3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Hasbro c.s. zijn gespecialiseerd in het ontwerpen, fabriceren en verhandelen van spellen en speelgoed, waaronder de serie speelgoedponyfiguren “My Little Pony”. Hasbro c.s. verkopen hun producten via groothandelaren en detaillisten aan consumenten in binnen- en buitenland. My Little Pony is begin jaren tachtig op de markt gebracht. Er bestaat inmiddels een aantal generaties My Little Pony-figuren. In deze procedure staat centraal de derde generatie My Little Pony, die het in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 afgebeelde uiterlijk vertoont.
(ii) Het Simba-concern is sinds 1982 op de speelgoedmarkt actief en brengt onder meer speelgoedpony's op de markt. Het verhandelt zijn producten wereldwijd.
(iii) Bij vonnis van 30 juli 2007 (ECLI:NL:RBROT:2007:BB0755) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam in een eerdere procedure tussen Hasbro c.s. en Simba de verdere openbaarmaking en verveelvoudiging door Simba van de “Little Fairy & Pony” (waarin een speelgoedpony is opgenomen, hierna te noemen: Simba Pony I) verboden en bevolen niet langer inbreuk te maken op de auteursrechten van Hasbro c.s. ter zake van haar “Ponyville”.
(iv) Vervolgens heeft het Simba-concern een aangepaste versie van de Simba Pony I op de markt gebracht: de Simba Pony II. Deze pony wordt tezamen met een poppetje verkocht in het product “Little Fairy & Pony” in de Evi-serie van Simba c.s. (afgebeeld in de inleidende dagvaarding onder 3.3). Daarnaast komt de Simba Pony II ook voor in twee andere producten van Simba c.s., te weten “'Unicorn Friends” en “Dream House”. De Simba Pony II heeft het uiterlijk dat in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2 is afgebeeld.
3.2
In dit kort geding vorderen Hasbro c.s., kort gezegd, een verbod jegens Simba c.s. om, met het verhandelen van de Simba Pony II, nog langer inbreuk te maken op de auteursrechten van Simba c.s. op My Little Pony en om onrechtmatig te handelen door het slaafs nabootsen van My Little Pony, een en ander met nevenvorderingen.
3.3
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Hasbro c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat My Little Pony in haar land van oorsprong, de Verenigde Staten van Amerika, auteursrechtelijk wordt beschermd. Op grond van art. 2 lid 7 Berner Conventie geniet My Little Pony daarom in Nederland geen auteursrechtelijke bescherming. Wel achtte de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat sprake was van slaafse nabootsing. Op die grondslag wees de voorzieningenrechter een aantal van de vorderingen van Hasbro c.s. toe.
Het hof heeft My Little Pony wel auteursrechtelijk beschermd geoordeeld en heeft de vorderingen van Hasbro c.s. (grotendeels) toegewezen zowel op de grondslag van het auteursrecht als op die van slaafse nabootsing. Het heeft Simba c.s. veroordeeld in de proceskosten, waarbij het 80% van de door Hasbro c.s. opgevoerde kosten heeft toegerekend aan de auteursrechtelijke grondslag van de vordering en op de voet van art. 1019h Rv heeft begroot.
3.4
De klachten van onderdeel I betreffen de overwegingen die betrekking hebben op de auteursrechtelijke grondslag van de vorderingen, die van onderdeel II hebben betrekking op de grondslag slaafse nabootsing.
Auteursrechtelijke grondslag en art. 36 VWEU
3.5.1
Onderdeel I is gericht tegen rov. 10.1; het onderdeel noemt ook rov. 10.2, maar behelst geen klachten tegen die overweging. De bestreden overweging luidt:
“In principale grief IV hebben Simba c.s. een betoog ontvouwen dat er op neerkomt dat het bestreden vonnis moet worden gezien als een ongeoorloofde handelsbelemmering en als leidend tot willekeurige discriminatie. Door thans in Nederland de Simba Pony II van de markt te halen wegens auteursrechtinbreuk of slaafse nabootsing terwijl deze pony in de rest van Europa wel mag worden verhandeld omdat Hasbro c.s. elders niet (met succes) optreden tegen deze pony, ontstaat strijd met de grondbeginselen van de Europese Unie c.q. artikelen 34 en 35 VWEU, zo begrijpt het hof de stellingen van Simba c.s. Het hof verwerpt dit betoog wat betreft het auteursrecht onder verwijzing naar artikel 36 VWEU, waaronder ook de bescherming van het auteursrecht valt. Simba c.s. hebben niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten, als bedoeld in artikel 36 VWEU, laatste zin. Principale grief IV faalt in zoverre. Wat betreft slaafse nabootsing verwijst het hof naar rechtsoverweging 12.6 hierna.”
