Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:GHDHA:2025:410

Gerechtshof Den Haag
20-03-2025
20-03-2025
K22/220530
Strafrecht
Beschikking

Artikel 12 Sv, artikel 68 Sr

Rechtstreeks belanghebbenden, ne bis in idem-beginsel, beginselen van behoorlijke strafrechtspleging, beoordelingskader artikel 12 Sv, vervolgingsbeletselen.

Afwijzing beklag, gelet op het ne bis in idem-beginsel en beginselen van behoorlijke strafrechtspleging.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingediend door:

[klaagster 1], [klaagster 2] en [klaagster 3],

klaagsters,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van hun raadslieden mr. B. van Straaten en mr. T.M.D. Buruma, advocaten te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift (met bijlagen) is op 9 december 2022 – na verwijzing door het gerechtshof Amsterdam - door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het Functioneel Parket Amsterdam van 5 oktober 2022 om [beklaagde 1] en [beklaagde 2] (verder: [beklaagde rechtspersonen]) alsmede [beklaagde 3], [beklaagde 4] en [beklaagde 5], beklaagden, niet te vervolgen ter zake van buitenlandse corruptie, niet-ambtelijke corruptie, bedrog, diefstal, opzetheling, deelname aan een criminele organisatie en (medeplichtigheid aan) witwassen.

2 Het verloop van de procedure

Na de ontvangst van het klaagschrift heeft het hof de advocaat-generaal verzocht, daarover schriftelijk verslag uit te brengen. Bij verslag van 4 september 2023 heeft de advocaat-generaal (mr. M.E. de Meijer) een voorlopig advies gegeven. Zij heeft het hof geadviseerd om met het oog op de opgeworpen vragen en ter bepaling van de reikwijdte van de te behandelen klacht klaagsters voor een behandeling ter zitting op te roepen. Voorts heeft zij geadviseerd om ook beklaagden op te roepen, zodat ook zij in de gelegenheid kunnen worden gesteld een standpunt in te nemen.

Voor het verloop van de daarop volgende procedure verwijst het hof naar het proces-verbaal van de behandeling ter zitting in raadkamer op 10 januari 2024, waar [vertegenwoordiger 1] namens klaagster [klaagster 1]; [vertegenwoordiger 2] namens klaagster [klaagster 2]; [vertegenwoordiger 3] namens klaagster [klaagster 3], en hun raadslieden mr. B. van Straaten en mr. T.M.D. Buruma, zijn gehoord.

Namens beklaagden [beklaagde rechtspersonen] zijn gehoord mr. J.F. Rense en mr. M. Bakker, advocaten te Rotterdam. Namens beklaagden [beklaagde 3, beklaagde 4 en beklaagde 5] is gehoord mr. D.S. Schreuders, advocaat te Amsterdam. De raadslieden hebben gepleit overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitaantekeningen.

Het hof heeft de behandeling van het beklag op 10 januari 2024 aangehouden, teneinde de advocaat-generaal en de raadslieden van beklaagden [beklaagde rechtspersonen] in de gelegenheid te stellen het hof voor 1 juli 2024 nader te informeren ter fine als voormeld in het proces-verbaal van genoemde zitting, en met het verzoek aan de advocaat-generaal om het hof voor 1 september 2024 aanvullend te adviseren met betrekking tot ne bis in idem.

Bij aanvullend verslag van 31 augustus 2024 - na ontvangst van de nadere stukken van partijen - heeft de advocaat-generaal (mr. C.C.M. Poland) het hof geadviseerd het beklag ongegrond te verklaren ten aanzien van beklaagden [beklaagde rechtspersonen] (voor zover het de gedragingen van [betrokkene 1] e.a. betreft), maar de klacht gegrond te verklaren ten aanzien van de mogelijk strafbare handelingen die beklaagde natuurlijke personen [beklaagde 3, beklaagde 4 en beklaagde 5] namens beklaagden [beklaagde rechtspersonen] zouden hebben verricht.

