5.1
Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof dat de waarde van de goederen behorend tot de eenvoudige gemeenschap moet worden betrokken bij de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap.
Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld.
5.2.1
Ingevolge art. IV lid 1 van de Wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen), Stb. 2002, 152, in werking getreden per 1 september 2002, is op de door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet (de art. 1:129 en 1:132 tot en met 1:145 (oud) BW).
5.2.2
Op grond van de huwelijkse voorwaarden en art. 1:138 lid 1 (oud) BW dient de vermeerdering van de vermogens van beide echtgenoten die gedurende het deelgenootschap heeft plaatsgevonden te worden gedeeld en wel zodanig dat beider vermogen met een gelijk bedrag wordt vermeerderd. De vermogensvermeerdering of -vermindering wordt vastgesteld door het stamvermogen af te trekken van de waarde van het eindvermogen. Als de ene echtgenoot meer verlies heeft geleden dan de andere echtgenoot winst heeft behaald, hoeft de andere echtgenoot slechts de door hem behaalde winst uit te keren.
5.2.3
Ingevolge art. 1:139 lid 2 en art. 1:140 lid 2 (oud) BW worden tot het vermogen van een echtgenoot al zijn goederen en schulden gerekend, met uitzondering van zijn aandeel in een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen. In de Toelichting Meijers wordt hieromtrent het volgende opgemerkt (T.M., Parl. Gesch. BW Boek 1 1962, p. 385 (nr. 5):
“Het tweede lid houdt rekening met de omstandigheid, dat naast het deelgenootschap nog een beperkte gemeenschap van goederen kan bestaan, hetgeen reeds door het bestaan van een gemeenschap van inboedel het geval is. Deze gemeenschap staat naast het deelgenootschap, het aandeel in de goederen van deze gemeenschap blijft dus buiten beschouwing; dit is van belang, wanneer een der echtgenoten in zijn vermogen meer verlies heeft geleden dan de andere in het zijne winst heeft gemaakt. Het aandeel in de goederen, die wel tussen de echtgenoten gemeen zijn, maar niet tot een huwelijksgemeenschap behoren – b.v. die waarvan zij gewone mede-eigenaars zijn – komt uit de aard der zaak wel bij de vermogensberekening in aanmerking.”
5.2.4
Uit de zojuist aangehaalde T.M. blijkt dat de uitzondering die daarin is gemaakt voor een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen, betrekking heeft op een (beperkte) huwelijksgemeenschap. Deze gemeenschap kent een eigen regeling (art. 1:93 e.v. BW; zie ook art. 3:189 lid 1 BW). Onderdeel van die regeling is dat echtgenoten van de aanvang van het huwelijk af ieder zijn gerechtigd tot de goederen die tot die gemeenschap behoren en daarin gedurende het huwelijk dus geen aandelen hebben (vgl. art. 1:94 lid 1 BW en art. 1:100 BW). Het betrekken van deze huwelijksgemeenschap in de afrekening waartoe het wettelijk deelgenootschap bij het einde van het huwelijk verplicht, kan ertoe leiden dat de werking van de huwelijksgemeenschap wordt teniet gedaan. Dit geldt niet voor een eenvoudige gemeenschap, die ontstaat indien op huwelijkse voorwaarden gehuwde echtgenoten gezamenlijk een goed verwerven, waarin zij ieder een eigen (in beginsel gelijk) aandeel hebben dat tot hun privévermogens behoort en waarover zij ieder afzonderlijk kunnen beschikken (art. 3:166 BW en 3:175 BW). In dat geval is er geen reden om het aandeel van een echtgenoot in het desbetreffende goed anders te behandelen dan de goederen waarvan hij enig eigenaar is.
5.2.5
Opmerking verdient nog dat het bij de afwikkeling van een wettelijk deelgenootschap betrekken van een door beide echtgenoten te dragen vermogensvermindering in verband met een aan de beide echtgenoten in eenvoudige gemeenschap toebehorend goed, niet zonder meer leidt tot het in het middel aangevoerde gevolg dat de vordering van een echtgenoot uit hoofde van de deling van de vermogensvermeerdering evenredig wordt verkleind. Dat verlies heeft immers gevolgen voor de vermindering of vermeerdering van de vermogens van beide echtgenoten, zodat de vordering uit hoofde van de deling van de vermogensvermeerdering per saldo dezelfde blijft. Dat laatste is slechts anders in het (hier niet aan de orde zijnde) geval dat een der echtgenoten in zijn vermogen meer verlies heeft geleden dan de andere in het zijne winst heeft gemaakt, nu in dat geval slechts de door de andere echtgenoot gemaakte winst wordt uitgekeerd (zie hiervoor in 5.2.2, art. 5 van de huwelijkse voorwaarden en art. 1:138 lid 1 (oud) BW).
