De rechtbank heeft in de verwijzingsbeschikking onder meer als volgt overwogen.
In Nederland vindt de registratie van het geslacht in de geboorteakte plaats overeenkomstig de biologische werkelijkheid. Met de registratie wordt beoogd het maatschappelijk leven te ordenen en de rechtsbetrekkingen tussen individuen te regelen. De bevolkingsregistratie en het daarop gebaseerde overheidsstelsel zijn daarop gericht. De overheid is, met inachtneming van de wettelijke grenzen, ter uitoefening van haar taken en bevoegdheden, in beginsel bevoegd te kiezen op welke wijze de overheidsregistratie wordt ingericht. (rov. 6.4)
Op grond van de huidige wettelijke bepalingen zijn in geboorteakten alleen mogelijk de registraties ‘mannelijk’, ‘vrouwelijk’ of ‘het geslacht van het kind is niet kunnen worden vastgesteld’. Die laatste registratie is niet geschreven voor een geval als dit, waarin genderbeleving aan de orde is. De huidige wet voorziet niet in een neutrale (non-binaire) geslachtsaanduiding in de geboorteakte. (rov. 6.5)
In een uitspraak uit 20071 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vermelding van de aanduiding van het mannelijke dan wel vrouwelijke geslacht in de geboorteakte en art. 8 EVRM. Sindsdien hebben zich verschillende maatschappelijke ontwikkelingen voorgedaan. In de feitenrechtspraak worden verzoeken om wijziging van de geslachtsaanduiding bij genderneutraliteit verschillend behandeld. (rov. 6.6-6.13)
Gegeven de maatschappelijke ontwikkelingen, waarin sprake is van een maatschappelijke erkenning en (een trend naar) juridische erkenning van een neutrale geslachtelijke identiteit, is het in beginsel aan de wetgever om voor de situatie waarin non-binaire mensen verkeren in de wet een voorziening te treffen. Daarbij is van belang dat de overheid, met inachtneming van de wettelijke grenzen, ter uitoefening van haar taken en bevoegdheden, in beginsel bevoegd is te kiezen op welke wijze de overheidsregistratie wordt ingericht. Mede hierom kan de wetgever verschillende modaliteiten kiezen om tegemoet te komen aan de problematiek waarmee non-binaire mensen te maken hebben. Om die reden dient de rechter in beginsel terughoudend te zijn in het honoreren van verzoeken als die van betrokkene. (rov. 6.14-6.15)
Hoewel de wetgever aan zet is, kiest hij bewust ervoor (nog) niet over te gaan tot wetswijziging. De wetgever wil juist de ontwikkelingen in de rechtspraak afwachten. Nu de rechter in beginsel moet wachten op de wetgever, die op zijn beurt wacht op de rechter, dreigt een onwenselijke patstelling te ontstaan. Diverse rechtbanken hebben in de opstelling van de wetgever ruimte gezien om zelf een voorziening te treffen. Onduidelijk is of de rechter deze ruimte mag nemen. (rov. 6.16-6.18)