9 november 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/282HR
NS/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.V. Kist,
t e g e n
CA-LA B.V., gevestigd te Elsloo, gemeente Stein,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 14 augustus 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: Ca-La - gedagvaard voor het Kantongerecht te Sittard en gevorderd Ca-La te veroordelen aan [eiser] te betalen de somma van ƒ 451.236,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 1997.
Ca-La heeft de vordering bestreden.
Nadat [eiser] bij conclusie van repliek zijn vordering met ƒ 11.238,-- had verminderd, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 6 januari 1999 de zaak naar de rol verwezen voor uitlating partijen.
Tegen dit tussenvonnis heeft Ca-La hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.
Bij vonnis van 3 juni 1999 heeft de Rechtbank het tussenvonnis vernietigd en opnieuw beslissende de vordering van [eiser] afgewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ca-La heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Op 18 mei 1994 is [eiser], die toen in dienst was van Ca-La, gewond geraakt tengevolge van een gasexplosie tijdens werkzaamheden die hij in opdracht van Ca-La verrichtte bij champignonkwekerij [...] te Kerkdriel. Deze had aan AEM en/of [A] B.V. opdracht gegeven tot het desbetreffende werk, dat door Ca-La in onderaanneming was aangenomen of waartoe [eiser] door Ca-La was uitgeleend aan of tewerkgesteld bij AEM of [A].
3.2 In hoger beroep heeft de Rechtbank [eisers] vordering tot vergoeding van de tengevolge van het ongeval door hem geleden schade afgewezen op grond van, kort samengevat, de volgende overwegingen. Krachtens het hier toepasselijke artikel 7A:1638x BW (oud) rust op [eiser] de bewijslast van het door hem gestelde tekortschieten door Ca-La in het ter beschikking stellen van een veilige werkplek voor haar werknemers. Aan een bewijsopdracht terzake komt de Rechtbank echter niet toe. Beslissend is immers, aldus de Rechtbank, of Ca-La en haar hulppersonen de in genoemd artikel bedoelde zorg voor de veiligheid van de op het bouwterrein werkzame personen genoegzaam in acht hebben genomen, en dat is naar het oordeel van de Rechtbank het geval, nu uit het door de Inspectiedienst SZW opgemaakte ongevalsrapport blijkt dat na zorgvuldig onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden om één van de betrokken firma's verantwoordelijk te achten voor het ongeval.
3.3 De eerste twee onderdelen van het middel, ten aanzien waarvan Ca-La zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, zijn gegrond. Het eerste onderdeel bestrijdt terecht het oordeel van de Rechtbank dat artikel 7A:1638x BW (oud) in dit geding toepasselijk is. Het op 1 april 1997 in werking getreden artikel 7:658 BW heeft immers onmiddellijke werking (HR 10 december 1999, nr. 98/202, NJ 2000, 211). Derhalve slaagt ook het tweede onderdeel, dat de Rechtbank verwijt ten onrechte de bewijslast op [eiser] te hebben gelegd. Ingevolge artikel 7:658 is de werkgever in gevallen als dit aansprakelijk voor de door de werknemer geleden schade, tenzij de werkgever aantoont, voorzover hier aan de orde, dat hij de in lid 1 van die bepaling genoemde zorgplicht is nagekomen.
3.4 Onderdeel 3 betreft het oordeel van de Rechtbank over de aansprakelijkheid van Ca-La voor het eventuele tekortschieten in de zorgplicht voor de veiligheid van de werknemers op het bouwterrein door derden. Wat dat betreft heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat [eiser] Ca-La aansprakelijk kan houden als het ongeval is te wijten aan enig tekortschieten in bedoelde zorgplicht door derden aan wie zij de nakoming daarvan heeft toevertrouwd of overgelaten, omdat deze derden in zoverre zijn te beschouwen als "hulppersonen" waarvan Ca-La gebruik maakt bij het nakomen van haar verplichting om voor de veiligheid van haar werknemers te zorgen. Ook art. 7:658 lid 1 BW beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen het in dit artikel bedoelde gevaar. Het heeft slechts de strekking de werknemer in zoverre tegen dit gevaar te beschermen als redelijkerwijs in verband met de arbeid gevergd kan worden. Daarvan uitgaande kan niet gezegd worden dat de werkgever ingevolge genoemd artikel aansprakelijk is voor de gevolgen van een aan de werknemer overkomen ongeval, wanneer dit in geen enkel opzicht is te wijten aan enig tekortschieten door hulppersonen van de werkgever in de op hen rustende zorgverplichting voor de veiligheid van de werknemers, maar daaraan dat in dienst of ten behoeve van de-ze laatsten werkzame personen - ondanks voldoende instructies en toezicht - de terzake geldende veiligheidsvoorschriften niet hebben nageleefd (HR 1 juli 1993, nr. 15010, NJ 1993, 687). Het onderdeel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.
3.5 Wat hiervoor in 3.3 is overwogen, brengt mee dat de onderdelen 4 en 5 geen behandeling behoeven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 3 juni 1999;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Ca-La in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 9.594,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, C.H.M. Jansen, A.G. Pos en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 november 2001.