3.1.
Deze zaak gaat om de vraag wat een sollicitant moet vertellen over zijn medische situatie.
3.1.1.
[de ambtenaar] is in dienst van de Staat. [de ambtenaar] kampt al lange tijd met psychische klachten die chronisch van aard zijn. Hij had die klachten al voordat hij voor de Staat werkzaam werd.
3.1.2.
[de ambtenaar] was aanvankelijk werkzaam als complexbeveiliger bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van het Ministerie van Justitie. [de ambtenaar] is regelmatig ziek uitgevallen voor dat werk. Bij de rechtbank [rechtbank] kwam op enig moment de functie vrij van medewerker beveiliging en services. [de ambtenaar] heeft gesolliciteerd op die functie. Op het moment dat hij solliciteerde, was [de ambtenaar] al langere tijd ongeschikt wegens ziekte voor het werk als complexbeveiliger. Re-integratie in de functie van complexbeveiliger was tot dat moment nog niet mogelijk geweest.
3.1.3.
[de ambtenaar] heeft tijdens de sollicitatieprocedure bij de rechtbank [rechtbank] niets verteld over zijn medische situatie en hij heeft ook niet verteld dat hij op dat moment arbeidsongeschikt was voor het werk als complexbeveiliger bij DV&O. De rechtbank [rechtbank] heeft [de ambtenaar] aangenomen. [de ambtenaar] is vervolgens volledig hersteld verklaard door de bedrijfsarts van DV&O.
3.1.4.
[de ambtenaar] is kort nadat hij bij de rechtbank [rechtbank] was gestart met zijn werk als medewerker beveiliging en services weer ziek geworden (en gebleven). [de ambtenaar] heeft tijdens gesprekken met de rechtbank [rechtbank] verklaard dat hij niets had gezegd over zijn medische situatie omdat zijn eerdere ervaringen met solliciteren waren dat hij dan vervolgens niet werd aangenomen.
3.1.5.
De rechtbank [rechtbank] is van mening dat [de ambtenaar] niet eerlijk is geweest tijdens zijn sollicitatie. Zij neemt dit hoog op en zij vindt dat de arbeidsovereenkomst met [de ambtenaar] om die reden moet worden beëindigd.
3.1.6.
Het hof is (net als de kantonrechter) van oordeel dat er om twee redenen (die los van elkaar staan) geen grond is om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Die redenen komen neer op het volgende.
De ene reden is dat er sprake is van een opzegverbod en dan kan de arbeidsovereenkomst niet worden ontbonden. De uitzondering die soms kan worden gemaakt op dat verbod (het opzegverbod tijdens ziekte), is in dit geval niet aan de orde.
De andere reden is dat [de ambtenaar] tijdens de sollicitatieprocedure geen informatie hoefde te geven over zijn medische situatie en zijn arbeidsongeschiktheid, omdat hij chronisch ziek is en zijn medische situatie niet maakt dat hij niet kan voldoen aan specifieke functie-eisen. Anders gezegd, [de ambtenaar] zou sowieso opnieuw ziek zijn geworden. Er is geen verband met de functie. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat het voor een chronisch zieke werknemer feitelijk vrijwel onmogelijk wordt gemaakt om een andere baan te vinden.
De verzoeken in eerste aanleg, het oordeel van de kantonrechter en de verzoeken in hoger beroep
3.2.1.
De Staat heeft op 16 april 2024 een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter te [plaats] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [de ambtenaar] . De kantonrechter te [plaats] heeft bij beschikking van 19 april 2024 de zaak verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch op grond van artikel 46b Wet op de Rechterlijke Organisatie.
3.2.2.
De Staat heeft (samengevat) verzocht dat de kantonrechter:
- de arbeidsovereenkomst met [de ambtenaar] ontbindt zonder rekening te houden met een opzegtermijn;
- bepaalt dat [de ambtenaar] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten zodat hij geen recht heeft op een transitievergoeding;
- voor recht verklaart dat [de ambtenaar] na het einde van de arbeidsovereenkomst geen aanspraak kan maken op doorbetaling van het loon, op grond van paragraaf 8.3 van de CAO Rijk;
- [de ambtenaar] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.3.
