3.1
Onderdeel I van het middel klaagt onder meer dat onjuist is het oordeel van het hof (in rov. 2.7 en 2.8) dat de Gemeente ontvankelijk is in haar hoger beroep van zowel het tussenvonnis van 25 juli 2018 als het tussenvonnis van 28 november 2018. Het onderdeel voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Het vonnis van 28 november 2018 houdt niet meer in dan het verlof om tussentijds hoger beroep te mogen instellen. Dat beide partijen belang hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun geschil en dat met een ruimhartige lezing en duiding van de uitspraak van 28 november 2018 als tussenvonnis de proces-economie wordt gediend, is onvoldoende voor het maken van een uitzondering op art. 337 lid 2 Rv. Met betrekking tot het vonnis van 25 juli 2018 heeft de Gemeente niet verzocht om tussentijds hoger beroep te mogen instellen en in dat vonnis is evenmin tussentijds hoger beroep toegelaten. Het hof had daarom de Gemeente in haar hoger beroep van dat vonnis niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus nog steeds het onderdeel.
3.2.1
Met betrekking tot het verkrijgen van gelegenheid om tussentijds hoger beroep in te stellen van een tussenvonnis, wordt het volgende vooropgesteld.
3.2.2
Voor zover een tussenvonnis vatbaar is voor hoger beroep, kan hoger beroep steeds tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis worden ingesteld. In de volgende gevallen kan in plaats daarvan al eerder – tussentijds – hoger beroep worden ingesteld.
a. Van een tussenvonnis waarbij een voorlopige voorziening is getroffen of geweigerd, kan steeds tussentijds hoger beroep worden ingesteld (art. 337 lid 1 Rv).
b. Van andere dan de onder a bedoelde tussenvonnissen kan tussentijds hoger beroep worden ingesteld indien de rechter dat heeft bepaald (art. 337 lid 2 Rv). De rechter kan aanstonds in het desbetreffende tussenvonnis tussentijds hoger beroep openstellen, maar ook nadien. Over deze laatste mogelijkheid overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 23 januari 20043 het volgende:
“In de tweede plaats moet worden aangenomen dat de rechter ook nadat hij uitspraak heeft gedaan, desverzocht – en na de wederpartij op het verzoek te hebben gehoord – alsnog kan bepalen dat beroep kan worden ingesteld voor de einduitspraak, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek aanvankelijk in de processtukken is gedaan. In het belang van een goede procesorde dient te worden aangenomen dat een zodanig verzoek binnen de beroepstermijn dient te worden gedaan. De rechter behoeft zijn beslissing op het verzoek, waarmee hij een bevoegdheid uitoefent die aan zijn procesbeleid is overgelaten, niet te motiveren, net zomin als wanneer hij een beslissing zoals bedoeld in art. 337 lid 2 Rv aanstonds in zijn tussenuitspraak neemt. Met het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel – binnen de wettelijke termijn – hoeft niet te worden gewacht totdat op het verzoek is beslist; de beslissing op dat verzoek zal immers niet steeds kunnen worden genomen voordat die termijn is verstreken. Bij de beslissing om al dan niet ontheffing te verlenen van het in art. 337 lid 2 Rv besloten verbod, mag het feit dat de zaak inmiddels reeds in de hogere instantie aanhangig is gemaakt, geen rol spelen.”
c. Heeft de rechter met betrekking tot een tussenvonnis geen tussentijds hoger beroep opengesteld maar met betrekking tot een later tussenvonnis wel, dan kan ter gelegenheid van het tussentijds hoger beroep van het latere tussenvonnis ook het eerdere tussenvonnis in het hoger beroep worden betrokken, zonder dat daarbij ook tegen het latere tussenvonnis grieven behoeven te worden gericht.4
d. Wordt in een vonnis door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt aan de instantie, dan is dat vonnis in zoverre een eindvonnis en voor het overige een tussenvonnis. Wordt van het eindvonnisgedeelte van een zodanig vonnis hoger beroep ingesteld, dan kan daarin ook het tussenvonnisgedeelte worden betrokken.5
3.2.3
De Hoge Raad ziet aanleiding om de hiervoor onder b en c genoemde gevallen van tussentijds hoger beroep nader op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt daarbij is dat het steeds aan het procesbeleid van de rechter is overgelaten om – in afwijking van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv – tussentijds hoger beroep van een tussenvonnis open te stellen. Er is geen reden om de rechter te beperken in zijn mogelijkheden om op dit punt regie te voeren.
3.2.4
Gelet op het voorgaande geldt voortaan het volgende. De rechter kan na een tussenvonnis te allen tijde, zolang geen eindvonnis is gewezen, desverzocht of ambtshalve – en na partijen te hebben gehoord – alsnog bepalen dat van het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Bij de beoordeling dient te worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure (vgl. art. 20 Rv).
Het openstellen van tussentijds hoger beroep, op verzoek of ambtshalve, geschiedt bij vonnis, met het oog op de daaraan verbonden termijn voor het instellen van tussentijds hoger beroep, zoals hierna vermeld. Afwijzing van een daartoe strekkend verzoek kan ook op andere wijze, mits schriftelijk. De rechter hoeft zijn beslissing niet te motiveren.
De beslissing tot het openstellen van tussentijds hoger beroep brengt mee dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld van alle tot dan toe in de procedure gewezen tussenvonnissen, met inbegrip van het laatste tussenvonnis voor zover dit nog andere beslissingen inhoudt dan die tot het openstellen van tussentijds hoger beroep. Het tussentijds hoger beroep kan evenwel geen betrekking hebben op vonnissen voor zover deze niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en evenmin op vonnissen die in een door de appellant eerder ingesteld hoger beroep hadden kunnen worden betrokken (de zogenoemde ‘een-keer-schieten regel’6).
Met het instellen van het hoger beroep hoeft niet te worden gewacht totdat op een daartoe gedaan verzoek is beslist. Zolang de rechter het verzoek niet heeft toegewezen, schorst het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het tussenvonnis niet (art. 350 lid 2 Rv).
Het hoger beroep dient te worden ingesteld voordat de appeltermijn is verstreken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis waarbij tussentijds hoger beroep is opengesteld.
3.2.5
Van de beslissing om al dan niet tussentijds hoger beroep open te stellen staat naar haar aard geen hogere voorziening open, ook niet met een beroep op doorbrekingsgronden.7 Die beslissing is immers overgelaten aan het procesbeleid van de rechter die het tussenvonnis heeft gewezen. Het gaat om een regiebeslissing waarmee partijen geen rechten worden ontnomen.
3.2.6
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op tussentijds hoger beroep van tussenbeschikkingen op de voet van art. 358 lid 4 Rv en op tussentijds beroep in cassatie op de voet van art. 401a lid 2 Rv, in verzoekprocedures in verbinding met art. 426 lid 4 Rv.
3.2.7
Hetgeen hiervoor in 3.2.4-3.2.6 is overwogen, betekent dat de Hoge Raad gedeeltelijk terugkomt van zijn arresten van 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051 ( Ponteecen / Stratex ), 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168 en 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3170.
3.3
De klacht dat het hof de Gemeente niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het hoger beroep van het vonnis van 25 juli 2018, faalt. Het vonnis van 28 november 2018 strekte er in wezen toe om de Gemeente in de gelegenheid te stellen alsnog tussentijds hoger beroep in te stellen van het tussenvonnis van 25 juli 2018. Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.5 is overwogen, volgt dat de Gemeente terecht ontvankelijk is geoordeeld in het hoger beroep van het vonnis van 25 juli 2018.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).