Na ontvangst van alle aanvullende stukken en het aanvullend schriftelijk verslag van de advocaat-generaal van 31 augustus 2024, heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om voor 1 december 2024 schriftelijk te reageren op het verslag van de advocaat-generaal.

Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van alle namens klaagsters en beklaagden ingenomen standpunten naar aanleiding van het aanvullend advies van de advocaat-generaal. Het hof heeft aan partijen medegedeeld voornemens te zijn half maart 2025 een beslissing te nemen in de vorm van hetzij een tussenbeschikking hetzij een eindbeschikking.

Het hof acht zich na bestudering van het dossier en alle aanvullende stukken voldoende voorgelicht om een eindbeslissing te kunnen nemen, zonder nadere zitting in raadkamer. Klaagsters en beklaagden zijn derhalve niet nogmaals opgeroepen voor een zitting.

3 De feiten

Op 19 september 2017 hebben klaagsters, samen met NGO [NGO 1], tegen (onder meer) beklaagden aangifte gedaan bij het openbaar ministerie in verband met het toen lopende strafrechtelijke onderzoek Etosha. Er is aangifte gedaan ter zake van buitenlandse ambtelijke corruptie (artikel 177 juncto artikel 178a van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr)), niet-ambtelijke corruptie (artikel 328ter Sr), bedrog (artikel 326 Sr), diefstal (artikel 310 Sr), opzetheling (artikel 416 Sr), deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr) en (medeplichtigheid aan) witwassen (artikel 420bis Sr) en handelen in strijd met verplichting openbaarmaking voorwetenschap (artikel 1 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 14 EU-verordening 596/2014), gepleegd in de periode van 2001-2016.

Verkort en zakelijk weergegeven, kent de onderhavige procedure de navolgende achtergrond en feiten. Centraal staat de verkrijging van de exploitatierechten van een olieblok in Nigeria, aangeduid als Oil Prospecting License 245 (verder: OPL245). In april 2011 kochten [beklaagde 1] en het Italiaanse olieconcern [Italiaanse rechtspersoon] samen (elk voor 50%) OPL245 voor een bedrag van $1.092.040.000 (de afkoopsom) plus een ‘signature bonus’ van $209 miljoen. Deze regeling werd vastgelegd in drie overeenkomsten (‘resolution agreements’). Uiteindelijk is van het totale bedrag dat voor OPL245 is betaald $209 miljoen in de Nigeriaanse staatskas terechtgekomen. Klaagsters stellen dat beklaagden bewust en actief hebben meegewerkt aan het structureren van voornoemde overeenkomsten, ter maskering van een groot aantal strafbare gedragingen. Klaagsters geven aan dat het onderliggende gronddelict in ieder geval bestaat uit de diefstal, dan wel het op corrupte wijze verkrijgen van OPL245 door [beklaagde rechtspersonen] en [Italiaanse rechtspersoon].

Tegelijk met het in Nederland lopende strafrechtelijke onderzoek Etosha, liep er ook in Italië een onderzoek naar, kort gezegd, de voorgeschiedenis en de omstandigheden van de verkrijging van de exploitatie van olieblok OPL245.

Dit onderzoek richtte zich naast [beklaagde 1] ook op [Italiaanse rechtspersoon] en verschillende personen die leiding gaven aan deze vennootschappen of anderszins betrokken waren bij vorenbedoelde OPL245-transactie.

Op basis van dit onderzoek en de daarop volgende vervolging, sprak de Italiaanse rechtbank in Milaan op 17 maart 2021 [beklaagde 1], [Italiaanse rechtspersoon] en een aantal natuurlijke personen (onder andere [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (verder: [betrokkene 1] e.a.) vrij van de verdenkingen van, kort gezegd, buitenlandse omkoping bij de aankoop van de OPL245 (verder: gronddelict). Deze zaak is op 19 juli 2022 onherroepelijk geworden.

