder van belanghebbende (erflaatster) in de jaren 2008, 2009 en 2010 schenkingen gedaan aan belanghebbende en haar andere kinderen, welke schenkingen door erflaatster schuldig zijn gebleven.
3.2.
In de onderhandse aktes zijn telkens onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
“(…) 2. De schenking zal door de schenker vooralsnog schuldig worden gebleven. Hierover is een rente verschuldigd van [percentage] per jaar. De rente wordt jaarlijks achteraf betaald, uiterlijk op 31 december van ieder jaar, voor de eerst maal op 31 december [jaartal], en zo vervolgens van jaar tot jaar.
3. De begiftigde heeft het recht het schuldig gebleven bedrag direct op te eisen
4. (…)
5. De schenker behoudt zich het recht voor de schenking te allen tijde te herroepen zonder enige opgaaf van reden.
(…)”
3.3.
Op de overlijdensdatum van erflaatster, [in] 2011, was op de schuldig gebleven bedragen niets afgelost.
3.4.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoren onder meer een boerderij en percelen cultuurgrond. In de aangifte erfbelasting zijn de door erflaatster aan de kinderen schuldig gebleven bedragen opgenomen als schulden van erflaatster en in mindering gebracht op de nalatenschap. In de aangifte is bij ‘waarde van de schulden’ vermeld:
“Schenking op papier met minimaal 6% rente
Naam persoon aan wie geschonken is
bedrag
[A] € 59.100
[B] € 59.100
[C] € 59.100
[D] € 59.100
[X] € 59.100
[E] € 59.100”
3.5.
De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de hiervoor vermelde bedragen niet als schuld in aanmerking genomen, omdat volgens hem de schenkingen de strekking hebben dat zij pas na het overlijden van erflaatster zouden worden uitgevoerd. De voor belanghebbende in de aangifte opgenomen verkrijging van € 128.114 is door de Inspecteur bij de aanslag verhoogd tot een verkrijging van € 217.214. Bij uitspraak op bezwaar is dit bedrag als gevolg van een schenking in 2011 verlaagd tot € 187.214.
Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen
4.1.
In geschil is of de schenkingen door erflaatster in 2008, 2009 en 2010 aan belanghebbende die door haar zijn schuldig gebleven, in mindering komen op de belaste verkrijging ten gevolge van het overlijden van erflaatster in 2011. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.
4.2.
Voor hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunt hebben aangevoerd verwijst het Hof naar de gedingstukken.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:
“6. Op grond van artikel 7:177, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) vervalt een schenking met het overlijden van de schenker voor zover die schenking de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt.
7. Nu eiseres het bedrag van de nalatenschap wenst te verminderen met de schuldig gebleven bedragen, rust op haar de bewijslast om, tegenover het gemotiveerde standpunt van verweerder, aannemelijk te maken dat de schenkingen niet de strekking hadden om pas na het overlijden van erflaatster te worden uitgevoerd. Eiseres stelt daartoe dat erflaatster de bedoeling had om de boerderij en de cultuurgrond te verkopen en daarmee de schuldig gebleven bedragen bij leven af te lossen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat een aantal van de kinderen plannen had om de grond van erflaatster over te nemen en te ontwikkelen. Door de economische crisis, het gebrek aan concrete plannen bij de kinderen en het plotselinge overlijden van erflaatster, heeft de verkoop bij leven van erflaatster niet meer kunnen plaatsvinden. Voorts wijst eiseres er op dat de kinderen het recht hadden om de schuldig gebleven bedragen direct op te eisen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarmee niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. In de onder 2 genoemde aktes kan hiervoor geen steun worden gevonden, omdat daaruit niet de bedoeling blijkt om de boerderij en cultuurgrond te verkopen en met de verkoopopbrengst daarvan de schuldig gebleven bedragen af te lossen. Gezien de directe opeisbaarheid van de vorderingen en het door eiseres ter zitting bevestigde feit dat erflaatster niet over liquide middelen beschikte en dus in feite geen mogelijkheden had om de schulden te voldoen, zou het in de rede hebben gelegen daarover in de akte iets op te nemen. Verder heeft eiseres geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat erflaatster na de eerste schenkingen in 2008 daadwerkelijk gepoogd heeft om de boerderij en de cultuurgrond te verkopen, hetzij aan derden hetzij aan een of meer van de kinderen. De enkele stelling van eiseres dat een perceel grond bij de woning van erflaatster te koop heeft gestaan, is onvoldoende. Evenmin kan uit het feit dat erflaatster in 2011 een deel van de cultuurgrond heeft verkocht, worden afgeleid dat het de bedoeling was om de schuldig gebleven bedragen bij leven af te lossen. De opbrengst van deze verkoop heeft erflaatster immers niet daarvoor aangewend, maar heeft zij gebruikt voor de aflossing van consumptieve schulden, de betaling van rente over de schuldigerkenningen en om haar banksaldi aan te vullen. Tot slot heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat in de schenkingsaktes is opgenomen dat erflaatster de mogelijkheid had om de schenkingen te allen tijde te herroepen zonder enige opgaaf van reden.
9. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de berekening van de heffingsrente. Niet gebleken is dat de heffingsrente ten onrechte of tot een te hoog bedrag is berekend.
10. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”
Beoordeling van het hoger beroep
7.1.
Evenals bij de rechtbank dient het Hof in hoger beroep de vraag te beantwoorden of de schenkingen, gedaan door erflaatster in 2008, 2009 en 2010 de strekking hadden dat zij pas na het overlijden van erflaatster zullen worden uitgevoerd. De last om te bewijzen dat de schenkingen deze strekking niet hadden, ligt op belanghebbende.
7.2.
Artikel 7:177, eerste lid, BW bepaalt dat een schenking vervalt met het overlijden van de schenker voor zover die de strekking heeft eerst na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd en niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat tot de tekst van artikel 7:177 BW heeft geleid, is daaromtrent het volgende opgemerkt:
“De vaststelling of er in een concreet geval sprake is van een schenking met de bedoelde strekking, dient te geschieden door uitlegging van de schenkingsovereenkomst. Voor de uitleg van schenkingsovereenkomsten gelden dezelfde maatstaven als voor de uitleg van andere overeenkomsten. Ook hier geldt op grond van de zogenoemde Haviltex-formule (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635) dat een zuiver taalkundige uitleg niet volstaat, doch dat het tevens aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten” (Kamerstukken II 2000-2001, 17 213, nr. 6, p. 4). Bedoelde strekking is gegeven indien de uitvoering is voorzien op een tijdstip na het overlijden van de schenker. Het enkele feit dat een schenking op het tijdstip van overlijden van de schenker nog niet is uitgevoerd, “levert in elk geval onvoldoende grond op om aan te nemen dat het gaat om een schenking met de strekking dat zij pas na het overlijden van de schenker wordt uitgevoerd” (Kamerstukken II 2000-2001, 17 213, nr. 6, p. 4).
7.3.
Belanghebbende stelt dat de bedoeling van partijen was dat de boerderij en cultuurgrond zouden worden verkocht en dat erflaatster met de verkregen opbrengst haar schuld, ontstaan door de schuldig gebleven schenkingen, aan de kinderen zou aflossen. Door de economische crisis bleek het echter niet mogelijk onroerend goed te verkopen ondanks het feit dat er gegadigden waren, waaronder de BAM, en prijsadviezen zijn gegeven. Partijen hebben, aldus belanghebbende, voorbereidingen getroffen en geprobeerd tot verkoop van onroerend goed over te gaan maar dit is niet gelukt voordat erflaatster ziek werd. De Inspecteur heeft hiertegen aangevoerd dat erflaatster een perceel grond heeft verkocht en dat zij daarmee wel haar consumptieve schulden heeft afgelost.
7.4.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in de last te bewijzen dat de schenkingen niet de strekking hadden dat zij na het overlijden van erflaatster zouden worden uitgevoerd. Een notariële akte ontbreekt. In de onderhandse aktes van schenking is geen bepaling opgenomen over het tijdstip van opeisbaarheid van de schuldig gebleven schenkingen. Belanghebbende heeft evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het schuldig gebleven bedrag op enig moment tijdens het leven van erflaatster op te eisen, zoals bedoeld in punt 3. van de onderhandse aktes van schenking (zie 3.2). Ook uit het handelen van erflaatster kan niet worden afgeleid dat zij tijdens haar leven uitvoering heeft willen geven aan de schenkingen. Erflaatster heeft, zo volgt uit het beroepschrift, in 2011 grond verkocht. Met de opbrengst hiervan heeft zij andere schulden afgelost, waaronder consumptieve schulden aan haar kinderen ter grootte van € 57.000, en zij heeft de rente betaald over de schuldigerkenningen. Het resterende saldo heeft zij gebruikt om haar banksaldi aan te vullen zodat zij in haar levensbehoefte kon blijven voorzien en de renteverplichtingen jegens haar kinderen kon nakomen. Het enkele voornemen om de boerderij en (overige) grond te verkopen is, nu hieraan feitelijk geen uitvoering is gegeven, onvoldoende om aan te nemen dat de schenkingen de strekking hadden om tijdens het leven van erflaatster te worden uitgevoerd.
7.5.
Uit het voorgaande volgt dat de Inspecteur het bedrag van de schuldig gebleven schenkingen van in totaal € 59.100 terecht niet in mindering heeft gebracht op de belaste verkrijging. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.P.M. van Rijn, mr. W.M.G. Visser, mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op
2 september 2016 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is bij afwezigheid van mr. Van Rijn ondertekend door mr. Visser.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan
binnen zes weken
na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- - de naam en het adres van de indiener;
- - de dagtekening;
- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- - de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.