Bij tussenarrest van 7 juli 20201 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat aan de voorwaarden van art. 5:78, aanhef en onder b, BW is voldaan en de erfdienstbaarheid gewijzigd zoals door [eiser 2] voorgesteld. (rov. 2.24)
De vraag die nog beantwoording behoefd is die naar de hoogte van de schadeloosstelling. (rov. 2.26)
In dit geval moet bij het begroten van de schade in het kader van art. 5:81 BW, zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de systematiek van schadevaststelling in de Onteigeningswet – waarbij het uitgangspunt volledige schadeloosstelling is – omdat deze wijze van schadebegroting het meest met de aard ervan in overeenstemming is (art. 6:97 BW). (rov. 2.29)
Op basis van het rapport van [de partijdeskundige] (hierna: de partijdeskundige) maakt [verweerder] aanspraak op een schadebedrag van in totaal € 252.650,--. Verder maakt [verweerder] aanspraak op een bedrag voor deskundige en rechtskundige bijstand van in totaal € 111.618,01, waaronder een bedrag van € 51.171,38 voor bijstand van de partijdeskundige. (rov. 2.31-2.32)
Het hof acht benoeming van een of meer deskundigen noodzakelijk voor onderzoek naar een aantal van de door [verweerder] gevorderde schadeposten. (rov. 2.48)
Het hof ziet in de aard van de schade aanleiding ruimhartig om te gaan met de door [verweerder] gevorderde kosten van deskundigen en (rechts)bijstand. (rov. 2.49)
Het hof zal [verweerder] in de gelegenheid stellen bij akte te specificeren welke uren van de partijdeskundige en welke uren van de rechtsbijstandverlener van [verweerder] betrekking hebben op de wijziging van de erfdienstbaarheid. (rov. 2.51-2.52)