Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2022:1319

Hoge Raad
27-09-2022
27-09-2022
20/00324
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:635
Strafrecht
Cassatie

Cassatie in het belang van de wet. Beschikking hof tot onbevoegdverklaring kennis te nemen van verzoek tot opheffing van bij eindvonnis Rb gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaarden verbonden aan voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel. Kan opheffing bevel dadelijke uitvoerbaarheid van staf/maatregel door hof ook buiten onderzoek ttz. in hoofdzaak in hoger beroep? HR maakt opmerkingen bij art. 6:6:6 Sv: opheffing of schorsing door hof van een bij vonnis in e.a. gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van straf of maatregel.

Beslissing tot opheffing of schorsing heeft onmiddellijke werking. Aanleiding voor toepassing art. 6:6:6 Sv kan erin zijn gelegen dat in h.b. een ander oordeel dan van Rb over oplegging van straf of maatregel valt te verwachten, maar kan ook anderszins verband houden met specifieke omstandigheden van het geval. Uit tekst van wet en wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat beslissing om bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op te heffen of te schorsen alleen kan worden gegeven op ttz. in h.b. in hoofdzaak. Dat zou ook niet in de rede liggen omdat omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor opheffen of schorsen, zich ook kunnen aandienen buiten behandeling van onderzoek ttz. in h.b. Hof kan dan na daartoe strekkend verzoekschrift van verdachte of vordering van OM beslissen over opheffen of schorsen van bevel. In dat geval is o.g.v. art. 21.1 Sv raadkamer van hof bevoegd. Dat geldt ook bij het mogelijk opheffen van zo’n schorsing. Vorenstaande geldt ook voor uitleg van de woorden “rechter die kennisneemt van het hoger beroep” in art. 77w.7 Sr.

Art. 6:6:6 Sv heeft geen betrekking op geval waarin hof in zijn uitspraak een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van straf of maatregel heeft gegeven en beroep in cassatie is ingesteld. Het is aan wetgever hiervoor een voorziening te treffen als hij dat wenselijk vindt.

I.c. stond onder destijds geldende wetgeving voor verdachte geen voorziening open voor verzoek opheffing dadelijke uitvoerbaarheid van een straf waarvoor de wet de dadelijke uitvoerbaarheid niet mogelijk maakt. Hof had verdachte niet-ontvankelijk moeten verklaren. Sinds i.w.tr. van art. 6:6:6 Sv op 1-1-2020 kan hof in een geval als i.c., waarin (in strijd met wet) bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaardelijke ISD-maatregel is gegeven, wel beslissen op verzoekschrift tot opheffen of schorsen van het bevel. Omstandigheid dat wettelijke grondslag ontbreekt voor bevelen van dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaardelijke ISD-maatregel brengt dan met zich dat in h.b. een ander oordeel dan van Rb over oplegging van straf of maatregel valt te verwachten, zodat bevel moet worden opgeheven.

Volgt vernietiging in belang van de wet.

Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2022-0176
NJB 2022/2263
RvdW 2022/897
NJ 2024/250

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00324 CW

Datum 27 september 2022

ARREST

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 december 2019, nummer 01161-19, in de zaak

van

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1 De beschikking van het hof

Het hof heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek van de verdachte tot opheffing van het bij eindvonnis van de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden die de rechtbank had verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel).

2 Het cassatieberoep

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof.

3. De rechter die bevoegd is tot opheffing of schorsing van een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid

3.1.1

In het strafrechtelijk stelsel geldt als hoofdregel dat een rechterlijke beslissing pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden. Dit uitgangspunt is vanaf 1 januari 2020 neergelegd in artikel 6:1:16 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Voor die tijd werd dit bepaald door het gelijkluidende artikel 557 lid 1 (oud) Sv. Het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat enkele uitzonderingen op deze hoofdregel door in een aantal gevallen te voorzien in de mogelijkheid van een door de rechter te geven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van door de rechter gestelde voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht, of van een bepaalde maatregel. Deze uitzonderingen zijn neergelegd in artikel 14e Sr (de voorwaardelijke straf), artikel 38 lid 6 Sr (de voorwaardelijke terbeschikkingstelling), artikel 38v lid 4 Sr (de vrijheidsbeperkende maatregel), artikel 77za Sr (de voorwaardelijke straf in het jeugdstrafrecht) en artikel 77w lid 6 Sr (de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige).