5.3.1
Uit het voorgaande volgt dat op zichzelf juist is dat het hof de waarde van de woning (en de ter verwerving daarvan aangegane hypothecaire schuld) in de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap heeft betrokken. Het daartegen gerichte onderdeel I onder b is dan ook ongegrond.
5.3.2
Onderdeel I onder a slaagt evenwel. Het klaagt terecht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu door geen van partijen is bepleit dat de eenvoudige gemeenschap bij de verrekening van het deelgenootschap moet worden betrokken. De rechtbank heeft in het kader van de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap geen rekening gehouden met de eenvoudige gemeenschap (noch met de hypothecaire geldlening die partijen in dat verband zijn aangegaan). Partijen hebben tegen dat oordeel geen grieven gericht maar zijn, blijkens hun stellingen in hoger beroep, juist ervan uitgegaan dat de eenvoudige gemeenschap en de hypothecaire schuld niet bij de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap moeten worden betrokken. Het stond het hof daarom niet vrij dat wel te doen.
5.4.1
Onderdeel III klaagt onder a en b dat het oordeel van het hof, dat de echtgenoten geen rekening en verantwoording aan elkaar schuldig zijn over het door hen gevoerde beheer ten aanzien van het vermogen binnen de eenvoudige gemeenschap, rechtens onjuist is. Dat echtgenoten zijn gehuwd in voor- en tegenspoed betekent niet dat de regel van art. 3:173 BW niet geldt. Onder c wordt geklaagd dat het hof heeft nagelaten in te gaan op de essentiële stelling van de vrouw dat de man zijn beheersbevoegdheid heeft overschreden en dat hij dientengevolge aansprakelijk is voor door de vrouw als gevolg daarvan geleden schade.
5.4.2
Art. 3:173 BW, dat deel uitmaakt van titel 3.7 van Boek 3 BW, bepaalt dat ieder der deelgenoten van degene onder hen die voor de overigen beheer heeft gevoerd, jaarlijks en in ieder geval bij het einde van het beheer rekening en verantwoording kan vorderen. Ingevolge art. 3:189 lid 1 BW gelden de bepalingen van titel 3.7 niet voor de daarin genoemde bijzondere gemeenschappen, waaronder de huwelijksgemeenschap. In de onderhavige zaak is evenwel wat betreft de woning geen sprake van een huwelijksgemeenschap, maar van een eenvoudige gemeenschap. Daarop is art. 3:173 BW dan ook van toepassing.
5.4.3
Anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen, brengt de omstandigheid dat degenen die deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap zijn, met elkaar zijn gehuwd, niet mee dat art. 3:173 BW toepassing mist. In dat verband is het volgende van belang.
5.4.4
Volgens art. 1:90 lid 1 BW is een echtgenoot bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van art. 1:97 BW, tot het bestuur van goederen van een huwelijksgemeenschap. Hij hoeft ter zake van dat bestuur geen rekening en verantwoording af te leggen aan de andere echtgenoot (art. 1:138 lid 1 BW en HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790, NJ 1972/338). Dat geldt ten aanzien van het bestuur over de eigen goederen ook indien sprake is van huwelijkse voorwaarden die een verrekenbeding bevatten. Art. 1:133 (oud) BW bepaalde voor het wettelijk deelgenootschap in gelijke zin. Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot en deze laatste, zijn echter de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard van de goederen (art. 1:90 lid 3 BW). Indien een echtgenoot het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, is deze laatste dan ook in beginsel gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde bestuur (art. 1:90 lid 3 BW in verbinding met art. 7:403 lid 2 BW). Hij kan wegens nalatigheid bij dat bestuur aansprakelijk zijn overeenkomstig de bepalingen omtrent opdracht dan wel, in geval van onrechtmatig bestuur, op grond van onrechtmatige daad (vgl. Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Aanpassing BW 1991, p. 41).
5.4.5
Gelet op het voorgaande kan in zoverre ook binnen het huwelijk sprake zijn van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording en schadeplichtigheid. De aard van de tussen de echtgenoten bestaande rechtsverhouding verzet zich dus niet ertegen dat op grond van art. 3:173 BW van een echtgenoot die mede voor de andere echtgenoot beheer heeft gevoerd over (diens aandeel in) het vermogen in een eenvoudige gemeenschap, rekening en verantwoording wordt gevorderd.
5.4.6
De onderdelen III a en b slagen, nu het hof van een andere, onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het hof had bovendien moeten ingaan op de essentiële stelling van de vrouw dat de man zijn beheersbevoegdheid heeft overschreden en dat hij dientengevolge aansprakelijk is voor de door de vrouw als gevolg daarvan geleden schade. Ook onderdeel III c slaagt derhalve.