De Italiaanse rechtbank heeft geoordeeld dat het gronddelict feitelijk niet heeft plaatsgevonden. In dit onderzoek zijn ook andere personen (onder wie beklaagden [beklaagde 3, beklaagde 4 en beklaagde 5] betrokken.

Vervolgens heeft het openbaar ministerie de strafzaak tegen beklaagden op basis van het gehele onderzoek Etosha geseponeerd. Bij de sepotbeslissing heeft de officier van justitie als uitgangspunt genomen dat de toegepaste wetsbepalingen in Nederland en Italië zodanig overeenkomen dat gezegd kan worden dat er sprake is van eenzelfde feit zoals bedoeld in artikel 68 Sr. Het ne bis in idem-beginsel staat volgens de officier van justitie in de weg aan vervolging van [beklaagde rechtspersonen] voor het feitencomplex in Nederland.

Met betrekking tot de (overige) feiten en achtergronden verwijst het hof kortheidshalve naar het dossier, nu de feiten gelet op de behandeling in raadkamer en de schriftelijke uitwisseling van standpunten zowel bij klaagsters en hun raadslieden als bij beklaagden en hun raadslieden genoegzaam bekend zijn.

4 De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer nog kennisgenomen van:

 De brief van de advocaat-generaal d.d. 19 april 2023 gericht aan de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket, inhoudende het verzoek om een ambtsbericht;

 Het ambtsbericht van de officier van justitie bij het Functioneel Parket Amsterdam d.d. 24 augustus 2023, inhoudende een antwoord op de in voornoemde brief van de advocaat-generaal geformuleerde vragen;

 Het ambtsbericht van de officier van justitie bij het Functioneel Parket Amsterdam d.d. 18 december 2023, inhoudende een nader toelichting op de sepotbeslissing inzake Etosha;

 Het aanvullend ambtsbericht van de officier van justitie bij het Functioneel Parket Amsterdam d.d. 18 juni 2024, inhoudende een nadere toelichting op de sepotbeslissing Etosha (waarin ook aandacht wordt besteed aan het JIT-traject);

 De JIT-overeenkomst d.d. 13 februari 2016 tussen Nederland en Italië inzake het onderzoek naar vermoedelijke inmenging van [beklaagde 1], [Italiaanse rechtspersoon] en andere betrokkenen;

 Een index van het FIOD-dossier (geschoond in verband met eventuele geheimhoudersstukken en persoonsgegevens);

 Een vertaling van het Italiaanse vonnis van 17 maart 2021 naar het Nederlands.

Namens klaagsters:

 De brief (met bijlagen) d.d. 29 december 2023 van mr. B. van Straaten en mr. T.M.D. Buruma, inhoudende een reactie op het voorlopige standpunt van de advocaat-generaal van 4 september 2023;

 De brief (met bijlagen) d.d. 29 november 2024 van mr. B. van Straaten en mr. T.M.D. Buruma, inhoudende een reactie op het schriftelijk standpunt van de advocaat-generaal van 31 augustus 2024.

Namens beklaagden [beklaagde rechtspersonen]:

 De brief (met bijlagen) d.d. 29 december 2023 van mr. J.F. Rense en mr. M. Bakker, inhoudende een reactie op het voorlopige standpunt van de advocaat-generaal van 4 september 2023;

 De brief (met bijlagen) d.d. 28 juni 2024 van mr. J.F. Rense en mr. M. Bakker, betreffende een vergelijking tussen de feiten en omstandigheden die aan de orde zijn in deze beklagprocedure en de feiten en omstandigheden zoals deze aan de orde waren in Italië;

 De brief (met bijlagen) d.d. 29 november 2024 van mr. M. Bakker, inhoudende een reactie op het advies van de advocaat-generaal van 31 augustus 2024.

