Rolnummer: 22-003761-19
Parketnummers: 09-827234-18, 09-766056-18 en 09-837270-18
Datum uitspraak: 11 mei 2021
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 1986,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie te Rotterdam.
Het hof zal in dit arrest de volgende onderwerpen behandelen:
-
Onderzoek van de zaak blz. 3
-
Procesgang blz. 3
-
Tenlastelegging blz. 3
-
Vordering van de advocaat-generaal blz. 5
-
Het vonnis waarvan beroep blz. 5
-
Vrijspraak blz. 5
-
Bewezenverklaring blz. 6
-
(Bewijs)overwegingen blz. 8
8.1 Inleiding
8.1.1. De aanloop
8.1.2. Het ontslag en de delicten
8.1.3. De verklaringen van de verdachte
8.1.4. Standpunten partijen ten aanzien van de
feiten
8.2 Voorbedachte raad
8.2.1. Juridisch kader
8.2.2. Gevoerd verweer
8.2.3. Overwegingen hof
8.2.4. Vaststelling feiten en omstandigheden ten
aanzien van de voorbedachte raad
8.2.5. Rol stoornis
8.2.6. Andere contra-indicaties?
8.2.7. Oordeel hof
9. Bewijsvoering blz. 16
10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde blz. 17
11. Strafbaarheid van de verdachte blz. 17
11.1 Toerekenen
11.1.1 Inleiding
11.2 De toerekening in concreto
11.2.1. De verklaringen van de verdachte
11.2.2. Gedragskundig onderzoek
11.2.3. Standpunten partijen
11.2.4. Oordeel hof
12. Motivering van de maatregel blz. 23
13. Vorderingen tot schadevergoeding blz. 26
13.1 Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]
13.1.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [slachtoffer 1]
13.2 Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1]
13.2.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [benadeelde 1]
13.3 Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 2]
13.3.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [slachtoffer 2]
13.4 Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 2]
13.5 Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 3]
13.5.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [slachtoffer 3]
13.6 Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 3]
13.6.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [benadeelde 3]
13.7 Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 4]
13.7.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [slachtoffer 4]
13.8 Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 5]
13.8.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [slachtoffer 5]
13.9 Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 6]
13.9.1. Betaling aan de Staat ten behoeve van het
slachtoffer [slachtoffer 6]
14. Wettelijke rente ten aanzien van de vorderingen
benadeelde partijen blz. 52
15. Proceskosten ten aanzien van de vorderingen van de
benadeelde partijen blz. 52
16. Beslag blz. 53
17. Toepasselijke wettelijke voorschriften blz. 53
18. Beslissing blz. 54
In het hiernavolgende zullen de slachtoffers, benadeelde partijen en/of aangevers steeds met hun initialen worden aangeduid.
De twee advocaten-generaal en de twee raadslieden die in deze zaak in hoger beroep ter terechtzitting hebben opgetreden zullen steeds aangeduid worden als “de advocaat-generaal” respectievelijk “de verdediging”.
3 Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 09-827234-18:
1.
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1], al dan niet met een terroristisch oogmerk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen in de nek en/of in het hoofd en/of in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 2], al dan niet met een terroristisch oogmerk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen in het hoofd en/of nek/hals en of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 3], al dan niet met een terroristisch oogmerk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de keel en/of hals heeft gesneden, althans in het lichaam van [slachtoffer 3] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer 4] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door met een (bebloed) mes achter die [slachtoffer 4] aan te lopen en/of een (bebloed) mes dreigend aan die [slachtoffer 4] te tonen;
Zaak met parketnummer 09-837270-18:
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer 6] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door, nadat verdachte een ander persoon had neergestoken, met een mes in zijn hand achter die [slachtoffer 6] aan te lopen en/of strak in het gezicht aan te kijken;
Zaak met parketnummer 09-766056-18:
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer 5] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door, nadat verdachte een andere persoon die zich naast die [slachtoffer 5] bevond had neergestoken, (vervolgens) met een (bebloed) mes achter die [slachtoffer 5] aan te lopen.
7 Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 09-837270-18 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 09-827234-18:
1.
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1], al dan niet met een terroristisch oogmerk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen in de nek en/of in het hoofd en/of in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 2], al dan niet met een terroristisch oogmerk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen in het hoofd en/of de nek/hals en of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 3], al dan niet met een terroristisch oogmerk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de keel en/of de hals heeft gesneden, althans in het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer 4] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door met een (bebloed) mes achter die [slachtoffer 4] aan te lopen en/of een (bebloed) mes dreigend aan die [slachtoffer 4] te tonen;
Zaak met parketnummer 09-837270-18:
hij op of omstreeks 05 mei 2018 te 's-Gravenhage [slachtoffer 6] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door, nadat verdachte een ander persoon had neergestoken, met een mes in zijn hand achter op die [slachtoffer 6] aan af te lopen en/of hem strak in het gezicht aan te kijken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
12 Motivering van de maatregel
Nu het hof de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar acht, is er geen plaats voor de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. Dat de verdachte afschuwelijke strafbare feiten heeft gepleegd staat vast, maar hij is nu eenmaal geen strafbare dader.
