Het hof heeft eisers ingedeeld in negen categorieën (rov. 7.47):
A. Eisers van wie beide vorderingen toewijsbaar zijn.
B1. Eisers van wie de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot toewijsbaar is, maar van wie onduidelijk is of het smartengeld wel toewijsbaar is.
B2. Eisers van wie de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot toewijsbaar is, maar van wie het smartengeld niet toewijsbaar is.
C1. Eisers van wie het smartengeld toewijsbaar is, maar van wie onduidelijk is of de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot toewijsbaar is.
C2. Eisers van wie het smartengeld toewijsbaar is, maar van wie de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot niet toewijsbaar is.
D1. Eisers van wie onduidelijk is of (een van) beide vorderingen toewijsbaar zijn (is).
D2. Eisers van wie de vordering tot vermogensschade wegens gederfd woongenot niet toewijsbaar is en onduidelijk is of het smartengeld wel toewijsbaar is.
D3. Eisers van wie het smartengeld niet toewijsbaar is en onduidelijk is of de vordering tot vermogensschade wegens gederfd woongenot wel toewijsbaar is.
E. Eisers van wie duidelijk is dat beide vorderingen niet toewijsbaar zijn.
Vervolgens heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd4en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat NAM onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers in de categorieën A, B2 en C2 en aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW en art. 6:177 BW voor de immateriële schade van eisers in de categorieën A en C2 en voor de vermogensschade wegens gederfd woongenot van eisers in de categorieën A en B2, en NAM veroordeeld tot vergoeding van deze schade, wat de vermogensschade betreft op te maken bij staat.
2.6.1
De relevante overwegingen van het hof houden, samengevat, het volgende in.
Het hof zal uitgaan van de antwoorden van de Hoge Raad op enkele prejudiciële vragen van de rechtbank Noord-Nederland over de afwikkeling van aardbevingsschade door gaswinning.5 (rov. 7.1)
Omdat deze procedure bij aanvang 127 eisers kende, en daarnaast nog eens meer dan 5.000 eisers een procedure zijn begonnen waarin vergoeding van materiële en immateriële schade wordt gevorderd, wordt gezocht naar een mogelijkheid om de procedure hanteerbaar te houden. Die mogelijkheid is er wanneer kan worden vastgesteld dat eisers, of een deel van hen, bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben en zij vanwege die kenmerken aanspraak hebben op vergoeding van vermogensschade of smartengeld. Wanneer gemakkelijk is vast te stellen of een eiser dat kenmerk heeft, is dat voldoende. Een verder onderzoek naar de specifieke persoonlijke situatie van die eiser hoeft dan niet plaats te vinden. (rov. 7.2)
Het hof houdt rekening met deze praktische kant van de zaak bij de invulling die het geeft aan de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad. (rov. 7.3)
Twee mogelijke gronden voor aansprakelijkheid
Op grond van art. 6:177 BW is de exploitant van een aardgasveld aansprakelijk voor schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de exploitatie van dat veld. Het gaat om een risicoaansprakelijkheid, dus NAM is ook aansprakelijk voor schade door de aardgaswinning als haar van de beweging van de bodem of van de schade geen verwijt kan worden gemaakt. (rov. 7.4)
Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) is niet alleen vereist dat schade is geleden, maar ook dat NAM toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en dat er causaal verband is tussen dat handelen en de schade. (rov. 7.5)
Het standpunt van eisers dat NAM bij aansprakelijkheid op grond van art. 6:177 BW automatisch (ook) aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW is niet juist. (rov. 7.6)