[de ambtenaar] heeft verweer gevoerd en verzocht de gevraagde ontbinding te weigeren. Subsidiair heeft [de ambtenaar] (samengevat) verzocht:
- bij de ontbinding wel rekening te houden met de opzegtermijn;
- de Staat te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente;
- voor recht te verklaren dat de Staat verplicht is om het loon door te betalen als bedoeld in artikel 8 lid 3 CAO Rijk;
- de Staat te veroordelen in de proceskosten.
3.2.4.
De kantonrechter heeft alle verzoeken van de Staat afgewezen.
3.2.5.
In dit hoger beroep heeft de Staat verzocht (samengevat en na verduidelijking tijdens de mondelinge behandeling):
I. een datum vast te stellen voor de mondelinge behandeling;
II en III. een datum vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, zonder rekening te houden met de opzegtermijn;
IV. voor recht te verklaren dat [de ambtenaar] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding, althans dat zijn gedragingen of nalaten moet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar;
V. voor recht te verklaren dat [de ambtenaar] vanaf 2 januari 2024 (of een andere door het hof te bepalen datum) geen recht heeft op loon bij ziekte, althans dat hij slechts recht heeft op gedeeltelijke betaling;
VI. voor recht te verklaren dat [de ambtenaar] na het einde van de arbeidsovereenkomst geen aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn maandinkomen op grond van artikel 8.3 CAO Rijk;
VII. [de ambtenaar] te veroordelen om aan de Staat terug te betalen wat ter uitvoering van de beschikking aan [de ambtenaar] is betaald (de proceskosten);
VIII. [de ambtenaar] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
3.2.6.
[de ambtenaar] heeft opnieuw verweer gevoerd en verzocht om de verzoeken af te wijzen. Subsidiair heeft [de ambtenaar] wederom verzocht om wel rekening te houden met de opzegtermijn en hem wel een transitievergoeding toe te kennen.
De feiten (beroepsgrond 1)
3.3.
Beroepsgrond 1 heeft betrekking op de feiten. Volgens de Staat heeft de kantonrechter ten onrechte nagelaten vast te stellen welke feiten het uitgangspunt vormen bij de beoordeling van de verzoeken. Het hof zal zelf een overzicht geven van de feiten. Om die reden hoeft deze beroepsgrond niet nader besproken te worden. Het hof zal een overzicht geven van de relevante feiten voorafgaand aan de uitspraak van de kantonrechter en deze aanvullen met relevante feiten die zich na de uitspraak hebben voorgedaan.
Het hof gaat in dit hoger beroep uit van de volgende feiten.
3.3.1.
[de ambtenaar] heeft sinds 2011 klachten van psychische aard na een niet goed verlopen operatie. Deze klachten zijn chronisch en zijn (destijds) gediagnostiseerd als PTSS en een angststoornis.
3.3.2.
Op 19 augustus 2019 is [de ambtenaar] aangesteld als ambtenaar in de functie van beveiliger bij de afdeling Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Voorafgaand aan deze aanstelling heeft hij een medische keuring ondergaan. Met ingang van 1 januari 2020 is het ambtenaarschap van rechtswege gewijzigd in werknemerschap (WNRA). Het dienstverband met DV&O heeft geduurd tot 1 januari 2024.
3.3.3.
Tijdens zijn werk bij DV&O is [de ambtenaar] meermaals en ook voor langere periodes ziek geweest vanwege de hiervoor in 3.3.1. genoemde psychische klachten, waardoor hij zijn werk niet heeft kunnen uitvoeren. [de ambtenaar] heeft steeds het eigen werk volledig hervat.
Op 1 juli 2023 is [de ambtenaar] opnieuw volledig uitgevallen. De bedrijfsarts heeft op 11 september 2023 [de ambtenaar] geschikt geacht om 3 x 4 uur per week aangepast werk te verrichten. In de (eerstejaars)evaluatie van 19 september 2023 is vermeld dat [de ambtenaar] al snel aangaf dat dit niet goed ging.
3.3.4.