De gedragsdeskundigen hebben in hoger beroep wederom geadviseerd de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Zij schrijven in hun rapport onder meer:
“het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt bij betrokkene voor het grootste deel bepaald door de paranoïde psychotische pathologie. De psychotische symptomatologie [is] weliswaar deels verbleekt, maar van de wanen neemt hij, ondanks de medicatie, nog altijd onvoldoende afstand. Inmiddels is duidelijk dat er kan worden gesproken van een chronisch psychiatrische stoornis in de vorm van schizofrenie. Wanneer betrokkene onvoldoende behandeld wordt, is het risico dat hij opnieuw psychotisch decompenseert en zodoende de psychotische symptomen naar de oppervlakte komen groot. Dit bleek ook wel toen enkele weken geen depotmedicatie werd verstrekt. Er werd toen direct een gedragsverandering bij betrokkene waargenomen, zowel op de afdeling als door zijn broer. Het risico op onvoorspelbaar, impulsief en agressief gedrag, waaronder vergelijkbaar delictgedrag, is bij tekortschietende behandeling in hoge mate aanwezig. Positief gegeven blijft weliswaar dat zijn ziektebesef is toegenomen en hij bereid is tot het in blijven nemen van de noodzakelijke medicatie. Echter, zijn ziekte-inzicht is nog niet toegenomen, hetgeen tegelijkertijd ook niet opmerkelijk is, daar er van een adequate behandeling (los van de medicatie) op de TA geen sprake is.
(…) Onderzoekers adviseren om betrokkene een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Voor de behandeling in een minder gedwongen kader, zoals een tbs met voorwaarden, ontbreekt het betrokkene aan inzicht in zijn eigen problematiek. Op basis van het aanvullend onderzoek zijn er geen argumenten bij gekomen die onderzoekers tot een ander inzicht brengen. Het feit dat duidelijk is geworden dat er sprake is van schizofrenie, een chronisch psychiatrische stoornis, is prognostisch ongunstig.”13
Naar het oordeel van het hof past vanwege de ernst van de strafbare feiten, het gevaar op (soortgelijk) agressief gedrag in de toekomst alsmede de complexe psychische problematiek bij de verdachte alleen de geadviseerde tbs-maatregel met dwangverpleging, en zal dit advies overnemen.
De verdediging heeft aangevoerd dat een tbs-maatregel intrekking van de verblijfsvergunning en een inreisverbod zal betekenen, terwijl de verdachte staatloos is. Hij zal dan niet in aanmerking komen voor verlof en resocialisatie, waardoor hij de behandeling niet kan afronden en in een uitzichtloze situatie terecht komt. Tbs-oplegging is in strijd met de artikelen 3 en 14 jo 5 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De verdediging heeft verzocht een zorgmachtiging af te geven, althans het onderzoek te heropenen en het Openbaar Ministerie te bevelen een zorgmachtiging voor te bereiden, en nog een aantal (meer en meest) subsidiaire verzoeken gedaan.
Het hof heeft oog voor de problematiek die kan ontstaan als de verdachte zijn verblijfsvergunning zal verliezen en een inreisverbod zal krijgen. Het hof is echter - met de rechtbank – van oordeel dat dit alles toekomstige gebeurtenissen betreft die thans niet vast staan. Een bestuursrechtelijke procedure kan worden gevoerd, en het hof zal en kan op deze plaats op de uitkomst daarvan niet vooruitlopen. Ook kan het zijn dat de rechter die eventueel beslist over de verlenging van de tbs-maatregel bij de beslissing betrekt of de verdachte wel tijdig en afdoende behandeld wordt. Ook daarop vooruitlopen is nu een brug te ver. Bij deze stand van zaken kan niet gezegd worden dat een tbs-maatregel een onmenselijke situatie op zal leveren noch druist het in tegen het discriminatieverbod. Het beroep op de artikelen 3 en 14 jo 5 van het EVRM slaagt niet.
De deskundigen zijn ter terechtzitting niet – ook niet door de verdediging - bevraagd over de mogelijkheden die een zorgmachtiging in het geval van de verdachte biedt. Echter, het hof is van oordeel dat de benodigde behandeling gezien de eerder genoemde argumenten niet plaats kan vinden buiten het kader van de tbs. Een zorgtraject in de GGZ heeft eerder bewezen voor de verdachte niet afdoende te zijn geweest, en dat is ook nu niet het geval, mede gelet op hetgeen nu bekend is over de problematiek van de verdachte en het herhalingsgevaar.