Onderdeel I.I laat zich als volgt samenvatten.
Art. 36 VWEU is niet (langer) van toepassing op handelsbeperkingen die voortvloeien uit geharmoniseerde wetgeving zoals het auteursrecht. Dit geldt volgens de klacht in het bijzonder waar het auteursrechtelijk werkbegrip en verveelvoudigingsrecht Unierechtelijk zijn geharmoniseerd en als hypothetisch feitelijke grondslag in cassatie geldt dat de Simba Pony II in de rest van Europa wel mag worden verhandeld omdat Hasbro c.s. elders niet (met succes) tegen de verhandeling optreden, nu daar geen sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk en/of geen sprake is van auteursrechtinbreuk. De uitzondering van art. 36 VWEU voor IE-rechten stamt uit een tijd waarin het auteursrecht nog op geen enkele wijze was geharmoniseerd en is niet langer gerechtvaardigd in een geval als het onderhavige. Bovendien moeten de art. 34-36 VWEU worden uitgelegd in de geest van het TRIPs-verdrag (preambule) om verstoringen en belemmeringen voor de internationale handel te verminderen en te vermijden dat IE-handhavingsmaatregelen niet zelf hinderpalen voor legitiem handelsverkeer worden.
3.5.2
Het onderdeel faalt.
Art. 36 VWEU bepaalt dat de art. 34 en 35 VWEU geen beletsel vormen voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, indien deze gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van (onder meer) de industriële eigendom. Het artikel voegt daaraan toe dat deze aldus aanvaarde verboden of beperkingen echter geen middel mogen vormen tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten.
Het onderdeel betoogt terecht dat zonder de in art. 36 VWEU vervatte uitzondering op de verboden van de art. 34 en 35 VWEU een adequate en doeltreffende bescherming van de rechten van intellectuele eigendom niet goed mogelijk zou zijn. Dat vindt zijn oorzaak daarin dat de op het niveau van de lidstaten toegekende rechten niet alle steeds hetzelfde niveau van bescherming bieden en zij tot de desbetreffende lidstaat beperkte territoriale werking bezitten. Als gevolg daarvan kan in de afzonderlijke lidstaten de bescherming uiteenlopen die rechthebbenden aan hun rechten van intellectuele eigendom met betrekking tot een bepaald rechtsobject ontlenen, hetgeen, mede als gevolg van de genoemde territoriale werking, tot het ontstaan van door de art. 34 en 35 VWEU verboden handelsbelemmeringen kan leiden.
Waar sprake is van voor de gehele Unie geldende rechten, zoals die welke voortvloeien uit de Verordeningen inzake het gemeenschapsmerk en het gemeenschapsmodel, treden dergelijke belemmeringen niet op, zodat aan de uitzondering van art. 36 VWEU in dergelijke gevallen geen behoefte bestaat. De omstandigheid dat de nationale wetgevingen van de lidstaten inzake een aantal rechten van intellectuele eigendom tot op zekere hoogte zijn geharmoniseerd, zoals het geval is met het auteurs- en het merkenrecht (op grond van de Richtlijnen 2001/29/EG en 2008/95/EG), leidt evenwel niet tot dezelfde gevolgtrekking. Niet alleen betreft die harmonisatie niet de volledige nationaalrechtelijke regeling van de desbetreffende rechten, de richtlijnen laten de lidstaten bovendien op verschillende punten keuzevrijheid, zoals bijvoorbeeld in art. 5 lid 3 van Richtlijn 2001/29/EG en in art. 5
lid 2 Richtlijn 2008/95/EG. Aldus blijven ook onder Unierechtelijk geharmoniseerd nationaal recht van intellectuele eigendom tussen het recht van de afzonderlijke lidstaten verschillen bestaan die, in combinatie met de territoriale begrenzing van de nationale rechten, de toepasselijkheid van art. 36 VWEU rechtvaardigen en zelfs noodzakelijk maken voor een adequate en doeltreffende bescherming van die rechten van intellectuele eigendom.
3.5.3
Voor zover al geoordeeld zou kunnen worden dat het vorenstaande niet met voldoende zekerheid uit de rechtspraak van het HvJEU voortvloeit en ook niet gezegd kan worden dat over deze kwestie redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, ziet de Hoge Raad geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, nu het hier een kort geding betreft.