Op 15 oktober 2023 heeft [de ambtenaar] gesolliciteerd naar de functie medewerker beveiliging bij het team beveiliging & services van de rechtbank [rechtbank] .
3.3.5.
In een probleemanalyse van 23 oktober 2023 is vermeld dat de re-integratie (bij DV&O) gaat starten met 2 uur per week en een opbouw met 2 uur per week extra. In de (eerstejaars)evaluatie van 2 november 2023 is vermeld dat de bedrijfsarts (van DV&O) slechts beperkte mogelijkheden zag voor hervatting, te weten 2 uur per week in de luwte.
3.3.6.
Op 9 november 2023 hebben sollicitatiegesprekken plaatsgevonden met de benoemingsadviescommisie en met de selectieadviescommissie van de rechtbank [rechtbank] .
Tijdens deze gesprekken zijn vragen gesteld aan [de ambtenaar] over zijn reden om bij DV&O te vertrekken en hoe hij omgaat met stressvolle situaties. [de ambtenaar] heeft daarover verklaard dat hij meer rust en regelmaat wilde hebben en niet meer de spanning zoekt en niet meer in spannende situaties wil belanden. Over het omgaan met conflict/stressvolle situaties heeft [de ambtenaar] verklaard dat dit geen probleem voor hem is. Verder heeft [de ambtenaar] op een vraag of er nog bijzonderheden waren geantwoord dat die er niet waren behalve dat hij ouderschapsverlof genoot een gedegen inwerktraject verwachtte.
Op 16 november 2023 heeft [de ambtenaar] een aantal uren meegelopen met het team beveiliging en services. Op 21 november 2023 is een arbeidsvoorwaardengesprek gevoerd.
3.3.7.
In een terugkoppeling van het spreekuur heeft de bedrijfsarts (van DV&O) op 27 november 2023 het volgende medegedeeld:
“Naar aanleiding van mijn gesprek met uw medewerker [de ambtenaar] , kan ik u meedelen dat het herstel voorspoedig is verlopen. Betrokkene voelt zich goed en heeft geen beperkingen. Betrokkene geeft aan een nieuwe functie te gaan betrekken bij de rechtbank. Voor het vervullen van deze functie is betrokkene volledig geschikt te achten. Het is werk in kantooruren en vlak bij zijn huis. Geen diensten en geen onderhoudstrainingen. Het vooruitzicht geeft hem veel rust. Concluderend kan betrokkene als volledig arbeidsgeschikt beschouwd worden voor zijn nieuw functie. In de tussentijd kan betrokkene aangepaste werkzaamheden uitvoeren. Hij is geschikt om 3x4 uur per week passend werk te verrichten. Deze werktijd kan de komende tijd wekelijks worden uitgebreid met een dagdeel van 4 uur per week tot een maximum van 4x9 uur per week. Ik zal hiermee de verzuimbegeleiding afsluiten.”
3.3.8.
In de week van 11 december 2023 heeft de rechtbank [rechtbank] het personeelsdossier ontvangen van DV&O, waaronder de personeelskaart. Op die personeelskaart stond onder andere vermeld dat er sprake was geweest van verzuim / arbeidsongeschiktheid in 2023 van 3 juli tot 27 november (naast één ziektedag in april en drie ziektedagen in juni). Naar aanleiding daarvan heeft de personeelsadviseur van de rechtbank [rechtbank] in de week van 18 december 2023 met [de ambtenaar] gebeld om te vragen wat er aan de hand was en of iets in de weg stond aan de start bij de rechtbank [rechtbank] per 2 januari 2024. [de ambtenaar] heeft hierop aangegeven dat hij ziek was geweest, maar dat het allemaal goed ging.
3.3.9.
[de ambtenaar] is met ingang van 1 januari 2024 in dienst getreden bij de rechtbank [rechtbank] als medewerker beveiliging. Op 4 januari 2023 heeft hij de ambtseed afgelegd en een gesprek gehad over de gedragscode.
3.3.10.
Op 15 januari 2024 heeft [de ambtenaar] zich ziek gemeld.
3.3.11.
