Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2022:347

Hoge Raad
11-03-2022
11-03-2022
21/00875
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:933, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:10177, Bekrachtiging/bevestiging
Burgerlijk procesrecht
Cassatie,Beschikking

Procesrecht. Voorlopig getuigenverhoor. Onvoldoende belang? Vereisten van art. 3:305a BW voor collectieve actie. Overgangsrecht.

Rechtspraak.nl
NJB 2022/696
PS-Updates.nl 2022-0219
RvdW 2022/301
NJ 2022/133
JIN 2022/68 met annotatie van Bossema-de Greef, P.H.
JBPr 2022/24 met annotatie van Barbiers, D.L.
RAV 2022/32
JA 2022/86
RBP 2022/39

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00875

Datum 11 maart 2022

BESCHIKKING

In de zaak van

STICHTING MUSIC#METOO,
gevestigd te Amsterdam,

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: SMMT,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

1. WARNER MUSIC BENELUX B.V.,
gevestigd te Hilversum,

hierna: Warner,

2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

verweerder 2 en 3 hierna ook gezamenlijk: [verweerder 2 en 3] ,

4. [verweerder 4] ,
wonende te [woonplaats] ,

5. [verweerder 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

6. [verweerder 6] ,
wonende te [woonplaats] ,

7. [verweerder 7] ,
wonende te [woonplaats] ,

verweerders 4 tot en met 7 hierna ook gezamenlijk: [verweerders 4 t/m 7] ,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: Warner c.s.,

advocaat: R.L.M.M. Tan.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaak C/16/493511 / HL RK 19-99 van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2020;

  2. de beschikking in de zaken 200.276.348/01, 200.282.276/01 en 200.282.278/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 december 2020.

SMMT heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Warner c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van SMMT heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) SMMT is een stichting die volgens haar statuten ten doel heeft om slachtoffers van belediging, discriminatie, seksualisering en seksueel misbruik een stem te geven, om dit ongewenste gedrag binnen onder meer de muziekbranche tegen te gaan en voorts al hetgeen te doen dat daartoe bevorderlijk kan zijn.

(ii) Warner is een platenmaatschappij die werkt voor en met grote nationale en internationale artiesten.

(iii) [verweerder 2] , [verweerder 3] en [verweerder 6] zijn artiesten.

(iv) [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 7] zijn indirect bestuurders van een artiestenmanagementbedrijf.

2.2

SMMT heeft de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. SMMT heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij bewijs wil verzamelen met het oog op een procedure tegen Warner, op basis van haar standpunt dat Warner onrechtmatig handelt door niet op te treden tegen wangedrag van aan haar verbonden artiesten. De rechtbank heeft Warner als belanghebbende opgeroepen. Warner is niet verschenen. De rechtbank heeft het verzoek van SMMT toegewezen.

2.3

Warner, [verweerder 2 en 3] en [verweerders 4 t/m 7] hebben hoger beroep ingesteld. Het hof1 heeft, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd en het verzoek van SMMT alsnog afgewezen. Het hof heeft daartoe, voor zover thans van belang, het volgende overwogen.

Een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor kan worden afgewezen op de gronden dat i) van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, ii) het verzoek strijdig is met een goede procesorde en iii) het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Verder bestaat geen aanleiding het verzoek onttrokken te achten aan de in art. 3:303 BW neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. (rov. 4.18)

Een rechtspersoon die een collectieve rechtsvordering kan instellen, kan ook een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor indienen. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek komt betekenis toe aan de vereisten voor een collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a BW. (rov. 4.21)

Volgens het per 1 januari 2020 gewijzigde art. 3:305a BW kan een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd. Daartoe is volgens art. 3:305a lid 2 BW nodig dat de rechtspersoon voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Daarnaast geldt volgens sub a tot en met e van dit artikellid een aantal voorwaarden die betrekking hebben op transparantie en governance, behoudens de uitzondering van lid 6. (rov. 4.22)