3.5.4
Zoals vermeld, beperkt art. 36 VWEU de uitzondering voor (onder meer) rechten van intellectuele eigendom in die zin dat de in weerwil van de art. 34 en 35 VWEU aanvaarde verboden of beperkingen geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten mogen vormen. Simba c.s. hebben in feitelijke instanties aangevoerd dat daarvan in dit geval sprake is, waartoe zij zich hebben beroepen op een aantal omstandigheden, als vermeld in onderdeel I.7 van de cassatiedagvaarding. Het hof heeft dat verweer verworpen met de overweging (in de hiervoor aangehaalde rov. 10.1) dat Simba c.s. niet hebben onderbouwd waarom sprake zou zijn van willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten. Daartegen richt zich onderdeel I.II met een rechts- en motiveringsklacht. Het betoogt dat het hof, dat aan deze stellingen geen kenbare aandacht heeft besteed zodat in cassatie van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan, te zware eisen heeft gesteld aan de stelplicht van Simba c.s. terzake, althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven.
3.5.5
De in het onderdeel vermelde, door Simba c.s. gestelde omstandigheden zijn in hoger beroep door Hasbro c.s. tegengesproken door middel van de stellingen, opgenomen in het incidenteel cassatiemiddel onder 2.2. Nu het hier een kort geding betreft, waarin slechts in beperkte mate plaats is voor onderzoek naar feiten, moet het oordeel van het hof aldus worden begrepen dat het de door Simba c.s. gestelde omstandigheden, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Hasbro c.s., niet aannemelijk heeft geacht. Reeds daarop stuiten de klachten van het onderdeel af. Bovendien valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom de gestelde omstandigheden willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten zouden opleveren. Ook onderdeel I.II mist derhalve doel.
Toe te passen maatstaf voor slaafse nabootsing
3.6.1
Onderdeel II.I is gericht tegen rov. 12.3 (en de voortbouwende rov. 12.4 en 12.5). In rov. 12.3 overwoog het hof, na in rov. 12.2 de aan HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6999, NJ 2011/302 ontleende toetsingsnorm voor slaafse nabootsing te hebben weergegeven:
“De voorzieningenrechter is in het bestreden vonnis ook van deze maatstaf uitgegaan, zulks terecht volgens grief II van Simba c.s. Voor zover Simba c.s. ten pleidooie in hoger beroep hebben betoogd dat een andere maatstaf dient te worden aangelegd - namelijk Richtlijn 2005/29/EG c.q. artikel 6:193b e.v. BW - is sprake van een nieuwe grief waar het hof geen acht op slaat omdat deze te laat in het geding naar voren is gebracht.”
Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat Simba c.s. in hoger beroep hebben betoogd dat een andere maatstaf dient te worden aangelegd en het hof, door geen acht te slaan op dat betoog op de grond dat sprake is van een te laat naar voren gebrachte, nieuwe grief, heeft miskend (i) dat de te hanteren maatstaf door grief II van Simba c.s. reeds betrokken was in de rechtsstrijd in hoger beroep, (ii) Simba c.s. geen grief behoefden te richten tegen de in eerste aanleg aangelegde maatstaf, nu dat oordeel een zuiver rechtsoordeel is, en (iii) het hof op grond van art. 25 Rv zelfs ambtshalve de juistheid van de door de voorzieningenrechter aangelegde maatstaf diende te onderzoeken.
3.6.2
Dit betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting, zodat de klachten falen.
De door de voorzieningenrechter aangelegde toetsingsmaatstaf voor de gestelde slaafse nabootsing – kort gezegd: de in de bestaande rechtspraak ontwikkelde maatstaf, zoals weergegeven in rov. 12.2 van het bestreden arrest – is door Simba c.s. in de memorie van grieven niet bestreden; zij hebben in grief II (onder 3.5) zelfs met zoveel woorden gesteld dat de voorzieningenrechter de juiste maatstaf had gekozen. De grief hield slechts in dat de voorzieningenrechter die maatstaf onjuist had gehanteerd.
Dat namens Simba c.s. bij pleidooi het oordeel van de voorzieningenrechter omtrent het toetsingskader alsnog is bestreden, is door het hof als een nieuwe en daarom te laat naar voren gebrachte grief bestempeld, welk oordeel als zodanig in cassatie terecht niet is bestreden. De vraag aan de hand van welke maatstaf beoordeeld dient te worden of Simba c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan slaafse nabootsing maakte derhalve geen deel uit van de door de grieven bepaalde rechtsstrijd in hoger beroep.
Nu de vraag naar de hier toepasselijke maatstaf de openbare orde niet raakt – het middel betoogt ook niet anders – had het hof ook niet de vrijheid ambtshalve de door Simba c.s. alsnog aangewezen maatstaf toe te passen en op die grond tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg over te gaan.