Op 1 maart 2024 en op 10 april 2024 hebben gesprekken plaatsgevonden met [de ambtenaar] en is hem gevraagd waarom hij tijdens de sollicitatie geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn medische situatie. [de ambtenaar] heeft daarop aangegeven dat hij dat eerder tijdens sollicitaties wel had gedaan maar daardoor meermaals was afgewezen.
3.3.12.
Op 16 april 2024 heeft de Staat het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Bij beschikking van 11 september 2024 heeft de kantonrechter dat verzoek (en de overige verzoeken) afgewezen (zie hiervoor 3.2.1 tot en met 3.2.4).
3.3.13.
Op 6 juni 2024 is een behandelplan vastgesteld voor een behandeling bij [instantie] . Toen is een andere diagnose vastgesteld dan de eerdere diagnose (zie 3.3.1). In een brief daarover aan de huisarts van 27 augustus 2024 is als primaire diagnose vermeld: ‘Andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met trekken van vermijdende en borderline persoonlijkheidsstoornis.
3.3.14.
Bij brief van 18 november 2024 heeft de Staat [de ambtenaar] erover geïnformeerd dat zijn eerste ziektedag in het personeelssysteem is gewijzigd naar 1 juli 2023.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst (verzoeken II en III / beroepsgronden 2 tot en met 5 en 8)
3.4.1.
Op grond van artikel 7:670 lid 1 BW kan een werkgever de arbeidsovereenkomst (in beginsel) niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Ook in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dit opzegverbod van toepassing (art. 7:671b lid 2 BW). Dit staat aan ontbinding in de weg, tenzij sprake is van een van de uitzonderingen als genoemd in art. 7:671b lid 6 BW.
3.4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [de ambtenaar] ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek arbeidsongeschikt was, zodat het opzegverbod tijdens ziekte in beginsel aan de ontbinding in de weg stond. Evenmin staat ter discussie dat [de ambtenaar] ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog steeds arbeidsongeschikt was en dat een herstel niet op korte termijn te verwachten valt.
3.4.3.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband hield met het opzegverbod tijdens ziekte. De kantonrechter heeft dus toepassing gegeven aan artikel 7:671b lid 6 onderdeel a BW.
Op grond van deze bepaling kan de rechter afwijken van het opzegverbod tijdens ziekte en het verzoek om ontbinding toch inwilligen, indien het ontbindingsverzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop dat opzegverbod betrekking heeft. Daarover heeft de kantonrechter overwogen dat de Staat zich niet baseert op de arbeidsongeschiktheid, maar op feiten en omstandigheden voorafgaand aan de ziekmelding op 15 januari 2024, te weten een schending van een informatieplicht door [de ambtenaar] voorafgaand aan het moment waarop hij ziek werd.
3.4.4.
Het hof oordeelt anders. Een redelijke uitleg van de hiervoor genoemde bepaling brengt mee dat alleen is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat er ‘geen verband’ is, als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond (zie eerder onder andere ECLI:NL:GHSHE:2023:1972 en ECLI:NL:GHSHE:2024:1250, in navolging van AG De Bock, zie ECLI:NL:PHR:2023:92 voor HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:559). [de ambtenaar] wordt verweten dat hij tijdens de sollicitatieprocedure geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn medische situatie en zijn arbeidsongeschiktheid bij DV&O, terwijl het opzegverbod betrekking heeft op dezelfde medische situatie waarvoor [de ambtenaar] bij de rechtbank [rechtbank] arbeidsongeschikt is geraakt. De Staat heeft met beroepsgrond 3 aangevoerd dat de medische situatie maakt dat [de ambtenaar] ongeschikt is voor de functie. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft de Staat aangevoerd dat [de ambtenaar] niet kan leveren wat hij heeft laten zien in de sollicitatieperiode. Het is de Staat er dus wel degelijk (onder meer) om te doen dat [de ambtenaar] arbeidsongeschikt is. Een en ander leidt ertoe dat het hof de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggen niet kan abstraheren van de ziekte van [de ambtenaar] waarop het opzegverbod betrekking heeft.
3.4.5.