Namens beklaagden [beklaagde 3, beklaagde 4 en beklaagde 5]:

 De brief d.d. 29 december 2023 van mr. D.S. Schreuders, inhoudende een reactie op het voorlopige standpunt van de advocaat-generaal van 4 september 2023;

 De brief d.d. 29 november 2024 van mr. D.S. Schreuders en mr. R. Dijkhuis, inhoudende een reactie op het advies van de advocaat-generaal van 31 augustus 2024.

5 De omvang van het beklag

Voorafgaand aan het hieronder te bespreken beoordelingskader, ziet het hof zich eerst gesteld voor de vraag wat de omvang van de beklagprocedure is. Daartoe moet eerst worden vastgesteld waarover de aangifte ging en wat de omvang van de sepotbeslissing was. Klagers hebben immers uitdrukkelijk aangegeven dat zij hun aangifte hebben uitgebreid met, kort gezegd, informatie over corruptie door beklaagden rondom de afstoting van andere vergunningen tot oliewinning, Oil Mining Licenses (verder: OML’s) en, tegen die achtergrond tevens dat door het openbaar ministerie in zijn adviezen ten onrechte niet (voldoende) op dit deel van het beklag is ingegaan.

Het hof zal daarom allereerst beoordelen op basis van welke gestelde strafbare gedragingen de vervolgings-beslissing is genomen die onderwerp is van deze beklagprocedure. Gelet op hetgeen klaagsters naar voren brengen, dient daartoe te worden beoordeeld of het beklag betrekking heeft (en uitsluitend kan hebben) op gesteld strafbaar handelen rondom het feitencomplex dat verband houdt met OPL245, of ook, zoals door klaagsters gesteld, op (strafbare) feiten die verband houden met OML’s.

Het hof stelt in dit verband vast dat klaagsters geen aangifte hebben gedaan van strafbare feiten die verband houden met OML’s. Bij brief van 5 april 2018 (opgenomen als bijlage 7 bij het klaagschrift) is namens klaagsters weliswaar informatie verstrekt over mogelijke onregelmatigheden rond de verkoop van OML’s, maar daarbij werd uitdrukkelijk vermeld dat klaagsters met het verstrekken van deze informatie niet beoogden een uitbreiding van de door hen ingediende aangifte te bewerkstelligen. De informatieverstrekking vond plaats “omdat het mogelijk kan helpen bij het huidige strafrechtelijke onderzoek naar OPL245”.

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat klaagsters op een later moment - maar nog voordat de sepotbeslissing was genomen - de aangifte alsnog wél wilden uitbreiden tot vermeende strafbare gedragingen met betrekking tot OML’s.

Gelet hierop stelt het stelt het hof vast dat de aangifte derhalve geen betrekking had op OML’s.

Over de omvang van de sepotbeslissing heeft de officier van justitie bij brief van 24 augustus 2023 desgevraagd het volgende medegedeeld: “De sepotbeslissing (ne bis in idem) ziet op het feitencomplex dat verband houdt met OPL245.”. Daaraan voegde de officier van justitie het volgende toe: “Voor zover wordt aangenomen dat de aangifte ook op voornoemde OML’s ziet (…), is de (impliciete) vervolgingsbeslissing een beleidssepot vanwege opportuniteitsoverwegingen”. Deze situatie doet zich echter niet voor, nu het hof heeft vastgesteld dat de aangifte niét tevens zag op OML’s.

Nu de basisverdenking in de aangifte zag op de gedragingen rondom op OPL245 en de sepotbeslissing alleen betrekking had op het feitencomplex in verband met OPL245, kan een daartegen gericht beklag ook alleen betrekking hebben op dit feitencomplex. Het hof stelt aldus de omvang van de onderhavige klachtprocedure in voornoemde zin vast, waardoor klaagsters niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun beklag voor zover dit betrekking heeft op een ander feitencomplex dan in verband met OPL245.