3.1.2

In de hiervoor genoemde regelingen werd bepaald dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid “door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, [kan] worden opgeheven” (zie artikel 14e lid 2 (oud), 38 lid 8 (oud), 38v lid 5 (oud), 77za lid 2 (oud) en 77w lid 7 Sr).

3.1.3

Met ingang van 1 januari 2020 zijn de in 3.1.2 genoemde afzonderlijke bepalingen – met uitzondering van artikel 77w lid 7 Sr – vervallen. Daarvoor is in de plaats gekomen artikel 6:6:6 Sv, dat luidt: “De rechter die kennisneemt van het beroep kan, gehoord het openbaar ministerie, een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel opheffen of schorsen.”

3.1.4

In de vordering stelt de advocaat-generaal de vraag aan de orde of die in artikel 6:6:6 Sv omschreven bevoegdheid uitsluitend toekomt aan de zittingsrechter in hoger beroep, of dat ook de raadkamer van het gerechtshof bevoegd is op zo’n verzoek te beslissen.

3.2.1

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 21 lid 1 Sv:

“In alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschiedt de behandeling door de raadkamer. Echter geschieden op de terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten, aldaar gedaan.”

- Artikel 6:1:16 lid 1 Sv:

“Voor zover niet anders is bepaald, mag geen rechterlijke beslissing ten uitvoer worden gelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.”

- Artikel 6:6:6 Sv:

“De rechter die kennisneemt van het beroep kan, gehoord het openbaar ministerie, een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel opheffen of schorsen.”

- Artikel 14e Sr:

“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

3.2.2

Bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2011, 545, die in werking is getreden op 1 april 2012, is in artikel 14e Sr de bevoegdheid van de rechter in het leven geroepen om in het kader van een voorwaardelijk opgelegde straf het bevel te geven dat de voorwaarden en het daarop gestelde toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot die wet, houdt onder meer het volgende in:

“Het Wetboek van Strafvordering kent als algemene regel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer wordt gelegd als zij onherroepelijk is. Dit betekent dat zolang niet op een ingesteld hoger beroep of cassatieberoep is beslist, niet met de tenuitvoerlegging kan worden begonnen. Dit is vastgelegd in artikel 557 van het Wetboek van Strafvordering. Het wetboek kent op deze hoofdregel een aantal uitzonderingen, waarvan de bevelen betreffende de voorlopige hechtenis de bekendste zijn. Die bevelen zijn dadelijk uitvoerbaar. Voorgesteld wordt ook voor het naleven van voorwaarden en het daarbij behorende (reclasserings)toezicht in het kader van een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf de mogelijkheid te creëren dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn. Omdat dit voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen heeft, is in een aantal waarborgen voorzien. In de eerste plaats (...). Ten derde, kan het bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid door de rechter waarbij het hoger beroep tegen de veroordeling aanhangig is, worden opgeheven. Dit is bijvoorbeeld aan de orde in de gevallen dat het gerechtshof al snel tot een ander oordeel komt dan de rechtbank, waardoor de voorwaardelijke vrijheidsstraf niet in stand kan blijven.”

(Kamerstukken II, 2009/10, 32319, nr. 3, p. 12-13)

3.2.3

Artikel 6:6:6 Sv is ingevoerd bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82), die in werking is getreden op 1 januari 2020. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot die wet, houdt onder meer het volgende in:

“Artikel 6:6:6 (14e, tweede lid, 38, achtste lid, 38v, vijfde lid, 77za, tweede lid Sr) - opheffen dadelijke uitvoerbaarheid