Het hof is los van het voorgaande ook om inhoudelijke redenen van oordeel dat het verzoek niet toewijsbaar is. Het verzoek tot ontbinding is in eerste aanleg gebaseerd op de zogenaamde e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten). In hoger beroep is de zogenaamde g-grond (verstoorde verhouding) daaraan toegevoegd. De redenen die de Staat heeft aangevoerd zijn echter hetzelfde. Het komt erop neer dat de Staat vindt dat [de ambtenaar] wist, althans moest begrijpen dat hij ongeschikt was voor de functie waarop hij solliciteerde en dat [de ambtenaar] daarover had moeten spreken.
3.4.6.
De kantonrechter heeft over het toetsingskader het volgende overwogen
Vooropgesteld wordt dat de meldingsplicht ten aanzien van lichamelijke of psychische ongeschiktheid bij een sollicitatie alleen bestaat voor zover de ziekte of handicap van de sollicitant hem ongeschikt maakt voor de functie waarop hij solliciteert én de sollicitant dit ook weet, althans dit had moeten begrijpen. Het enkele feit dat iemand een ziekte heeft of heeft gehad maakt namelijk nog niet dat sprake is van ongeschiktheid voor de functie. Het is aan de werkgever om te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat de werknemer tijdens de sollicitatie een meldingsplicht had, waarbij een verband tussen de aard van de functie en de beperkingen van de werknemer aannemelijk gemaakt moeten worden.
Volgens de Staat heeft de kantonrechter hiermee een onjuist criterium toegepast. Daarop zal hierna nader worden ingegaan.
Het hof zal eerst ingaan op de kritische kanttekening die de Staat heeft gemaakt bij de op haar rustende stelplicht. Hierover heeft de Staat aangevoerd dat op [de ambtenaar] een verzwaarde stelplicht (het hof veronderstelt dat door de Staat bedoeld zal zijn: verzwaarde informatieplicht) rust omdat hij als enige over het gehele verzuimdossier beschikt en over alle medische informatie die de Staat als werkgever niet kent.
3.4.7.
Het hof is van oordeel dat [de ambtenaar] in deze procedure openheid heeft gegeven over zijn medische situatie en over zijn verzuimverleden bij DV&O. [de ambtenaar] had in eerste aanleg al veel documenten in het geding gebracht en hij heeft deze in hoger beroep aangevuld. Daarna heeft de Staat niet meer aangevoerd welke gegevens nog ontbreken. Het hof is van oordeel dat [de ambtenaar] ruimschoots aan zijn verplichting tot het verstrekken van gegevens heeft voldaan. Het hof is dus van oordeel dat [de ambtenaar] heeft voldaan aan de verzwaarde informatieplicht.
3.4.8.
Uit die gegevens blijkt dat [de ambtenaar] psychische klachten heeft die geen verband houden met het werk en die chronisch van aard zijn. [de ambtenaar] had deze klachten al lange tijd en ruimschoots vóór zijn werk bij DV&O. Hij is weliswaar meermaals ziek uitgevallen voor dat werk, maar niet vanwege de specifieke functie-eisen - althans daarvan blijkt niet - en hij is steeds volledig hersteld en hij was voorafgaand aan het werk bij DV&O medisch gekeurd. Het is niet zo dat het werk de klachten veroorzaakt of uitlokt (de ‘trigger’ vormt). Het is ook niet zo, althans daarvan blijkt niets, dat de specifieke beperkingen van zijn chronische psychische klachten hem belemmeren in de uitvoering van, dan wel ongeschikt maken voor juist deze specifieke functie bij DV&O en/of de rechtbank [rechtbank] . Anders gezegd, [de ambtenaar] zou ook ziek zijn geworden in elke willekeurig andere functie.
Feitelijk is het ook niet zo geweest dat [de ambtenaar] is uitgevallen vanwege een specifieke functie-eis in de nieuwe baan bij de rechtbank [rechtbank] . Hij is ziek geworden toen hij werd ingewerkt op de postkamer. Dat was geen stresserende werkomgeving.
3.4.9.