3.6.3
Het vorenstaande brengt mee dat de klachten van onderdeel II.II, die voortbouwen op de klachten van onderdeel II.I, eveneens falen.
Toepassing maatstaf slaafse nabootsing
3.7.1
De onderdelen II.III, II.IV en II.IVbis (zoals de Hoge Raad de, kennelijk abusievelijk, eveneens als onderdeel II.IV aangemerkte reeks klachten van II.14-II.16 zal aanduiden) hebben betrekking op de wijze waarop het hof de toegepaste maatstaf voor slaafse nabootsing, als weergegeven in rov. 12.2 van het bestreden arrest, heeft gehanteerd.
3.7.2
Onderdeel II.III houdt de rechtsklacht in dat het hof (in rov. 12.2-12.5) bij zijn beoordeling van het slaafs nabootsend karakter niet (voldoende kenbaar) heeft vastgesteld dat het ontwerp van Hasbro c.s. zich (aanmerkelijk) onderscheidt van andere producten op de markt en/of ten opzichte daarvan onderscheidend vermogen heeft, zoals de voorzieningenrechter (in de laatste zin van rov. 4.8) wel had gedaan.
Deze klacht mist doel. Tegen het genoemde oordeel van de voorzieningenrechter hebben Simba c.s. geen grief gericht. In de memorie van grieven wordt aan de vraag naar het ‘eigen gezicht’ van het product van Hasbro c.s. en ‘de eigen plaats in de markt’ daarvan ook geen aandacht besteed. Het hof behoefde aan dat aspect dan ook geen nadere aandacht te schenken.
3.7.3
Daarom kan ook onderdeel II.IV-a niet tot cassatie leiden, nu dat, blijkens het voorgaande ten onrechte, veronderstelt dat het hof zijn oordeel dat het product van Hasbro c.s. zich (aanmerkelijk) onderscheidt van andere producten op de markt, besloten gelegen heeft geacht in zijn oordeel dat My Little Pony een eigen, oorspronkelijk karakter in auteursrechtelijke zin bezit.
3.7.4
De overige klachten van de onderdelen II.IV, alsmede die van onderdeel II.IVbis kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Verbod op grondslag slaafse nabootsing ongeoorloofde handelsbelemmering?
3.8.1
Onderdeel V is gericht tegen rov. 12.6, luidende:
“Ten slotte hebben Simba c.s. in principale grief IV een betoog ontvouwen dat er op neerkomt dat het bestreden vonnis moet worden gezien als een ongeoorloofde handelsbelemmering en als leidend tot willekeurige discriminatie (zie ook rechtsoverweging 10 hiervoor). Daarbij voeren zij aan dat het leerstuk van slaafse nabootsing niet valt te scharen onder 'industriële en commerciële eigendom' als bedoeld in artikel 36 VWEU. Naar het oordeel van het hof is, gelet op HvJ EG 2 maart 1982, zaak 6/81, Jur. 1982, p. 707, NJ 1983, 212 (IDG/Beele), geen sprake van een ongeoorloofde handelsbelemmering. Aan de in dat arrest genoemde voorwaarden met betrekking tot de toelaatbaarheid van een beperking als de onderhavige van het vrij verkeer van goederen, wordt in casu voldaan. Principale grief IV faalt dus. Terzijde merkt het hof daarbij op dat aangenomen moet worden dat de onderhavige Simba-producten niet afkomstig zijn uit een andere Europese lidstaat waar zij rechtmatig in het verkeer zijn gebracht, doch dat zij van buiten de Europese Unie afkomstig zijn: in rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter aangenomen dat de Simba pony's in Hong Kong worden geproduceerd en rechtstreeks worden verscheept naar Nederland ten behoeve van de Nederlandse afnemers; tegen die overweging is geen grief gericht.”
Het onderdeel klaagt over schending van art. 34-36 VWEU doordat het hof heeft miskend dat de door het hof toegepaste in de rechtspraak ontwikkelde ‘rule of reason’ hier geen toepassing vindt, in het bijzonder nu het recht met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken ten aanzien van producten die bestemd zijn voor consumenten, in de Europese Unie volledig is geharmoniseerd (door Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005, hierna: de Richtlijn OHP), welke harmonisatie ten doel heeft bij te dragen aan de goede werking van de interne markt.
3.8.2
Bij de beoordeling van deze klacht zal ervan worden uitgegaan dat voor de toepasselijkheid van art. 30 VWEU en de evenbedoelde ‘rule of reason’ geen betekenis toekomt aan de omstandigheid dat, naar hiervoor in 3.6.2 is overwogen, het hof terecht de in art. 6:193b e.v. BW geïmplementeerde voorschriften van Richtlijn OHP niet heeft toegepast.
