5.2
Beoordeling van het eerste middelonderdeel
5.2.1
Het eerste middelonderdeel voert onder meer aan dat de krachtens artikel 80 van de Wet geldende uitvoeringsbepalingen voorzien in bewijsvoering volgens de daarin uitputtend beschreven bewijsmiddelen. Het Hof heeft volgens het middel dan ook het recht geschonden doordat het ander bewijs dan een in artikel 54, lid 1, van de Uitvoeringsregeling bedoelde factuur of een in die bepaling bedoeld vervoersbescheid ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat de herkomst van de partij motorbenzine is bewezen.
5.2.2
Op de gronden die de Advocaat-Generaal in de onderdelen 2.32 tot en met 2.35 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie heeft uiteengezet, komt de Hoge Raad tot het oordeel dat artikel 54 van de Uitvoeringsregeling niet voorziet in een uitputtende beschrijving van bescheiden die kunnen dienen als bewijs van herkomst als hiervoor in 4.6 bedoeld. In zoverre faalt het eerste middelonderdeel.
5.2.3
Het eerste middelonderdeel voor het overige heeft betrekking op de uitleg en toepassing van Mededeling 61.
5.2.4
Bij de beoordeling van dit middelonderdeel voor het overige moet in aanmerking worden genomen dat de staatssecretaris van Financiën Mededeling 61 niet uit eigen beweging heeft gepubliceerd en dat het bestaan van dit besluit pas jaren na de vaststelling ervan publiek is gemaakt.
5.2.5
Volgens onderdeel 1.2 van Mededeling 61 heeft de Belastingdienst/Douane onderkend dat voor de betrokken bedrijfstak nogal wat administratieve handelingen en praktische bezwaren zijn verbonden aan de verplichting om voor de hoeveelheid restlading die aan boord blijft, een nieuw douanedocument, geleidedocument of dagaangifte op te maken (voor onveraccijnsde minerale oliën), dan wel aan de hand van de factuur of een ander handelsbescheid de herkomst ervan aan te tonen (voor veraccijnsde minerale oliën). Daarom heeft de staatssecretaris van Financiën bij dat besluit goedgekeurd dat voor minerale oliën die worden overgepompt naar sloptanks, onder bepaalde voorwaarden ontheffing wordt verleend van de krachtens de wet gestelde verplichting een voorgeschreven bescheid te hebben. Bij het stellen van die voorwaarden heeft de staatssecretaris van Financiën, voor zover mogelijk, aangesloten bij de in 2005 bestaande milieuwetgeving voor scheepsafval en ladingresiduen waarop onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer toezicht werd gehouden.
5.2.6
In onderdeel 2.3 van Mededeling 61 zijn aan de hiervoor in 5.2.5 bedoelde ontheffing de volgende voorwaarden gesteld als het gaat om restlading en residuen in sloptanks van schepen die diverse vloeistoffen vervoeren:
i) restlading wordt alleen in de sloptanks opgeslagen met het doel deze te voegen bij de eerst volgende nieuwe lading waarmee de restlading verenigbaar is;
ii) in de ladingtanks of leidingen bevinden zich geen minerale oliën die verenigbaar zijn met de restlading in de sloptanks;
iii) de schipper geeft op verzoek de tekeningen en beschrijvingen van de op het schip aanwezigen ladingtanks, sloptanks en het daarbij behorende stelsel van leidingen ter inzage aan de Douane; en
iv) de restlading die niet (meer) kan worden verenigd met een nieuwe lading en niet langer aan boord kan worden gehouden, alsmede de ladingresiduen worden afgegeven aan daartoe aangewezen inzamelaars, bewaarders of bewerkers en/of verwerkers. Deze inzamelaars, bewaarders, bewerkers en/of verwerkers moeten afgegeven restladingen en ladingresiduen opslaan in een accijnsgoederenplaats.
De staatssecretaris van Financiën heeft in Mededeling 61 (onderdeel 2.4) verder als voorwaarde gesteld dat de schipper verplicht is om in een zogenoemd ‘ladingboek binnentankvaart’ aantekening te houden van de in de verschillende ladingtanks en sloptanks aanwezige restlading en ladingresiduen. Het ladingboek betreft volgens Mededeling 61 een modelboek dat in het kader van het voldoen aan milieuregels is ontwikkeld in overleg met internationale organisaties van het vervoerend en verladend binnenvaartbedrijfsleven. In een dergelijk ladingboek worden onder meer geadministreerd de soort(en) en de hoeveelhe(i)d(en) van restlading en ladingresiduen en het tijdstip waarop die restlading en residuen zijn ontstaan. Verder moet de schipper van alle voorafgaande documenten die zijn gebruikt bij het vervoer van de partij minerale oliën waarvan de restlading en de ladingresiduen deel hebben uitgemaakt, kopieën bij dat ladingboek bewaren.
