2. Het hof overweegt dat mr. S.R. Mellema, die het tussenarrest heeft meegewezen en een deel van de getuigen heeft gehoord, wegens pensionering niet meer bij het hof werkzaam is. Hij is om die reden niet in staat om dit eindarrest mee te wijzen.
3. In zijn tussenarrest heeft het hof, kort en zakelijk samengevat en voor zover hier relevant, het volgende overwogen.
3.4
[de stichting] heeft vervolgens [getuige 1] , [getuige 2] , [X] en [getuige 3] als getuige voorgebracht. [geïntimeerde] heeft geen getuigen in contra-enquête voorgebracht. Beide partijen hebben tenslotte bij hun memorie na enquête nog (een) productie(s) overgelegd.
waardering van het bewijs
4. Het hof heeft al het aanwezige bewijs zelfstandig en in onderlinge samenhang gewaardeerd, en is van oordeel dat [de stichting] niet is geslaagd in het haar opgedragen tegenbewijs. Het hof overweegt hierover het volgende.
5. [X] (in het proces-verbaal van het getuigenverhoor abusievelijk [naam] genoemd) heeft als getuige verklaard, kort en zakelijk samengevat, dat hij destijds de salarisonderhandelingen met [geïntimeerde] heeft gevoerd. Hij heeft verder verklaard dat hij het bierviltje waarop het getal 14.500 staat herkent, en dat het handschrift en de handtekening daarop inderdaad van hem zijn. Volgens [X] ging het waarschijnlijk om € 10.000 aan brutosalaris, € 3.000 aan reiskosten en € 1.500 aan premies. Het ging om bedragen die [geïntimeerde] wilde verdienen. [X] heeft verklaard dat hij tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat hij [geïntimeerde] voor dit bedrag zou willen hebben, als de stichting daarmee akkoord was. Of de stichting met het bedrag van € 14.500 akkoord is gegaan, kon [X] zich naar zijn zeggen – net als overigens veel andere dingen – niet meer herinneren. Over het tweede bierviltje kon [X] , bij gebrek aan enige herinnering, niets verklaren. Het hof leidt uit deze verklaring in elk geval af dat [X] voor het seizoen 2012-2013 akkoord was met een bedrag van € 14.500 voor [geïntimeerde] en dat hij dit voorstel heeft voorgelegd aan het stichtingsbestuur.
6. [getuige 3] , toenmalig (in de periode 2012-2104) secretaris van het stichtingsbestuur, heeft als getuige eveneens verklaard dat hij zich veel dingen niet meer kan herinneren. Wel heeft hij verklaard dat hij zich niet kan voorstellen dat de op de bierviltjes vermelde bedragen van respectievelijk € 14.500 en € 13.000 door het stichtingsbestuur zouden zijn goedgekeurd, omdat deze bedragen volgens hem extreem hoog zijn, en de beter betaalde spelers destijds € 6.000 tot € 8.000 verdienden. Het kwam volgens [getuige 3] niet vaak voor dat [X] een te hoog salarisvoorstel deed, en er zat hoogstens € 500 of € 1.000 verschil tussen een voorstel van [X] en de beslissing van het stichtingsbestuur. Nu [getuige 3] naar eigen zeggen zich de gang van zaken niet meer precies kan herinneren, en uit de verklaring van [X] volgt dat in elk geval een salarisvoorstel van € 14.500 aan het bestuur is gedaan, zaait de verklaring van [getuige 3] onvoldoende twijfel over hetgeen volgt uit de schriftelijke verklaringen van [geïntimeerde] , [Y] en [Z] over de hoogte van het salaris.