6 Beoordelingskader

In een artikel 12 Sv-procedure staat ter beoordeling of de beslissing van de officier van justitie niet te vervolgen, op goede gronden is genomen. Daartoe pleegt het hof eerst vast te stellen of een klager ontvankelijk is in zijn beklag. In bijzondere gevallen, zoals de onderhavige klachtprocedure, zal vervolgens aan de orde komen de vraag of redelijkerwijs sprake is van omstandigheden die aan vervolging in de weg staan (bijvoorbeeld in verband met het beginsel van ne bis in idem en/of beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging).

Indien dat het geval is, kan in redelijkheid immers niet van het openbaar ministerie worden gevergd om desalniettemin een vervolging aan te vangen of voort te zetten.

Indien dergelijke beletselen niet aanwezig worden geacht, kan het hof toekomen aan de vraag of er voldoende aanknopingspunten zijn voor een succesvolle vervolging van beklaagden (de haalbaarheid). En ten slotte komt de vraag aan de orde of een strafvervolging aangewezen is (de opportuniteit).

7 Ontvankelijkheid van klaagsters

De vraag naar de ontvankelijkheid van klaagsters (anders dan besproken onder punt 5 hiervoor inzake de omvang van het beklag) is aan de orde gekomen tijdens de zitting in raadkamer van 10 januari 2024, zoals gerelateerd in het proces-verbaal van die zitting. Het hof heeft ten eerste geoordeeld dat er voor het indienen van de klacht geen sprake was van een termijnoverschrijding, aangezien de termijnstelling van artikel 12l Sv niet van toepassing is; de sepotbeslissing was immers niet aan te merken als een kennisgeving van niet verdere vervolging. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat klaagsters – gelet op het klaagschrift, de statuten, de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden van klaagsters - kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbenden in de zin van artikel 12 Sv en dat zij derhalve ontvankelijk zijn in hun beklag. Ook na kennisneming van de (aanvullende) standpunten van partijen in hun nadere reacties met betrekking tot de ontvankelijkheid van klaagsters ziet het hof geen aanleiding op deze eerdere beslissingen terug te komen.

8 Vervolgingsbeletselen

In deze klachtprocedure staat centraal of er, in verband met de eerdere Italiaanse procedure en de daarop volgende uitspraak van 17 maart 2021, sprake is van een vervolgingsbeletsel doordat het ne bis in idem-beginsel en/of een ander daarmee samenhangend beginsel van behoorlijke strafrechtspleging zich tegen vervolging in Nederland verzet.

Het hof stelt vast dat de standpunten van partijen kort gezegd het volgende inhouden:

- klaagsters stellen dat er geen sprake is van een ne bis in idem-situatie;

- beklaagden betwisten dat; en

- de advocaat-generaal stelt dat voor de beklaagde rechtspersonen wel sprake is van een ne bis in idem-situatie maar niet voor de beklaagde natuurlijke personen, waarbij volgens de advocaat-generaal in aanmerking dient te worden genomen dat de mogelijke strafbare handelingen van deze personen wellicht aan [beklaagde rechtspersonen] kunnen worden toegerekend.

8.1

Het beginsel van ne bis in idem en (andere) beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging

Het ne bis in idem-beginsel ziet op het verbod om eenzelfde feit voor een tweede keer te vervolgen en aan de rechter voor te leggen. Het beginsel is vastgelegd in ons nationale recht en in Europees en internationaal recht. Dit beginsel beschermt niet alleen het individu tegen dubbele vervolging, maar beschermt ook de samenleving – in het belang van een betrouwbare rechtspraak - tegen inbreuken op het gezag van (onherroepelijke) rechterlijke uitspraken.