Omdat niet kan worden uitgesloten dat het bij (enkele) eisers uitmaakt of hun vordering ook kan worden gebaseerd op art. 6:162 BW, zal moeten worden bezien of de vorderingen ook op die grond toewijsbaar zijn. (rov. 7.7)
Fysieke schade aan de woning
Niet iedere hinder door de exploitant van een gasveld maakt hem aansprakelijk. De hinder door aardgaswinning moet boven een bepaald niveau uitkomen voordat NAM aansprakelijk is. (rov. 7.13)
NAM heeft aan de meeste eisers een of meer malen een vergoeding betaald wegens schade (A- of B-schade, zie hiervoor in 2.2 onder (viii)) aan de woning. Daarmee staat voldoende vast dat de overlast en hinder bij die eisers boven het niveau is uitgekomen dat zij van NAM moesten dulden. Daartoe is onder meer redengevend dat de betaalde vergoedingen zijn gebaseerd op het Protocol waarin staat dat NAM aansprakelijk is voor fysieke schade aan gebouwen (zie hiervoor in 2.2 onder (vii)). Wanneer NAM alleen aansprakelijk is wanneer de overlast en hinder boven een bepaald niveau uitkomen, en zij vervolgens bij fysieke schade uitkeert op basis van het Protocol, moet ervan worden uitgegaan dat in die gevallen sprake is geweest van hinder en overlast boven dat niveau. (rov. 7.14-7.15.1)
Bovendien is fysieke schade een veel duidelijker vorm van overlast dan veel andere vormen van hinder, zoals geluidsoverlast of stankoverlast en is het aannemelijk dat ook de afwikkeling van fysieke schade overlast tot gevolg heeft. (rov. 7.15.2-7.15.3)
Uit het onderzoek “Gronings Perspectief” van de Rijksuniversiteit Groningen, in samenwerking met het Sociaal Planbureau Groningen en de GGD Groningen, dat is uitgevoerd in opdracht van de NCG, blijkt dat bewoners met fysieke schade gemiddeld genomen veel meer hinder van de aardbevingen ondervinden dan bewoners zonder fysieke schade. Fysieke schade vormt dus doorgaans een ernstige vorm van overlast. (rov. 7.15.4)
Andere gevolgen van de aardbeving
De aardbevingen hebben ook andere nadelige gevolgen gehad. Hoewel er een verband is tussen het gevoel van onveiligheid en het (meermalen) lijden van fysieke schade aan de eigen woning, voelen ook veel mensen die geen schade hebben gehad aan hun woning zich onveilig. (rov. 7.17)
Uit onderzoeken van de GGD Groningen blijkt dat de aardbevingen bij veel bewoners van het gebied boven het Groningenveld tot ernstige gezondheidsklachten hebben geleid. (rov. 7.18)
Uit diverse onderzoeken blijkt dat de aardbevingen ook nadelige gevolgen hebben voor de waarde van de woningen in het gebied. (rov. 7.19)
Uit een en ander blijkt dat de aardbevingen in het gebied van het Groningenveld ook ertoe hebben geleid dat veel bewoners van het gebied zich onveilig voelen, veel bewoners in het gebied last hebben van stressklachten en de waarde van woningen in het gebied is afgenomen. (rov. 7.20)
Vermogensschade wegens gederfd woongenot
Eisers hebben recht op vermogensschade wegens gederfd woongenot, als de overlast of hinder wat hevigheid betreft boven een bepaald niveau uitkomt, welk niveau afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, zoals de aard, de ernst en de duur van de overlast of hinder. (rov. 7.21-7.23)
Bij de aard van de overlast speelt een rol dat NAM een vergunning heeft voor haar activiteiten en binnen die vergunning is gebleven, maar dit is niet zonder meer doorslaggevend. Het staat vast dat met de gaswinning grote financiële en maatschappelijke belangen gemoeid zijn, die moeten worden afgewogen tegen het belang van degenen die hinder ondervinden en van wie de veiligheid in het geding is. Het maatschappelijk belang is één van de mee te wegen factoren, maar niet per definitie de doorslaggevende factor (rov. 7.24-7.26)
Ook het type schade speelt een rol bij de aard van de overlast (rov. 7.27).
