In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verzoeker] is eigenaar van een pand in [plaats 1] , bestaande uit een benedenwoning en een bovenwoning.
(ii) [verzoeker] stelt dat hij in elk geval sinds 1980 een terrein van 24 m2 in bezit heeft dat direct achter het pand is gelegen en dat hij als parkeerplaats gebruikt (hierna: het terrein).
(iii) [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door verjaring eigenaar van het terrein is geworden.
(iv) [verweerster 2] is omstreeks 2015 begonnen met de ontwikkeling van een woningbouwproject op onder meer het terrein, zonder rekening te houden met de verjaringsaanspraken van [verzoeker] op het terrein. In verband daarmee heeft [verzoeker] een zienswijze ingediend waarin hij zich heeft beroepen op de verkrijging van het terrein door verjaring.
(v) Naar aanleiding daarvan is volgens [verzoeker] in overleg met de wethouder van de Gemeente een minnelijke oplossing tot stand gekomen die erop neerkomt dat [verzoeker] zijn aanspraak op het terrein beperkt tot een kleine driehoek van 6,5 m2 direct achter zijn huis (hierna: de spie grond). [verzoeker] stelt dat een ambtenaar van de Gemeente een aantekening in die zin heeft gemaakt op een kadastrale kaart. Daarmee verbonden was de toezegging van [verweerster 2] dat de muur van de garage van [verzoeker] dusdanig en op rekening van [verweerster 2] aangepast zou worden zodat [verzoeker] zijn garage eenvoudiger in zou kunnen rijden. Dit zou worden meegenomen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning, nadat het bestemmingsplan zou zijn aangepast. De afspraak over de aanpassing van de muur en het tijdstip waarop dit zou worden meegenomen, is vastgelegd in een brief van 15 november 2017 die [verweerster 2] en [verzoeker] beiden hebben ondertekend. Tot de afspraken behoorde ook dat [verzoeker] zijn bezwaar tegen het bestemmingsplan zou intrekken. Dat is ook gebeurd.
(vi) [verzoeker] stelt belang te hebben bij de verkrijging van de spie grond omdat dit ertoe zal leiden dat hij een wijziging kan aanbrengen in de buitenmuur van zijn garage, hetzij door de muur te verplaatsen, hetzij door de muur te verwijderen, zodat de garage een carport zal worden. In de bestaande situatie kan hij zijn auto lastig in zijn garage stallen omdat de muur van de garage schuin naar binnen loopt. Door verkrijging van de spie grond zou een rechte muur kunnen worden geplaatst.
(vii) Vast staat dat de Gemeente de door [verzoeker] gestelde afspraak over de spie grond niet heeft verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan, waardoor aan [verweerster 2] een omgevingsvergunning is afgegeven die uitgaat van de kadastrale grens.
(viii) [verzoeker] heeft gesteld diverse pogingen te hebben ondernomen om partijen te bewegen de gestelde afspraken met hem na te komen. Dit is niet gelukt.
(ix) In juli 2019 heeft [verzoeker] zijn pand verkocht aan een derde. De koopovereenkomst vermeldt dat de benedenwoning is verkocht met garage en erf. Het pand is nog niet overgedragen aan deze derde.