De rechter die in beroep kennisneemt van een straf of maatregel waarvoor dadelijke uitvoerbaarheid is bevolen, kan op grond van dit artikel dat bevel opheffen of schorsen. De rechter kan deze beslissing ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie nemen. Met deze bepaling wordt aangesloten bij de huidige artikelen 14e, tweede lid, 38, achtste lid, 38v, vijfde lid, en 77za, tweede lid Sr, waarin telkens de mogelijkheid van opheffen van de dadelijke uitvoerbaarheid van een specifieke straf of maatregel is bepaald. De mogelijkheid van bij kennisneming van het beroep opheffen van de dadelijke uitvoerbaarheid ziet ook op de dadelijk uitvoerbare beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging (zoals de dadelijk uitvoerbare tijdelijke opname van het huidige artikel 509j bis Sv). Dat de beroepsrechter de uitvoerbaarheid niet alleen kan opheffen, maar ook kan schorsen is nieuw ingevoegd ten opzichte van de genoemde bepalingen. Reden hiervoor is de rechter meer mogelijkheden te geven rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval. Deze bepaling loopt samen met het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen (consultatie), waarin eveneens wordt voorzien in een mogelijkheid voor het gerechtshof dat kennisneemt van het hoger beroep om de dadelijke uitvoerbaarheid te schorsen. Een eventuele schorsing eindigt uiteraard op het moment dat in beroep over de zaak is beslist.

(...)

Onderdeel E

De mogelijkheid van de rechter om in eerste aanleg bevolen dadelijke uitvoerbaarheid van een straf op te heffen wordt algemeen geregeld in het voorgestelde artikel 6:6:6 Sv. Het huidige tweede van artikel 14e kan om deze reden komen te vervallen. In het restant van de bepaling – het huidige eerste lid – wordt met deze wijziging gecorrigeerd voor de verwijzing naar artikel 14d Sr, dat op grond van dit voorstel vervalt.

(...)

Onderdeel Z

(...)

De bevoegdheid van de rechter die kennisneemt van het hoger beroep om de dadelijke uitvoerbaarheid die in eerste aanleg wordt bevolen op te heffen wordt in artikel 6:6:6 Sv algemeen geregeld. Om deze reden kan het achtste lid van artikel 38 Sr komen te vervallen.

(...)

Onderdeel GG

De bevoegdheid van de rechter om een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op te heffen op het moment dat de rechter in hoger beroep kennisneemt van de zaak, wordt algemeen geregeld in artikel 6:6:6 Sv. In artikel 38v kan daarom het vijfde lid vervallen.

(...)

Onderdeel CCC

De mogelijkheid voor de rechter die in hoger beroep kennisneemt van een zaak om het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op te heffen wordt in artikel 6:6:6 Sv algemeen geregeld. Het tweede lid van artikel 77za Sr kan om deze reden vervallen.”

(Kamerstukken II, 2014/15, 34086, nr. 3, p. 100, 101, 113, 117, 118, 121)

3.3.1

In het geval dat de rechter in eerste aanleg een straf of maatregel oplegt en daarbij het bevel geeft dat de aan de straf verbonden voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dan wel de maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn, heeft “de rechter die kennisneemt van het beroep” op grond van artikel 6:6:6 Sv de bevoegdheid om het bevel op te heffen of te schorsen. Als de rechter daartoe overgaat, heeft de beslissing tot opheffing of schorsing onmiddellijke werking.
Aanleiding voor de toepassing van de bevoegdheid van artikel 6:6:6 Sv kan erin zijn gelegen dat in hoger beroep een ander oordeel dan dat van de rechtbank over de oplegging van straf of maatregel valt te verwachten, maar kan ook anderszins verband houden met de specifieke omstandigheden van het geval. De procedure van artikel 6:6:6 Sv vormt daarmee een waarborg met het oog op de (mogelijk) verstrekkende gevolgen die dadelijke uitvoerbaarheid heeft voor de verdachte.

3.3.2

Uit de tekst van de wet en ook uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat de beslissing om het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op te heffen of te schorsen alleen kan worden gegeven op de terechtzitting in hoger beroep in de hoofdzaak. Dat zou ook niet in de rede liggen omdat de omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor het opheffen of het schorsen van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, zich ook kunnen aandienen buiten de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof kan dan na een daartoe strekkend verzoekschrift van de verdachte of op vordering van het openbaar ministerie beslissen over het opheffen of schorsen van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. In dat geval is op grond van artikel 21 lid 1 Sv de raadkamer van het hof bevoegd. Onder “de rechter die kennisneemt van het beroep” als bedoeld in artikel 6:6:6 Sv moet daarom ook de raadkamer worden begrepen. Dat geldt ook bij het mogelijk opheffen van zo’n schorsing.