Het hof stelt voorop dat de onderhavige beoordeling, vanwege de uitspraak van de Italiaanse rechter, ziet op de grensoverschrijdende invulling van voornoemd beginsel. Het draait immers om de toepassing van het verbod om voor dezelfde feiten in verschillende lidstaten sancties van bestraffende aard op te leggen. Het hof zal tegen die achtergrond in deze beklagprocedure aansluiting zoeken bij het recht van de Europese Unie, waaronder artikel 54 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst en artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Laatstgenoemde bepaling heeft, blijkens de toelichting bij het Handvest, dezelfde inhoud en reikwijdte als het overeenkomstige recht van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De grensoverschrijdende invulling van het beginsel van ne bis in idem kenmerkt zich door een objectief feitelijke invulling. Een andere uitleg zou, gezien de verschillen in nationale wetgeving binnen de Europese Unie, de bescherming van dit beginsel grotendeels illusoir maken. Het Hof van Justitie hanteert bij de toepassing van wat moet worden verstaan onder ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in dit beginsel, dan ook als criterium de gelijkheid van de materiële feiten, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang.

Wat betreft de personele werking van ne bis in idem stelt het hof verder voorop dat dit beginsel onderdeel vormt van de beginselen van behoorlijke strafrechtspleging. Onder omstandigheden kunnen deze beginselen ook buiten de strikte toepassing van het beginsel ne bis in idem zoals dat in de wet, de verdragen en de jurisprudentie is gevormd, in de weg staan aan een tweede vervolging.

Bij de beoordeling van dit beklag zal het hof daarom niet alleen dienen vast te stellen of toepassing van het ne bis in idem-beginsel in de weg staat aan vervolging, maar ook of beginselen van behoorlijke strafrechtspleging daaraan in de weg staan. Dergelijke beginselen kunnen onder omstandigheden ook een rol spelen bij de beoordeling van een hernieuwde inhoudelijke beoordeling in een lidstaat van een feitencomplex dat reeds in een andere lidstaat onherroepelijk is beoordeeld. Een dergelijke nieuwe beoordeling zou immers kunnen worden beschouwd als een verkapte herziening in de ene lidstaat van een onherroepelijke uitspraak waarin een persoon strafrechtelijk/punitief ter verantwoording is geroepen in de andere lidstaat. Aan de hand van deze beginselen zal het hof daarom tevens moeten beoordelen of een vervolging niet zou kunnen raken aan de grenzen die worden gesteld door het verbod op misbruik van procesrecht.

8.2

Uitgangspunten hof

Het hof gaat ten behoeve van de vraag naar het bestaan van vervolgingsbeletselen uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

- In Italië heeft een omvangrijk, complex en langdurig grensoverschrijdend onderzoek plaatsgevonden naar, kort gezegd, buitenlandse ambtelijke omkoping met betrekking tot het Nigeriaanse olieveld OPL245;

- Bij voornoemd onderzoek is onder meer samengewerkt met de Nederlandse autoriteiten waarbij informatie is uitgewisseld vanuit een in Nederland lopend strafrechtelijk onderzoek, genaamd Etosha, naar hetzelfde feitencomplex. Deze uitwisseling heeft mede vorm gekregen middels een Joint Investigation Team (JIT) en in een JIT-Agreement tussen Nederland en Italië;

- Het onderzoek, de vervolging en berechting in Italië vond onder meer plaats naar de concernholding van [beklaagde rechtspersonen], te weten [beklaagde 1];

- Blijkens de reeds eerder genoemde uitspraak van de rechtbank van Milaan van 17 maart 2021 heeft het Italiaanse onderzoek in relatie tot OPL245 plaatsgevonden naar de betrokkenheid van het [beklaagde rechtspersonen]-concern in brede zin en naar een aantal aan [beklaagde rechtspersonen] gerelateerde betrokken individuen. Niet alleen [beklaagde 1] is in dit onderzoek betrokken geweest, maar ook anderen dan degenen jegens wie een verdenking bestond, zijn onderwerp geweest van onderzoek, waaronder beklaagden [beklaagde 3, beklaagde 4 en beklaagde 5];

