In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000).
(ii) [A] B.V. (hierna: [A] ) was verplicht bij haar werknemers ingehouden pensioenpremie af te dragen aan PFZW.
(iii) [verweerder] heeft vanaf 2008 managementactiviteiten verricht voor [A] . Vanaf 17 juli 2008 was [verweerder] statutair bestuurder van [A] .
(iv) De toenmalige bestuurder van [A] heeft in mei 2008 met PFZW een betalingsregeling getroffen ten aanzien van een toen nog onbetaalde factuur van PFZW van eind maart 2008 ten bedrage van ruim € 700.000. [A] heeft aan die betalingsregeling uitvoering gegeven tot eind augustus 2008, door betalingen te doen van in totaal ruim € 410.000.
(v) In de periode daarna heeft PFZW nog diverse facturen aan [A] gezonden, die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. [verweerder] heeft aan PFZW geschreven dat [A] niet in staat is de pensioenpremie tijdig te voldoen, tussen PFZW en [A] is opnieuw een betalingsregeling getroffen en [verweerder] heeft met PFZW gesproken over een mogelijk faillissement van [A] of een schuldeisersakkoord.
(vi) Op grond van een overeenkomst van 20 januari 2009 heeft [A] haar activa overgedragen aan Stichting [B] (hierna: de Stichting). Van de 569 werknemers van [A] zijn er 548 in dienst gekomen bij de Stichting. [verweerder] heeft [A] begin februari 2009 geïnformeerd over de overdracht van activiteiten en personeel aan de Stichting en over de financiële situatie van [A] .
(vii) PFZW heeft begin november 2010 [verweerder] op grond van art. 23 Wet Bpf 2000 aansprakelijk gesteld voor de toen nog resterende schuld van [A] aan PFZW van ruim € 673.000.
(viii) [A] is met ingang van 31 december 2010 ontbonden.