Zoals hiervoor al is vermeld, is de Staat van mening dat de kantonrechter niet het juiste criterium heeft toegepast. Volgens de Staat is het criterium niet volledig, omdat de sollicitant volgens de Staat ook mededeling moet doen van zijn ziekte wanneer de ziekte het verrichten van de wezenlijke functievereisten niet in absolute zin belet, maar de sollicitant (ernstige belemmeringen) zal ervaren bij het vervullen van de functie.
Het hof verwerpt dat standpunt. Niet is gebleken dat [de ambtenaar] wist of had moeten begrijpen dat zijn ziekte hem ongeschikt maakte voor de betrekking waarop hij solliciteerde (vgl. HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4170, NJ 1981, 507 Mijnals/DSM). Bovendien zou het standpunt van de Staat ertoe leiden dat iedere chronisch zieke mededeling moet doen van zijn chronische ziekte bij een sollicitatie - omdat de kans op ziek worden nu eenmaal veel groter is - dus ook als de ziekte of het risico op ziek worden niets te maken heeft met die functie. Dat acht het hof niet juist en in strijd met de bescherming die de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (en de daaraan ten grondslag liggende Europese Richtlijn 2000/78/EG) beoogt te bieden aan chronisch zieke werknemers. De verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2001-2002, 28 169, nr. 3 p. 35) leidt niet tot een ander oordeel. Het door de Staat weergegeven citaat uit de wetsgeschiedenis volgt op enkele voorbeelden die juist zien op het probleem dat de handicap of ziekte maken dat niet aan bepaalde functie-vereisten kan worden voldaan: een visueel gehandicapte kan geen buschauffeur worden; werken op een kinderboerderij leidt tot onoverkomelijke problemen voor iemand met een astmatische aandoening. Daarvan is bij [de ambtenaar] geen sprake. [de ambtenaar] heeft niet een ziekte die hem ongeschikt maakt voor de functie. Er is geen reden om ervan uit te gaan dat [de ambtenaar] de functie niet volledig (zonder enige beperking ten aanzien van de functie-eisen) kan uitvoeren wanneer hij weer is hersteld. Dat kon hij eerder ook na perioden van ziekte toen hij nog complexbeveiliger was bij DV&O. De functie bij de rechtbank [rechtbank] is minder zwaar dan die bij DV&O en juist omdat de functie minder zwaar is, heeft [de ambtenaar] ingeschat dat zijn chronische ziekte geen probleem zou vormen. Dat werd bevestigd door de bedrijfsarts van DV&O. Volgens de Staat is het maar de vraag of dat oordeel van de bedrijfsarts correct is, omdat niet vast staat wat [de ambtenaar] aan de bedrijfsarts heeft verteld over de functie bij de rechtbank [rechtbank] . Het hof is van oordeel dat dit niet nader onderzocht hoeft te worden, omdat uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat [de ambtenaar] ook zonder dat advies van de bedrijfsarts niet hoefde te spreken over zijn chronische ziekte. Het hof is dus van oordeel dat de kantonrechter het juiste criterium op een juiste manier heeft toegepast en hetgeen de Staat heeft aangevoerd over de norm van goed ambtenaarschap en de invulling daarvan (de door de Staat genoemde gedragscodes en de ambtseed), ligt daarin besloten.
3.4.10.
Het hof is dus van oordeel dat [de ambtenaar] niet verwijtbaar heeft gehandeld (de zogenaamde e-grond van artikel 7:669 lid 3 BW). Volgens de Staat is echter ook sprake van een verstoorde verhouding (de zogenaamde g-grond). Het hof begrijpt dat de rechtbank [rechtbank] vindt dat haar vertrouwen is beschaamd. De rechtbank [rechtbank] ervaart dat zo (maar dat is op grond van het voorgaande niet terecht). Andersom is het zo dat de hele gang van zaken ook [de ambtenaar] enorm heeft geraakt. Dat alles betekent echter niet dat sprake is van een verstoring in de verhouding die niet vatbaar is voor herstel. De beslissing van de kantonrechter (die het hof juist acht) zal voor de rechtbank [rechtbank] aanleiding moeten zijn om het vertrouwen te herstellen (voor zover dat nog aan de orde is gelet op het naderende einde van de wachttijd). De wijze waarop [de ambtenaar] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard, biedt daarvoor voldoende opening.