3.8.3
In het door het hof vermelde arrest HvJEU 2 maart 1982, nr. C-6/81, ECLI:EU:C:1982:72, NJ 1983/212 (IDG/Beele), dat eveneens handelde over een beroep op (thans:) art. 30 VWEU van een in Nederland van slaafse nabootsing betichte producent, overwoog het HvJEU, voor zover hier van belang (in punt 7), na te hebben vooropgesteld (in punt 5) dat op communautair vlak tot dan toe geen pogingen waren gedaan de nationale regelingen ter zake van slaafse nabootsing te harmoniseren:
“dat bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de produktie en verhandeling van produkten, belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale regelingen moeten worden aanvaard, voor zover een dergelijke regeling zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten en haar rechtvaardiging vindt in de noodzaak te voldoen aan dwingende eisen onder meer verband houdend met de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties.”
en verklaarde het voor recht:
“De regels van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen verhinderen niet dat een handelaar die al gedurende geruime tijd in een Lid-Staat een produkt in de handel brengt dat zich van andere soortgelijke waren onderscheidt, op grond van een nationale rechtsregel, die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde goederen, een rechterlijk verbod kan verkrijgen jegens een andere handelaar om in die Lid-Staat verder een produkt in de handel te brengen, afkomstig uit een andere Lid-Staat waar het rechtmatig in het verkeer is gebracht, doch dat zonder noodzaak vrijwel identiek is aan het eerste produkt en daardoor nodeloos verwarring sticht tussen de twee produkten.”
3.8.4
Aan het onderdeel ligt de opvatting ten grondslag dat het arrest IDG/Beele niet langer kan worden toegepast in een geding tussen twee producenten, aangezien, anders dan destijds door het HvJEU werd vooropgesteld, het recht betreffende de slaafse nabootsing wel is geharmoniseerd, en wel in de Richtlijn OHP.
Deze opvatting is onjuist. Zoals blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.24 geciteerde passages, biedt noch de considerans (in het bijzonder onder 6, 8, 12 en 14), noch de tekst van de Richtlijn OHP (art. 3 lid 1) enig aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het toepassingsgebied van de richtlijn zich mede uitstrekt tot oneerlijke concurrentie tussen ondernemingen (waartoe de slaafse nabootsing behoort). Uit die conclusie blijkt dat ook in andere lidstaten van de Unie wordt aangenomen dat de regels voor (onder meer) slaafse nabootsing niet Unierechtelijk zijn geharmoniseerd. Er is daarom geen grond de beslissing van het arrest IDG/Beele niet langer van toepassing te achten.
3.8.5
Voor zover het vorenstaande niet als een acte clair zou moeten worden aangemerkt, ziet de Hoge Raad ook op dit punt geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, nu het hier een kort geding betreft.
3.9
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.10
Het principale beroep moet dus worden verworpen. Daarmee is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld, zodat dat geen behandeling behoeft.
3.11.1
Simba c.s. dienen te worden veroordeeld in de kosten van het principale beroep. Hasbro c.s. hebben aanspraak gemaakt op vergoeding van die kosten op de voet van art. 1019h Rv. Zij hebben een totaalbedrag opgevoerd van € 41.097,07. Het daartegen gevoerde verweer van Simba c.s. voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen, voor zover het slechts in algemene bewoordingen inhoudt dat de gevorderde kosten niet redelijk en evenredig zijn en de billijkheid zich tegen toewijzing verzet. Wel voeren Simba c.s. terecht aan dat Hasbro c.s. geen uitsplitsing hebben gemaakt van de kosten in het principale en in het incidentele beroep, noch van de kosten besteed aan de auteursrechtelijke grondslag en die betreffende de slaafse nabootsing (op welke laatste art. 1019h Rv niet van toepassing is). Voorts is in de post ‘Resterende uren re- en dupliek’ kennelijk sprake van een dubbeltelling tot een bedrag van € 4.144,--.
3.11.2
De Hoge Raad zal van het aldus op € 36.953,07 vastgestelde totaalbedrag 75% toerekenen aan het verweer in het principale beroep en daarvan 50% aan de auteursrechtelijke grondslag, zodat de Hasbro c.s. toekomende vergoeding als bedoeld in art. 1019h Rv wordt begroot op € 13.857,40. Als kosten ter zake van de grondslag slaafse nabootsing zal 50% van het liquidatietarief worden begroot.