Het wettelijk stelsel van toezicht door de kantonrechter op de bewindvoerder bestaat kort gezegd uit het volgende:
a) de bewindvoerder is verplicht om zo spoedig mogelijk na zijn benoeming een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen op te maken en deze ter griffie te deponeren (art. 1:436 lid 1 BW);
b) de kantonrechter kan te allen tijde de bewindvoerder oproepen voor verhoor en de bewindvoerder is dan verplicht om alle verlangde inlichtingen te verstrekken (art. 1:436 lid 5 BW);
c) de kantonrechter heeft recht op inzage in en afschrift van de administratie van de bewindvoerder (art. 1:436 lid 6 BW);
d) de bewindvoerder behoeft toestemming van de rechthebbende of, als deze daartoe niet in staat is of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor bepaalde in de wet omschreven handelingen (art. 1:441 lid 2, onder a-f, BW);
e) de bewindvoerder is verplicht om jaarlijks en aan het einde van het bewind ten overstaan van de kantonrechter rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer (art. 1:445 lid 1 en 2 BW);
f) de bewindvoerder is verplicht om telkens na verloop van vijf jaren, of zo veel eerder als de kantonrechter bepaalt, aan hem verslag van het verloop van het bewind te doen. Feiten die voor het bewind en het voortduren daarvan van betekenis zijn, deelt de bewindvoerder terstond aan de kantonrechter mede (art. 1:446a BW);
g) de kantonrechter kan, ook ambtshalve, de bewindvoerder ontslaan, wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden (art. 1:448 lid 1, onder e, en lid 2 BW). Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen (art. 1:448 lid 2, tweede volzin, BW).