In de onderhavige procedure vordert [appellante] in conventie, na wijziging en vermeerdering van eis bij akte van 15 november 2018, de veroordeling van [geïntimeerde], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot:
I. betaling van achterstallig loon bestaande uit niet verloonde overuren ter grootte van € 23.107,20 inclusief de overurentoeslag conform cao primair en subsidiair tot betaling van € 19.847,95 op grond van artikel 7:610b BW, althans tot betaling van in goede justitie te bepalen bedragen (primair of subsidiair);
II. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.311,28;
III. betaling c.q. storting van het werkgeversdeel in het bedrijfstakpensioenfonds op basis van de onder I vast te stellen vergoeding;
IV. verstrekking van gecorrigeerde loonspecificaties binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag van niet nakoming en met een maximum van € 10.000,=;
V. het doen van een gecorrigeerde en juiste aangifte loonbelasting binnen 30 dagen na betekening van het vonnis en afdracht van de op die basis verschuldigde loonbelasting en premies, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag van niet nakoming en met een maximum van € 10.000,=;
VI. betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en, indien betaling niet binnen die termijn geschiedt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.
In het lichaam van de akte vermeerdering van eis voert [appellante] ook nog meer subsidiair aan dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellante] en verzoekt zij om bij staat een begroting op te maken van de verarming aan haar zijde, te vermeerderen met wettelijke rente.