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek om een zorgmachtiging afwijzen, en het Openbaar Ministerie niet verzoeken die voor te bereiden. Het hof ziet ook geen noodzaak de IND nadere vragen te stellen over een toekomstige verblijfsstatus van de verdachte en het al dan niet kunnen genieten van verlof; verwezen zij naar hetgeen hiervoor is opgemerkt over een eventuele bestuursrechtelijke procedure en de procedure ten overstaan van de (tbs) verlengingsrechter.
Tenslotte heeft de verdediging verzocht een overweging ten overvloede op te nemen voor het geval eerdere verweren niet worden gehonoreerd. De verdediging ‘vraagt het hof te benadrukken bij de motivering tot oplegging van tbs dat de bijzondere omstandigheden van dit geval maken dat het onwenselijk zal zijn als de Nederlandse overheid de verblijfsvergunning van cliënt zou intrekken, althans hem die niet opnieuw te verlenen en aan cliënt een inreisverbod zou worden opgelegd’ (met nadere omschrijving van die bijzondere omstandigheden onder randnummer 115 van de pleitnotities). Het hof zal daartoe niet overgaan. Opnieuw gaat het over zaken, in de toekomst gelegen, thans niet aan het oordeel van het hof onderhevig; het hof gaat uit, en moet uitgaan, van het systeem van de tbs zoals dat thans vigeert, waarbij het er primair om gaat de samenleving tegen ernstig recidivegevaar te beschermen, en secundair de verpleging en, in voorkomende gevallen, de behandeling de middelen zijn waarmee die beveiliging wordt nagestreefd. De maatregel heeft – ook in dit geval – als doel de terugkeer van de verdachte na behandeling in een maatschappij.
Het hof zal de verdachte aldus de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen. Aan de wettelijke voorwaarden hiervoor is voldaan: vastgesteld is dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis bestond als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, Sr. Verder staat vast dat de door de verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Gelet op de pathologie van de verdachte, de ernst van de door hem gepleegde feiten en de hoge kans op recidive, is het hof van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege eist.
Uit de aard van de bewezenverklaarde feiten volgt dat de op te leggen maatregel in duur niet zal zijn gemaximeerd: dit zijn immers misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr.
18 BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-766056-18 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 1 (poging moord), 2 (poging moord), 3 (poging moord) en 4 en het in de zaak met parketnummer 09-837270-18 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.
Verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 37.613,20 (zevenendertigduizend zeshonderddertien euro en twintig cent) bestaande uit € 7.613,20 (zevenduizend zeshonderddertien euro en twintig cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 37.613,20 (zevenendertigduizend zeshonderddertien euro en twintig cent) bestaande uit € 7.613,20 (zevenduizend zeshonderddertien euro en twintig cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 52.545,13 (tweeënvijftigduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en dertien cent) bestaande uit € 22.545,13 (tweeëntwintigduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en dertien cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 52.545,13 (tweeënvijftigduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en dertien cent) bestaande uit € 22.545,13 (tweeëntwintigduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en dertien cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 31.117,40 (eenendertigduizend honderdzeventien euro en veertig cent) bestaande uit € 1.117,40 (duizend honderdzeventien euro en veertig cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 31.117,40 (eenendertigduizend honderdzeventien euro en veertig cent) bestaande uit € 1.117,40 (duizend honderdzeventien euro en veertig cent) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.885,00 (tweeduizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.932,84 (tweeduizend negenhonderdtweeëndertig euro en vierentachtig cent) bestaande uit € 432,84 (vierhonderdtweeëndertig euro en vierentachtig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827234-18 onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 2.932,84 (tweeduizend negenhonderdtweeëndertig euro en vierentachtig cent) bestaande uit € 432,84 (vierhonderdtweeëndertig euro en vierentachtig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-837270-18 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.498,70 (vierduizend vierhonderdachtennegentig euro en zeventig cent) bestaande uit € 1.998,70 (duizend negenhonderdachtennegentig euro en zeventig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 222,06 (tweehonderdtweeëntwintig euro en zes cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-837270-18 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.498,70 (vierduizend vierhonderdachtennegentig euro en zeventig cent) bestaande uit € 1.998,70 (duizend negenhonderdachtennegentig euro en zeventig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de toegewezen materiële schade vanaf de dag waarop de betreffende schadepost is ontstaan.
Bepaalt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de toegewezen immateriële schade op 5 mei 2018.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- -
Kleding verdachte [naam verdachte]
- -
Mobiele telefoon Apple Iphone in doos (zonder sim-kaart)
- -
Mobiele telefoon Nokia (zonder sim-kaart)
- -
Diverse administratie
- -
Een paspoort op naam van verdachte [naam verdachte]
- -
Mobiele telefoon Iphone 6 plus
- -
Grijze rugzak met ordner en diverse documenten van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. D.M. Thierry,
mr. H.C. Wiersinga en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 mei 2021.