Ook bij de ernst van de overlast speelt het type schade een belangrijke rol. Fysieke schade als gevolg van aardbevingen door gaswinning is een ernstige vorm van overlast. Maar ook los van fysieke schade hebben de aardbevingen negatieve gevolgen voor de woon- en leefomgeving in het gebied waar aardbevingen plaatsvinden. (rov. 7.28)
De overlast duurt al jaren. Wegens de aandacht die er vanaf 2012 is voor de aardbevingen is het aannemelijk dat een zwaardere aardbeving die voelbaar is in een deel van het gebied ook negatief effect heeft op het gevoel van veiligheid in een ander deel van het gebied waar deze aardbeving niet voelbaar is. Vanaf 2012 is sprake van een groot aantal meldingen van fysieke schade en is veel aandacht en energie besteed aan versterking van gebouwen en aan herstel en vergoeding van schade. Uit de onderzoeken van Gronings Perspectief en GGD Groningen blijkt dat het gevoel van onveiligheid en de gevolgen daarvan nog steeds voortduren. (rov. 7.29)
Bij fysieke schade aan een woning als gevolg van bodembeweging(en) door de aardgaswinning (A- of B-schade, zie hiervoor in 2.2 onder (viii)) komt de overlast en hinder wat hevigheid betreft in elk geval boven het niveau uit waarop recht ontstaat op vergoeding van schade wegens gederfd woongenot. Dat betekent dat NAM in die gevallen onrechtmatig heeft gehandeld jegens de eigenaar of huurder van die woning en dat de eigenaar of huurder van die woning recht heeft op de vergoeding van vermogensschade als gevolg van het missen van woongenot, mits de eigenaar of huurder de woning als hoofdverblijf gebruikt. Voor de eigenaar of huurder van een woning zonder vastgestelde A- of B-schade (en voor de eigenaar of huurder van een tweede woning of vakantiewoning, al dan niet met fysieke schade) geldt dat het van de individuele situatie afhangt of de hinder en overlast wat hevigheid betreft ernstig genoeg is geweest voor een aanspraak op schadevergoeding. Het enkele feit dat de woning gelegen is in het gebied boven het Groningenveld is daarvoor onvoldoende. (rov. 7.30)
De vermogensschade wegens gederfd woongenot moet worden begroot volgens de door de Hoge Raad in de uitspraak van 19 juli 2019 gegeven maatstaf. Die komt erop neer dat de huurwaarde van een woning in een situatie zonder bodembewegingen (op basis van een marktconforme huur) moet worden vergeleken met de huurwaarde van dezelfde woning maar dan in de situatie met bodembewegingen. Het verschil tussen beide waardes is de schade. Die schade is verschuldigd in de periode dat het woongenot is gederfd. Voor de keuze van het eindpunt van de periode geldt als uitgangspunt de laatste dag van de maand waarin de schade is hersteld en geheel financieel is afgewikkeld. (rov. 7.31)
Vergoeding van immateriële schade
Ten aanzien van vergoeding van immateriële schade gelden ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019 geen andere (minder vergaande) eisen dan de eisen die normaal worden gesteld aan toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Concreet betekent dit dat een bewoner die geen lichamelijk letsel heeft geleden, moet aantonen dat hij “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”, in de zin van art. 6:106 BW. (rov. 7.33)
In voornoemd arrest wordt de mogelijkheid opengelaten dat de rechter voor een bepaalde categorie bewoners aanneemt dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Het ligt daarbij voor de hand om te kiezen voor een afbakening tussen wel of geen fysieke schade, omdat
i) fysieke schade aan een woning een concrete aantasting van de woning is en daarmee van de persoonlijke levenssfeer van de bewoner. Het is aannemelijk dat een dergelijke aantasting in veel gevallen ook in zekere mate beangstigend is voor de bewoner en afbreuk doet aan diens gevoel van veiligheid in de eigen woning. In dit verband is van belang dat de Hoge Raad eerder in een situatie van een beangstigende aantasting van de persoonlijke levenssfeer heeft aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, en die situatie in zijn arrest van 15 maart 20196 aanhaalt als voorbeeld van een situatie waarin de aantasting van een persoon op andere wijze door de rechter kan worden aangenomen; en
ii) uit het onderzoek van Gronings Perspectief blijkt dat er een duidelijk verband is tussen ervaren hinder en stress-gerelateerde klachten en fysieke schade aan de woning. Dat verband is nog veel sterker in situaties van meervoudige fysieke schade. Over bewoners met meervoudige schade wordt in het eindrapport geconcludeerd dat voor hen het normale leven ernstig ontwricht is. (rov. 7.35)
In een situatie waarin een woning meer dan eenmaal (A- of B-)schade heeft opgelopen kan worden aangenomen dat de bewoners van die woning op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en om die reden aanspraak hebben op vergoeding van immateriële schade. Buiten deze situatie dient van geval tot geval te worden afgewogen of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. (rov. 7.36)
Als vergoeding voor immateriële schade is een minimumbedrag van € 2.500,-- redelijk. Dat bedrag kan in individuele gevallen worden verhoogd, bijvoorbeeld wanneer meer dan tweemaal A- of B-schade is vastgesteld (uitgangspunt is dat per extra schadegeval aanspraak bestaat op € 1.250,--), of ten gevolge van de aardbevingen ernstige (psychische) gezondheidsklachten zijn ontstaan of de woning onbewoonbaar is verklaard of langdurig niet bewoond kon worden. (rov. 7.37)
Het hof heeft ten slotte overwogen dat de procedure voor eisers die zijn ingedeeld in de categorieën A, B2, C2 en E met het bestreden arrest beëindigd kan worden. Voor eisers die zijn ingedeeld in de categorieën B1, D1 en D2 zal verder moeten worden geprocedeerd betreffende de vordering(en) waarover nog geen duidelijkheid bestaat. (rov. 7.48)