De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 september 2013;
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 april 2013;
veroordeelt de Staat en de Combinatie in de kosten van het hoger beroep, tot aan de uitspraak van het hof aan de zijde van Connexxion begroot op € 3.365,--;
veroordeelt de Staat en de Combinatie in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Connexxion begroot op € 901,89 aan verschotten en € 4.800,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Combinatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Connexxion begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, en aan de zijde van de Staat op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 juli 2018.