7. De verklaring van de getuige [getuige 2] dat het bedrag dat als salaris werd overeengekomen altijd een bruto bedrag was dat later in het contract werd omgezet in een netto bedrag, acht het hof niet overtuigend. Niet alleen werd in de schriftelijke arbeidsovereenkomst standaard een netto salaris vermeld, wat niet erg voor de hand ligt als een bruto bedrag is overeengekomen, maar [de stichting] heeft bovendien niet gemotiveerd en onderbouwd – bijvoorbeeld door het overleggen van een berekening of loonspecificatie – hoe een bruto salaris van € 14.500 in de situatie van [geïntimeerde] heeft geleid tot een netto salaris van € 625 per maand. Daar komt bij dat [Y] , destijds teamgenoot en vriend van [geïntimeerde] , heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest bij het ondertekenen door [geïntimeerde] van het contract voor het seizoen 2013-2014, waarbij [X] gezegd zou hebben dat [geïntimeerde] maandelijks € 750 per bank zou ontvangen en de resterende € 4.000 in gedeelten contant. Deze verklaring bevestigt de stelling van [geïntimeerde] dat hij met [de stichting] over het seizoen 2013-2014 een salaris is overeengekomen van € 13.000, zoals vermeld op het tweede bierviltje. Het hof acht geen redenen aanwezig om te twijfelen aan de verklaring van [Y] . Door de getuige [Z] is bevestigd dat er sprake is geweest van een gesprek over het salaris van [geïntimeerde] waarbij ook [Y] aanwezig was, en dat dit was op een moment dat er veel mensen in en uit liepen bij de commissiekamer waarin dit gesprek plaatsvond. Het hof merkt hierbij op dat [Y] verklaart dat het op dat moment niet ging om de salarisonderhandelingen zelf, maar om het moment van het ondertekenen door [geïntimeerde] van zijn contract. De verklaringen van de door [de stichting] voorgebrachte getuigen dat de salarisonderhandelingen altijd plaatsvonden achter gesloten deuren, sluiten niet uit dat bij het ondertekenen van het contract wel andere mensen aanwezig konden zijn.
8. Het hof ziet evenmin aanleiding om de verklaring van [Z] niet geloofwaardig te achten omdat deze zou zijn afgelegd – aldus [getuige 3] in zijn getuigenverklaring – uit rancune jegens [de stichting] . Het enkele feit dat [Z] mogelijk bij [de stichting] op een onprettige manier is vertrokken en dat hij wellicht een strafrechtelijk verleden heeft, is hiervoor onvoldoende. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan getwijfeld moet worden aan zijn verklaring zijn gesteld noch gebleken.
9. [getuige 1] , destijds verenigingsmanager bij [de stichting] , heeft als getuige verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij het aangaan van het dienstverband tussen [geïntimeerde] en [de stichting] . Dit laatste geldt ook voor de getuige [getuige 2] . Over de vraag wat [geïntimeerde] met [de stichting] is overeengekomen kunnen zij dan ook niet uit eigen wetenschap verklaren.
10. Wat betreft de door [geïntimeerde] overgelegde WhatsApp-wisseling tussen hem en [X] en tussen hem en [naam 1] merkt het hof nog het volgende op. Uit deze WhatsApp-wisselingen blijkt dat [geïntimeerde] meermalen heeft gevraagd naar door hem nog te ontvangen betalingen. Deze appjes dateren van eind 2015 tot medio 2016. Vast staat dat [geïntimeerde] in maart 2015 een eerdere gerechtelijke procedure is gestart tegen [de stichting] waarin hij (uitsluitend) zijn achterstallige contractuele salaris over juni 2014 heeft gevorderd. Deze vordering is door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 24 april 2015 toegewezen. Dat de latere vragen van [geïntimeerde] waar zijn achterstallige loon bleef betrekking hadden op het loon zoals dit was vermeld in zijn schriftelijke contract, acht het hof in dat licht niet aannemelijk. De appjes wijzen er veeleer op dat het gaat om betalingen buiten de schriftelijke arbeidsovereenkomst om.
11. Het hof is dan ook van oordeel dat [de stichting] niet is geslaagd in het ontzenuwen van het door [geïntimeerde] geleverde bewijs dat de op de bierviltjes vermelde bedragen de netto jaarsalarissen betreffen die hem door [X] zijn toegezegd over de beide voetbalseizoenen.
12. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep doel mist. Het hof zal de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2018 en 14 december 2018 bekrachtigen. [de stichting] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het salaris van de advocaat zal worden begroot op (3 punten x € 1.114 (tarief II) =) € 3.342,-.