25 mei 2012
Eerste Kamer
12/00515 (CW 2999 B)
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 november 2011, nr. HV 200.093.153/01.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 229658/FT-RK 11.673 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2011;
b. het arrest in de zaak HV 200.093.153/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 november 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen voornoemd arrest heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De voordracht tot cassatie van de Procureur-Generaal is aan dit arrest gehecht.
De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch is over alle goederen die aan [betrokkene 1] toebehoren of zullen toebehoren, een bewind ingesteld als bedoeld in art. 1:431 lid 1 BW.
(ii) Bij verzoekschrift van 14 april 2011 heeft [betrokkene 1], in deze vertegenwoordigd door haar advocaat mr. P.A. Schippers, zich gewend tot de rechtbank 's-Hertogenbosch met het verzoek de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren. Bij vonnis van 24 augustus 2011 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.
(iii) [Betrokkene 1] is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 22 november 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd op de grond dat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 288 lid 1, aanhef en onder b en c, F. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek van [betrokkene 1] en het door haar ingestelde hoger beroep heeft het hof het volgende overwogen:
"3.1. Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [betrokkene 1] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld.
3.2. Uit de brief van mr. Schippers van 10 november 2011 met daarbij als bijlage een brief d.d. 10 november 2011 van [betrokkene 2], de beschermingsbewindvoerder, blijkt dat deze instemt met het verzoek van [betrokkene 1] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en met het hoger beroep dat [betrokkene 1] heeft ingesteld, zodat [betrokkene 1] in zoverre ontvankelijk is in haar verzoek en in het hoger beroep."
3.2 De Procureur-Generaal heeft gevorderd dat het arrest van het hof, waartegen geen gewoon rechtsmiddel is ingesteld, in het belang der wet wordt vernietigd. Het daartoe aangevoerde middel klaagt dat:
1) het hof het recht heeft geschonden door het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ontvankelijk te oordelen, hoewel alle tegenwoordige en toekomstige goederen van degene die toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht, onder bewind zijn gesteld als bedoeld in titel 19 van boek 1 BW en de met betrekking tot die goederen aangestelde bewindvoerder niet mede als verzoeker is opgetreden, althans,
2) het hof, indien het de bewindvoerder op grond van de latere brief van 10 november 2011 als formele procespartij heeft aangemerkt, niet of niet voldoende duidelijk heeft gemaakt of het werkelijk in die zin heeft geoordeeld en evenmin op welke gronden het tot dat oordeel is gekomen.
3.3 Het middel gaat aldus ervan uit dat een schuldenaar over wiens tegenwoordige en toekomstige goederen op de voet van Titel 19 van Boek 1 BW bewind is ingesteld, in een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts kan worden ontvangen indien dat verzoek mede wordt ingediend door de in art. 1:435 BW bedoelde bewindvoerder (hierna: de beschermingsbewindvoerder).
Dat uitgangspunt vindt geen steun in de wet.
De indiening van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken kan niet worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen waartoe de beschermingsbewindvoerder ingevolge art. 1:438 lid 1 BW bij uitsluiting bevoegd is. Het is ook geen daad van beschikking over de onder bewind staande goederen, die de schuldenaar ingevolge art. 1:438 lid 2 slechts met zijn medewerking (of machtiging van de kantonrechter) zou kunnen verrichten. Het indienen van een zodanig verzoek behoort dan ook niet tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek. Evenmin kan worden aangenomen dat de schuldenaar over wiens goederen bewind is ingesteld slechts samen met de beschermingsbewindvoerder bevoegd is toepassing van de schuldsaneringsregeling te verzoeken.
Een en ander neemt niet weg dat het bewind en de houding van de beschermingsbewindvoerder met betrekking tot het verzoek relevante omstandigheden vormen die de rechter bij zijn beslissing op het verzoek in aanmerking dient te nemen. Indien het standpunt van de beschermingsbewindvoerder niet voldoende bekend is, dient hij door de rechter te worden opgeroepen teneinde te worden gehoord op het verzoek om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot genoemd verzoek geldt eveneens voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek.
3.4 Het voorgaande brengt mee dat het middel geen doel treft.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de vordering af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 mei 2012.