5.2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.5 en 5.2.6 is overwogen, heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat belanghebbende, die behoort tot de bedrijfstak waar Mededeling 61 zich op richt, in aanmerking moet kunnen komen voor toepassing van de in dat beleidsbesluit bedoelde ontheffing.
5.2.8
Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende niet bekend was met Mededeling 61. De Inspecteur heeft erkend dat belanghebbende een beroep kan doen op dit beleidsbesluit, maar hij stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet voldoet aan de in dat besluit neergelegde voorwaarden betreffende de over te leggen bescheiden, zodat een beroep van belanghebbende op Mededeling 61 niet kan slagen. Het middelonderdeel richt zich tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof met een herhaling van dit betoog van de Inspecteur.
5.2.9
De voorwaarden die in Mededeling 61 worden gesteld, beogen te verzekeren dat het in sloptanks vervoeren van minerale oliën die niet in de heffing van accijns betrokken zijn geweest, beperkt is gebleven tot gebruikelijke hoeveelheden die per lading als restlading en residu achterblijven, en dat de in sloptanks opgeslagen hoeveelheden restlading en residu voor geen ander doel zijn en worden gebruikt dan hiervoor in 5.2.6, eerste alinea, onder i) of onder iv) is omschreven. Indien de schipper, vanwege de omstandigheid dat hij Mededeling 61 niet kende doordat deze niet was gepubliceerd, niet de hoeveelheden restlading en residuen in het in Mededeling 61 bedoelde ladingboek heeft bijgehouden maar wel aan de hiervoor in 5.2.6, eerste alinea, onder i) tot en met iv) bedoelde voorwaarden heeft voldaan, brengt het beginsel van fair play als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur mee dat de inspecteur de in Mededeling 61 voorziene ontheffing niet kan weigeren. Het Hof heeft daarom terecht beoordeeld of belanghebbende met betrekking tot de partij motorbenzine materieel voldoet aan de voorwaarden van Mededeling 61. Het eerste middelonderdeel faalt daarom ook voor het overige.
5.3
Beoordeling van het tweede middelonderdeel
5.3.1
Het tweede middelonderdeel is gericht tegen het hiervoor in 3.2 opgenomen oordeel van het Hof dat belanghebbende in verband met de heffing van accijns de herkomst van de inhoud van de sloptanks heeft bewezen. Het middelonderdeel voert aan - onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 80 van de Wet - dat de hiervoor in 3.2 bedoelde verklaringen en stukken waarop het Hof dit oordeel heeft doen steunen, enkel licht doen schijnen op de herkomst van de partij motorbenzine maar niets bewijzen over de heffing van accijns ter zake daarvan, zodat belanghebbende met die verklaringen en die stukken niet heeft aangetoond dat de partij motorbenzine overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing is betrokken.
5.3.2
Het tweede middelonderdeel betoogt in wezen dat het Hof in dit geval op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens niet kon oordelen dat belanghebbende heeft voldaan aan de op haar krachtens de wet of volgens Mededeling 61 rustende last bescheiden te hebben en desgevraagd te tonen, aan de hand waarvan de Belastingdienst kan controleren of de partij motorbenzine overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing is betrokken dan wel dat materieel aan de voorwaarden van Mededeling 61 is voldaan. Daarmee stelt het middelonderdeel in wezen aan de orde wat belanghebbende over de inhoud van de sloptanks dient te bewijzen.
5.3.3
Bij de behandeling van het tweede middelonderdeel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
5.3.4
De Inspecteur heeft de naheffing erop gegrond dat met betrekking tot de partij motorbenzine het belastbare feit, bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet heeft plaatsgevonden. Wat betreft het bewijs van de stelling van de Inspecteur dat de partij motorbenzine niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving in de heffing van accijns is betrokken, geldt in dit geval, in aanvulling op hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, het volgende.
