Uitspraak: 6 november 2014
Zaaknummers: F 200.125.174/01 en F 200.125.188/01
Zaaknummer eerste aanleg: 131209/ S RK 08-793
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal appel,
verweerster in incidenteel appel,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.N.G.H. Brech.
10 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
10. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2014;
- het V6-formulier met van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 16
oktober 2014 met daarbij gevoegd de akte uitlating.
- het V8-formulier van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2014.
11 De verdere beoordeling
11.1.
De advocaat van de man heeft bij voornoemd V6-formulier, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2014, te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen benoeming van drs. J.C.E. van Kollenburg RA als deskundige in deze zaak, zoals omschreven in de beschikking van 18 september 2014.
11.2.
De advocaat van de vrouw heeft bij voornoemd V6-formulier, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2014, te kennen gegeven in te stemmen met het voornemen van het hof om drs. J.C.E. van Kollenburg RA te benoemen tot deskundige in het onderzoek naar de waarden van de aandelen van [de holding 1] en [de vennootschap 1]
11.3.
de advocaat van de man heeft bij voornoemd V8-formulier, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2014, verzocht om de akte uitlating d.d. 16 oktober van de zijde van de vrouw buiten beschouwing te laten voor zover daarin meer staat dan uitsluitend een reactie op de voorgestelde deskundige.
11.4.
Nu partijen in kunnen stemmen met de benoeming van drs. J.C.E. van Kollenburg RA tot deskundige in het onderzoek naar de waarden van de aandelen van [de holding 1] en [de vennootschap 1] zal het hof tot zijn benoeming als deskundige overgaan. Naar aanleiding van hetgeen de vrouw in de punten 7 en 8 van de akte uitlating opmerkt (dat de te benoemen deskundige mogelijk minder bekend is met fiscaal recht en met de problematiek omtrent de stichting en de gezondheidszorg) merkt het hof op dat het de deskundige vrijstaat om daar waar nodig andere deskundigen in te schakelen om het onderzoek mogelijk te maken.
Het hof zal drs. J.C.E. van Kollenburg RA, zoals het hof reeds in rov. 7.3 van de tussenbeschikking van 18 september 2014 heeft overwogen, eveneens benoemen tot deskundige in het onderzoek naar het vermogen van de stichting.
11.5.
Het hof heeft zich in de tussenbeschikking van 18 september 2014 reeds uitgelaten over de opmerkingen die partijen hebben geplaatst naar aanleiding van de door het hof in de beschikking van 20 maart 2014 geformuleerde vragen zodat het hof voorbij gaat aan de opmerkingen van de vrouw onder punt 3 en 10 van de akte uitlating.
11.6.
Het hof verwijst voor wat betreft de vragen aan de deskundige naar de rov. 3.5.5 en 3.7.3 van de tussenbeschikking van 20 maart 2014 en wijst de deskundige op de opmerkingen die partijen op de vragen van het hof hebben geplaatst zoals verwoord in het V6-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 16 april 2014 met daarbij gevoegd de akte uitlating alsmede de brief van de advocaat van de man d.d. 16 april 2014. Het hof verzoekt de deskundige die opmerkingen te betrekken in zijn onderzoek, voor zover hij die relevant acht.
In rov. 3.5.6 en 3.7.4 van de tussenbeschikking van 20 maart 2014 heeft het hof reeds overwogen dat het voornemens is de kosten van het deskundigenbericht gelijkelijk ten laste van partijen te brengen.
11.7.
De deskundige dient eventuele nadere informatie die hij nodig heeft en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.
Indien de deskundige voor het onderzoek gebruik maakt van informatie van derden, dient hij daarvan melding te maken in het rapport.
11.8.
Aldus wordt als volgt beslist.
12 De beslissing
op het principaal en incidenteel appel:
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 11.6 van deze beschikking en de in rov. 3.5.5. en 3.7.3 van de tussenbeschikking van 20 maart 2014 geformuleerde vragen;
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
de heer drs. J.C.E van Kollenburg RA
[BDO]
Postbus [postbus]
[postcode] [kantoorplaats]
Tel: [netnummer + telefoonnummer]
Fax: [netnummer + faxnummer]
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 15.246,- inclusief BTW, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 15.246,-, derhalve
€ 7.623,-, zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
benoemt mr. M.J. van Laarhoven tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
verstaat dat partijen na ontvangst van het deskundigenbericht in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijke te reageren;
houdt iedere verdere beslissing PROFORMA aan tot 1 maart 2015.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.J. van Laarhoven en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014.