[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 1 jaar.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 april 2020 te Wateringen, gemeente Westland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 3.310 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer (in totaal) 21.740 gram (te weten ongeveer 15.030 gram henneptoppen en ongeveer 6.710 gram hennepgruis), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn recht op vervolging omdat het handelen van het Openbaar Ministerie in strijd is met het verbod van willekeur. Daartoe is – kort en zakelijk weergeven - aangevoerd dat er geen sprake is van concrete feiten of omstandigheden die wijzen op een gevaar zettend karakter van de situatie rond de verdachte en de opslag van de drugs in verdachtes loods. Daarnaast is aangevoerd dat de politie en de gemeente al jaren op de hoogte moeten zijn geweest van de omvang van de handelsvoorraad van de verdachte, nu evident is dat er aan de achterdeur van een coffeeshop moet worden geput uit een handelsvoorraad die veel groter is dan 500 gram.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Juridisch kader verbod van willekeur
Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Een uitzonderlijk geval als hierboven doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid in de afweging van de belangen bij het nemen van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, hetgeen in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (zie HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23).
Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld (zie HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7).
In de loods van de verdachte is op de tenlastegelegde datum in totaal ongeveer 25 kilo hennep/hasjiesj aangetroffen. Dat was de voorraad van de verdachte ten behoeve van de exploitatie van twee coffeeshops.
Uit mutaties blijkt dat in 2015 de politie al eens in de loods in kwestie aanwezig is geweest, daarbij heeft de verdachte toen aangegeven dat hij de ruimte gebruikt om joints te draaien. Op dat moment was er geen weed aanwezig, zo bleek de politie. Tijdens een later bezoek van de loods in 2015 heeft de politie aan de verdachte meegedeeld dat zij de gemeente Westland hebben geïnformeerd over het gebruik van de loods, waarbij de verdachte heeft opgemerkt dat hij ongeveer 700 klanten per dag heeft in zijn twee coffeeshops.
Het hof overweegt dat van een coffeeshophouder mag worden verwacht dat hij weet dat niet meer dan 500 gram hennep, zoals genoemd in de Aanwijzing Opiumwet, in voorraad mag worden gehouden.
Het hof stelt op basis van de hierboven vermelde mutaties verder vast dat de verdachte tijdens het bezoek van de politie niet heeft gesproken over de hoeveelheid hennep die hij normaal gesproken in de loods bewaarde of zou willen bewaren. Uit geen van de stukken blijkt dat de politie en de gemeente door de verdachte expliciet op de hoogte zijn gebracht over de gebruikelijke hoeveelheid voorraad hennep van de verdachte in de loods. Ook blijkt nergens uit dat hij daarvoor (stilzwijgende) toestemming had.
Vanwege het gegeven dat de hiervoor vermelde in de loods van de verdachte aangetroffen hoeveelheid hennep de grens van een handelsvoorraad van 500 gram in ruime mate heeft overschreden en de politie en gemeente daaromtrent niet expliciet door de verdachte zijn geïnformeerd, is hier geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin ruimte is voor het oordeel dat de vervolging is ingesteld of voortgezet, terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Daar komt bij dat het onder die omstandigheden aanwezig hebben van een dusdanig grote hoeveelheid hennep in een loods doorgaans andere vormen van criminaliteit en overlast met zich kan meebrengen waarvan anderen last kunnen ondervinden en waardoor de samenleving indirect schade wordt berokkend. Naar het oordeel van het hof is die situatie in potentie gevaarzettend.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat geen sprake is van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur.
Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn recht op vervolging.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 16 april 2020 te Wateringen, gemeente Westland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3.310 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer (in totaal) 21.740 gram (te weten ongeveer 15.030 gram henneptoppen en ongeveer 6.710 gram hennepgruis), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
De verdachte, destijds eigenaar van twee coffeeshops, heeft zich in het kader van de exploitatie van die coffeeshops schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van – kort gezegd - grote hoeveelheden hennep, zoals bewezen verklaard. In beginsel rechtvaardigt een dergelijk feit de oplegging van een straf of maatregel.
Het hof stelt echter vast dat er inmiddels vijf jaren verstreken zijn sinds het plegen van het feit. Ook is de verdachte blijkens zijn justitiële documentatie d.d. 7 februari 2025 niet meer met justitie in aanraking gekomen in verband met het plegen van nieuwe (soortgelijke) strafbare feiten, terwijl hij al die tijd nog wel eigenaar was van een coffeeshop. Voorts heeft het hof acht geslagen op de afdoening van strafzaken in soortgelijke gevallen (vgl. Hof Amsterdam 5 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:448; Hof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2019:2244; Rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2018:5205).
Het hof zal derhalve, zonder daarbij af te willen doen aan de verwijtbaarheid van het handelen van de verdachte, met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel opleggen.