Uit het internationale karakter van het vervoer dat bedrijven als dat van belanghebbende verrichten, te weten het in opdracht van derden per tankschip (internationaal) vervoeren van diverse vloeistoffen, waaronder met name minerale oliën en olieproducten, kan niet anders volgen dan dat die bedrijvenminerale oliën en olieproducten vervoeren die niet in Nederland in de heffing van accijns zijn betrokken. Dit geldt dan ook voor de inhoud van sloptanks.
Dit een en ander brengt mee dat in een geval als het onderhavige, waarinde ondernemer zonder krachtens de wet vereiste bescheiden, dus buiten het toezicht van de Belastingdienst, in sloptanks minerale oliën vervoert of voorhanden heeft, het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze minerale oliën niet op een eerder moment in de heffing van accijns zijn betrokken. Het ligt op de weg van die ondernemer om dit vermoeden te ontzenuwen.
Daarnaast wordt aan heffing van accijns ontkomen indien met betrekking tot deze minerale oliën is voldaan aan de voorwaarden van Mededeling 61.
5.3.5
Belanghebbende, die geconfronteerd wordt met het hiervoor in 5.3.4 bedoelde bewijsvermoeden, moet - om aan heffing van accijns ter zake van de partij motorbenzine te ontkomen - feiten en omstandigheden aannemelijk maken die dit vermoeden ontzenuwen.
Ook kan belanghebbende, die de niet-gepubliceerde Mededeling 61 niet kende, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.9 is overwogen, feiten en omstandigheden stellen en bij betwisting aannemelijk maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat materieel is voldaan aan de hiervoor in 5.2.6, eerste alinea, onder i) tot en met iv) bedoelde voorwaarden van Mededeling 61.
5.3.6
Het Hof heeft zijn oordeel dat materieel aan de voorwaarden van Mededeling 61 is voldaan, erop gegrond dat belanghebbende met de door haar overgelegde gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de partij motorbenzine afkomstig is van bij lossing van het schip achtergebleven lading en dat zij daarmee de herkomst van de partij motorbenzine heeft aangetoond. Daarmee heeft het Hof hetgeen hiervoor in 5.2.9 en 5.3.5 is overwogen, miskend. Het tweede middelonderdeel slaagt daarom.
5.4
Afdoening
5.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.3.6 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
5.4.2
Met hetgeen belanghebbende aan gegevens heeft overgelegd, kan niet worden vastgesteld onder dekking van welke documenten de lading, waarvan delen vanuit de ladingtanks naar de sloptanks zijn overgepompt, is vervoerd, zodat niet het vermoeden is ontzenuwd dat die lading en dus ook de inhoud van de sloptanks niet in de heffing van accijns is betrokken geweest. Evenmin heeft belanghebbende gegevens overgelegd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat wat betreft de inhoud van de sloptanks materieel aan de hiervoor in 5.2.6, eerste alinea, onder i) tot en met iv) bedoelde voorwaarden van Mededeling 61 is voldaan. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de partij motorbenzine voorhanden werd gehouden als bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet.
5.4.3
Voor het Hof was subsidiair in geschil wat de omvang was van de partij motorbenzine die op 19 april 2015 in de sloptanks is aangetroffen.
5.4.4
Belanghebbende heeft bij de Rechtbank aangevoerd dat de totale hoeveelheid te hoog is vastgesteld, omdat de meting van de Douane niet accuraat was. De meting had volgens haar moeten plaatsvinden met gebruikmaking van het zogenoemde tanktabellenboek. De Inspecteur heeft hiertegen ingebracht dat de meting met een meetlint is verricht en dat bij de meting is uitgegaan van de maximale hoogte van de sloptanks. Hij heeft verder onweersproken gesteld dat bij de controle geen tanktabellenboek op het schip voorhanden was. De Rechtbank heeft hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd onvoldoende geacht om de Inspecteur niet te volgen in de door hem vastgestelde omvang van de partij motorbenzine.
5.4.5
Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat de meting niet accuraat is geschied en verder gesteld dat de omstandigheid dat geen tanktabellenboek is aangetroffen, de Inspecteur niet ontheft van de op hem rustende last te bewijzen dat de omvang van de partij motorbenzine volgens een accurate meting is bepaald. De blote stelling dat de meting niet accuraat is geschied, is niet voldoende om de door de Rechtbank, op grond van de vaststelling van de Inspecteur, aannemelijk geachte omvang van de partij motorbenzine met succes te bestrijden. Het betoog van belanghebbende faalt.
5.4.6
Hetgeen hiervoor in 5.4.2 en 5.4.5 is overwogen, betekent dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.