Niet gebleken is dat SMMT enige feitelijke activiteit ontplooit ter realisering van haar statutaire doel. SMMT heeft evenmin inzichtelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk beschikt over een achterban, die belang heeft bij de beantwoording van de rechtsvraag die SMMT met een collectieve actie aan de rechter wenst voor te leggen. Ook valt bij afwezigheid van nadere gegevens over de achterban niet te toetsen of een voldoende gehalte aan gelijksoortige belangen voorhanden is om een collectieve actie ontvankelijk te doen zijn, in die zin dat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. (rov. 4.25)

Het hof voegt hier nog aan toe dat representativiteit alleen niet voldoende is voor de eis dat de rechtspersoon de belangen van de personen voor wie zij opkomt voldoende moet waarborgen. SMMT zal eveneens moeten voldoen aan ontvankelijkheidseisen ter zake van transparantie en governance. Dat SMMT in aanmerking zou kunnen komen voor de uitzondering van lid 6, waardoor niet aan de ontvankelijkheidsvereisten uit lid 2, sub a tot en met e, behoeft te worden getoetst, is immers niet gesteld en is het hof ook niet gebleken. (rov. 4.26)

Al met al heeft SMMT onvoldoende naar voren gebracht om te kunnen oordelen dat SMMT voldoet aan de in het kader van een voorlopig getuigenverhoor te stellen eisen van art. 3:305a BW. Ook overigens is niet gebleken van een voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW. Het verzoek van SMMT om een voorlopig getuigenverhoor zal alsnog worden afgewezen. (rov. 4.27-4.29)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 5 van het middel bevat onder meer de klacht dat het hof aan de hand van het per 1 januari 2020 gewijzigde art. 3:305a BW heeft getoetst of SMMT belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor, terwijl het inleidend verzoek van SMMT in december 2019 is ingediend. Onderdeel 6 klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet slechts summier of marginaal heeft getoetst aan de in art. 3:305a BW gestelde voorwaarden. De Hoge Raad behandelt deze klachten gezamenlijk.

3.1.2

Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat volgens vaste rechtspraak een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor dat voor het overige aan de eisen voor toewijzing voldoet, kan worden afgewezen indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW).2

3.1.3

SMMT heeft verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten omdat zij overweegt een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen. Bij de beoordeling van dat verzoek ligt de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering in de hoofdzaak niet ter beoordeling voor.3 Dat staat er niet aan in de weg dat in een geval als het onderhavige, waarin de voorgenomen vordering een collectieve actie is als bedoeld in art. 3:305a BW, het verzoek wegens onvoldoende belang kan worden afgewezen indien onvoldoende aannemelijk is dat de verzoeker bij het instellen van de beoogde vordering voldoet aan de vereisten van art. 3:305a BW.

3.1.4

De vraag of SMMT onvoldoende belang heeft bij toewijzing van haar verzoek heeft het hof terecht beoordeeld met behulp van de vereisten van art. 3:305a BW zoals dit luidt sinds 1 januari 2020. In dit geval is op de voet van de art. 68a en 119a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek art. 3:305a BW zoals dit luidt sinds 1 januari 2020 van toepassing, aangezien tot aan die datum geen hoofdzaak is ingesteld en er geen aanwijzing is dat de rechtsvordering in de hoofdzaak (uitsluitend) betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (zie art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek).4

3.1.5

Uit rov. 4.25-4.29 blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat SMMT op wezenlijke onderdelen niet voldoet aan die vereisten en dat daarom voldoende belang ontbreekt. Gelet op het voorgaande geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.1.6

Uit het bovenstaande volgt dat de onderdelen 5 en 6 falen.

3.2

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt SMMT in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Warner, [verweerder 2 en 3] en [verweerders 4 t/m 7] begroot op € 913,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien SMMT deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 11 maart 2022.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10177.

2 Zie o.a. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.3.

3 Zie o.a. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.2.

4 Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13, p. 2.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.