3.4.11.
Het hof zal dus de verzoeken II en III om een datum te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, afwijzen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. De standpunten waarvan de Staat heeft aangeboden bewijs te leveren, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten (verzoek IV / beroepsgrond 9)
3.5.
Aangezien de arbeidsovereenkomst niet tot een einde komt, is er geen aanleiding om een oordeel te geven over de vraag of [de ambtenaar] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. De Staat heeft subsidiair verzocht dat het hof toch een oordeel geeft over de vraag of [de ambtenaar] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. Dit verzoek is (zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd is toegelicht) uitsluitend ingegeven om het UWV, althans de bestuursrechter te beïnvloeden. De Staat is namelijk eigen risicodrager voor wat betreft eventuele uitkeringen aan [de ambtenaar] . Het hof is van oordeel dat dat verzoek een onaanvaardbare doorkruising van de bestuursrechtelijke rechtsgang is (zoals al eerder door dit hof is overwogen op 11 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1250, rov. 3.20).
Doorbetaling op grond van artikel 8.3 CAO Rijk (verzoek VI / beroepsgrond 6)
3.6.
Op grond van de CAO Rijk heeft [de ambtenaar] mogelijk recht op een maandinkomen na het eindigen van de arbeidsovereenkomst wanneer hij arbeidsongeschikt blijft, maar dat recht heeft hij op grond van artikel 8.3 van de cao niet wanneer [de ambtenaar] is ontslagen om een dringende reden. De Staat heeft verzocht dat het hof voor recht verklaart dat [de ambtenaar] op grond van artikel 8.3 geen recht heeft op betaling van dat maandinkomen. Het uitgangspunt van dat verzoek (dat er een einde komt aan de arbeidsovereenkomst) is echter in dit geval niet aan de orde en overigens acht het hof van een dringende reden geen sprake.
Recht op loon (verzoek V / beroepsgrond 7)
3.7.1.
Volgens de Staat heeft [de ambtenaar] het recht op loon verloren, althans is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij het loon aan [de ambtenaar] moet betalen in de hier aan de orde zijnde situatie. De Staat wil dat het hof voor recht verklaart dat [de ambtenaar] geen recht heeft op het (volledige) loon vanaf 2 januari 2024, althans vanaf een door het hof vast te stellen datum.
3.7.2.
Het hof is van oordeel dat sowieso niet valt in te zien waarom het loon met terugwerkende kracht aan [de ambtenaar] zou kunnen worden onthouden. Waarom het loon in de periode van 2 tot 15 januari 2024 niet verschuldigd zou zijn, is niet duidelijk. [de ambtenaar] heeft in die periode gewerkt. Verder heeft [de ambtenaar] terecht erop gewezen dat lid 7 van artikel 7:629 BW in de weg staat aan een loonstop met terugwerkende kracht.
Het hof is van oordeel dat het standpunt van de Staat sowieso moet worden verworpen. De Staat heeft een beroep gedaan op sub a van lid 3 van artikel 7:629 BW, maar in dit geval heeft geen aanstellingskeuring plaatsgevonden. Die bepaling mist dus toepassing. Volgens de Staat moet die bepaling echter ruim worden uitgelegd. Volgens de Staat kan die bepaling ook van toepassing zijn wanneer geen aanstellingskeuring heeft plaatsgevonden. Daartoe is volgens de Staat aanleiding omdat [de ambtenaar] inlichtingen had moeten geven over zijn gezondheidstoestand. Zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat dit uitgangspunt onjuist is.
Slotsom (verzoeken VII en VIII)
3.8.1.
De Staat wil dat [de ambtenaar] wordt veroordeeld om de proceskosten die zij aan [de ambtenaar] heeft voldaan ter uitvoering van de beschikking van de kantonrechter, aan haar terugbetaalt. Het hof wijst dat verzoek af. Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van de Staat faalt en dat de Staat terecht is veroordeeld in de proceskosten.
3.8.2.
Het hof zal de Staat veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de ambtenaar] zullen vastgesteld worden op:
- -
griffierechten € 349,-
- -
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II)
- -
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.955,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.