- [beklaagde 1], [Italiaanse rechtspersoon] en een aantal natuurlijke personen zijn op 17 maart 2021 door de rechtbank in Milaan op basis van voornoemde vervolging en berechting naar aanleiding van voornoemd onderzoek vrijgesproken, waarbij door de Italiaanse rechter is geoordeeld dat het gronddelict (te weten corruptie (buitenlandse omkoping door [beklaagde rechtspersonen]) met betrekking tot de aankoop van OPL245) feitelijk niet heeft plaatsgevonden;

Nu het hoger beroep door het Italiaanse openbaar ministerie is ingetrokken, is voornoemde vrijspraak onherroepelijk.

8.3

Beoordeling

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat in de Italiaanse zaak uitvoerig onderzoek is gedaan naar de feiten die ook in de onderhavige klachtprocedure aan de orde zijn.

Weliswaar bestaan er formeel-juridische verschillen tussen het in de Italiaanse zaak toegepaste recht en het in deze klachtprocedure aan de orde zijnde Nederlandse recht, maar dit neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat het feitencomplex dat in de Italiaanse zaak aan de orde was zodanig ruim was, dat daaronder ook de in deze klachtprocedure aan de orde zijnde feiten moeten worden begrepen.

Naar het oordeel van het hof is dan ook het gehele feitencomplex reeds door de Italiaanse rechter beoordeeld en gewogen. In het Italiaanse onderzoek in relatie tot OPL245 is bovendien gekeken naar het gehele [beklaagde rechtspersonen]-concern en naar een aantal betrokken individuen, dus niet alleen naar [beklaagde 1] en [betrokkene 1] e.a. maar ook naar andere onderdelen van het [beklaagde rechtspersonen]-concern (waaronder [beklaagde 2]) en naar de beklaagde natuurlijke personen in de onderhavige Nederlandse klachtprocedure. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Italiaanse rechter geoordeeld dat het gronddelict feitelijk niet heeft plaatsgevonden en zijn alle vervolgde natuurlijke personen en [beklaagde 1] vrijgesproken.

Alles overwegende en gezien de toepassing van het beginsel zoals hiervoor onder 8.1 besproken, is het hof van oordeel dat moet worden aangenomen dat het beginsel van ne bis in idem zich verzet tegen vervolging van [beklaagde 1] en andere onderdelen van het [beklaagde rechtspersonen]-concern (waaronder [beklaagde 2]) voor het feitencomplex inzake OPL245.

Wat betreft de drie beklaagde natuurlijke personen is het hof van oordeel dat ook zij er in het kader van de rechtszekerheid op mochten en mogen vertrouwen dat met het onherroepelijke vonnis van de Italiaanse rechter een strafvervolging van hen ter zake van het onderhavige feitencomplex niet meer aan de orde is. Weliswaar waren zij in het Italiaanse onderzoek niet als verdachte betrokken, maar de Italiaanse rechter heeft wel hun betrokkenheid onderzocht. Beginselen van behoorlijke strafrechtspleging staan naar het oordeel van het hof daarom in de weg aan vervolging van deze beklaagde natuurlijke personen.

9 Conclusie hof

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van omstandigheden die aan vervolging in de weg staan. Naar het oordeel van het hof zal vervolging zowel van beklaagden [beklaagde rechtspersonen] als van de beklaagde natuurlijke personen met betrekking tot OPL245 stuiten op het ne bis in idem-beginsel of op beginselen van behoorlijke strafrechtspleging. Het hof is derhalve van oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot het sepot ten aanzien van beklaagden heeft kunnen beslissen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

10 De beslissing

Het hof:

Verklaart klaagsters niet-ontvankelijk voor zover de klacht betrekking heeft op een ander feitencomplex dan OPL245;

Wijst het beklag voor het overige af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 20 maart 2025 door mr. T.E. van der Spoel, voorzitter, mr. O.M. Harms en mr. P.J. van der Flier, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bakker-Otjens, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.