3.3.3

Het vorenstaande geldt ook voor de uitleg van de woorden “de rechter die kennisneemt van het hoger beroep” in artikel 77w lid 7 Sr.

3.4

Opmerking verdient dat artikel 6:6:6 Sv geen betrekking heeft op het geval waarin het gerechtshof in zijn uitspraak een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel heeft gegeven en tegen de uitspraak beroep in cassatie is ingesteld, en dat bijvoorbeeld een regeling zoals die op grond van artikel 75 Sv voor de voorlopige hechtenis geldt, niet is getroffen. Het is aan de wetgever om hiervoor een voorziening te treffen als hij dat wenselijk vindt.

4 Beoordeling van het cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de raadkamer van het hof dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het onder 1 bedoelde verzoek van de verdachte.

4.2.

De beschikking van het hof houdt onder meer het volgende in.

“De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2019 ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, mishandeling en -kort gezegd- beschadiging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 64 dagen met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de voorwaardelijke plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren gelast met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft bepaald dat de aan de voorwaardelijk opgelegde sanctie verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Op 31 juli 2019 is van de zijde van de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

Bij verzoekschrift -ingekomen ter griffie op 18 oktober 2019- heeft de raadsman namens de verdachte verzocht om opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid als voormeld.

(...)

Beoordeling van het verzoek

Naar het oordeel van het hof is de raadkamer van het hof ingevolge artikel 21 van het Wetboek van Strafvordering niet bevoegd een oordeel te geven betreffende het ingekomen verzoekschrift dat strekt tot opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, welke zijn gekoppeld aan de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel. Een dergelijke beslissing is voorbehouden aan de strafkamer, die in hoger beroep over het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep zal oordelen. Om die reden zal het hof zich onbevoegd verklaren.”

4.3.1

De dadelijke uitvoerbaarheid van aan de straf verbonden voorwaarden en het uit te oefenen toezicht of van een maatregel vormt een uitzondering op de in artikel 557 lid 1 (oud) Sv (thans artikel 6:1:16 lid 1 Sv) neergelegde hoofdregel dat rechterlijke beslissingen niet ten uitvoer worden gelegd zolang daartegen enig rechtsmiddel openstaat. De rechter kan een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid slechts geven in gevallen waarin de wet hem die bevoegdheid heeft toegekend. In aanmerking genomen dat het Wetboek van Strafrecht niet voorziet in een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, had de rechtbank die vonnis wees in de hoofdzaak dat bevel niet kunnen geven.

4.3.2

Het hof heeft de beschikking gewezen op 23 december 2019. Vóór de inwerkingtreding van artikel 6:6:6 Sv op 1 januari 2020, was de bevoegdheid van het gerechtshof om te beslissen tot opheffing van een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel, in het Wetboek van Strafrecht steeds verbonden aan de straf of maatregel waarvoor zo’n bevel mogelijk was gemaakt. Dat brengt mee dat in dit geval, waarin de wet niet voorzag in de mogelijkheid om zo’n bevel te geven, voor de verdachte geen voorziening openstond om het hof te verzoeken het door de rechtbank gegeven bevel op te heffen. Dit betekent dat het hof het door de verdachte ingediende verzoekschrift niet kon behandelen en dus de verdachte niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het verzoekschrift. Het kennelijke oordeel van het hof dat het niet bevoegd was tot dat oordeel te komen, is onjuist. Het cassatiemiddel slaagt.

4.3.3

Opmerking verdient dat sinds de inwerkingtreding van artikel 6:6:6 Sv op 1 januari 2020 het hof in een geval als het onderhavige, waarin – in strijd met de wet – een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een voorwaardelijke ISD-maatregel is gegeven, wel kan beslissen op een verzoekschrift tot het opheffen of schorsen van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. De omstandigheid dat een wettelijke grondslag ontbreekt voor het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid van een voorwaardelijke ISD-maatregel brengt dan met zich dat in hoger beroep een ander oordeel dan dat van de rechtbank over de oplegging van straf of maatregel valt te verwachten, zodat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid moet worden opgeheven.

5 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de beschikking van het hof.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2022.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.