2.1
Deze zaak gaat over de vraag of, kort gezegd, voor een wisseling van de zorgverantwoordelijke een uitdrukkelijke beslissing van de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:16 Wvggz is vereist (zie ook hierna in 3.3).
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Betrokkene is eind juni 2019 opgenomen in een accommodatie in Winschoten van Lentis. Daar verbleef hij op vrijwillige basis.
(ii) Op 25 januari 2021 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 25 juli 2021, voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘opnemen in een accommodatie’.
(iii) Wegens de zomersluiting van de accommodatie in Winschoten is betrokkene op 21 mei 2021 overgeplaatst naar een accommodatie van Lentis in Groningen.
(iv) Bij brief van 22 mei 2021 heeft de zorgverantwoordelijke aan de geneesheer-directeur bericht dat zij heeft besloten om per die datum de volgende vormen van verplichte zorg aan betrokkene te gaan verlenen: (i) beperken van de bewegingsvrijheid, (ii) insluiten en (iii) opnemen in een accommodatie, alle voor maximaal de duur van de verleende zorgmachtiging. Het betreft hier een beslissing op grond van art. 8:9 lid 1 Wvggz. Onder ‘opnemen in een accommodatie’ heeft de zorgverantwoordelijke in de brief het volgende vermeld:
“De verwachting is dat Lentis als zorgaanbieder kan blijven fungeren. De accommodatie waar verplichte zorg zal worden geboden en de eerste accommodatie waar een beroep op zal worden gedaan, zal naar verwachting primair:
[x] HIC Winschoten of Groningen
(…)
[x] Overig, namelijk...
zijn dan wel één van de andere accommodaties van Lentis.”
Onder het kopje ‘motivering’ bij deze vorm van verplichte zorg heeft de zorgverantwoordelijke het volgende geschreven:
“Betrokkene is reeds lange tijd opgenomen in een accommodatie omdat intensieve klinische zorg noodzakelijk is om ernstige ontregeling bij de schizo-affectieve stoornis te voorkomen.
Dhr. heeft een (soms zeer) gestructureerde klinische setting nodig om enige stabiliteit in het psychiatrisch beeld te verkrijgen en behouden. Om deze reden werd er een aanmelding gedaan naar het ART in Zuidlaren. Dhr. is het niet eens met deze verwijzing en zou zelf graag met ontslag naar huis gaan. Inmiddels is er een intake geweest bij het ART en staat dhr. op de wachtlijst voor overplaatsing naar Olmenstaete.”
(v) Bij brieven van 25 mei 2021 heeft de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:9 lid 3 Wvggz betrokkene en zijn advocaat van de beslissing van de zorgverantwoordelijke op de hoogte gesteld.
(vi) Op 14 juni 2021 is betrokkene van de accommodatie in Groningen overgeplaatst naar een andere accommodatie van Lentis, ART Zuidlaren, afdeling Olmenstaete.
2.3.1
Op 16 juni 2021 heeft betrokkene bij de regionale klachtencommissie Wvggz Groningen een klacht ingediend. De brief heeft als aanhef “Klacht over overplaatsing” en verwijst in de eerste alinea naar art. 10:3 lid 1, onder f, Wvggz. Betrokkene heeft in de klachtbrief voorts een verzoek tot schadevergoeding gedaan (art. 10:11 lid 1 Wvggz). In cassatie is de in de brief geformuleerde “Klacht 1: Toepassing verplichte zorgvorm: 8.9 Wvggz c.q. overplaatsing onder 8:16 Wvggz” van belang. De patiëntvertrouwenspersoon heeft deze klacht op 23 juni 2021 als volgt toegelicht:
“De overplaatsing van cliënt naar Olmenstaete had moeten plaatsvinden op basis van een beslissing ex art. 8:16 Wvggz.
Vanwege het overplaatsen van klager naar een andere locatie binnen de instelling heeft klager een andere zorgverantwoordelijke toegewezen gekregen. Deze beslissing is niet door de geneesheer-directeur genomen terwijl deze volgens art. 8:16 lid 1 hiervoor de aangewezen persoon is.
Nu de beslissing niet door de juiste persoon is genomen is, is aan de andere formele vereisten van art 8:16, alsmede de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 2 en 3 van de Wvggz ook niet voldaan.”
2.3.2
Bij beslissing van 30 juni 2021, verstuurd op 14 juli 2021, heeft de klachtencommissie de klacht van betrokkene over de gedwongen overplaatsing naar ART Zuidlaren, locatie Olmenstaete gegrond verklaard en betrokkene een bedrag van € 100,-- als schadevergoeding toegekend. Kort gezegd acht de klachtencommissie de beslissing tot overplaatsing materieel juist, maar formeel onjuist omdat die beslissing is genomen op de voet van art. 8:9 Wvggz en niet op de voet van art. 8:16 Wvggz.
2.4.1
Lentis heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz, dat zich onder meer richtte tegen het hiervoor in 2.3.2 vermelde oordeel van de klachtencommissie. Zij heeft de rechtbank verzocht de klachten van betrokkene alsnog ongegrond te verklaren en geen schadevergoeding toe te kennen.
2.4.2
De rechtbank heeft de beslissing van de klachtencommissie vernietigd, de klacht van betrokkene ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“5.4. De klacht van betrokkene richt zich tegen de feitelijke overplaatsing naar een andere locatie binnen Lentis. Betrokkene wilde heel nadrukkelijk niet overgeplaatst worden naar ART Zuidlaren, afdeling Olmenstaete. Uit artikel 8:9 Wvggz volgt dat zodra betrokkene verzet vertoont tegen de door de zorgaanbieder te verlenen zorg, voor de toepassing van verplichte zorg een uitvoeringsbeslissing moet worden genomen. De zorgverantwoordelijke is bevoegd deze beslissing te nemen. (…) Door de psychiater is toegelicht dat bij iedere (nieuwe) toepassing van verplichte zorg, in het geval er sprake is van twijfel aan de behandelbereidheid of er is sprake van verzet, een artikel 8:9 Wvggz-beslissing wordt genomen. Indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden wordt een voorgaande artikel 8:9 Wvggz-beslissing geactualiseerd door een opvolgende beslissing om zo betrokkene te informeren over deze aanpassing. Ten gevolge van het nadrukkelijke verzet van betrokkene tegen de overplaatsing naar een andere locatie is door de psychiater, zijnde de zorgverantwoordelijke derhalve terecht een artikel 8:9 Wvggz-beslissing genomen.
5.9.
Voor wat betreft de (onjuiste) conclusie van de klachtencommissie dat door Lentis een artikel 8:16 Wvggz-beslissing had moeten worden genomen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de wet volgt dat indien betrokkene het niet eens is met het krijgen van een andere zorgverantwoordelijke, ook indien dit binnen dezelfde instelling is, de geneesheer-directeur op grond van artikel 8:16 Wvggz hierover een beslissing kan nemen en betrokkene ook op grond van dit artikel kan klagen over deze beslissing. Betrokkene klaagt echter nadrukkelijk niet over het krijgen van een nieuwe zorgverantwoordelijke. Noch in zijn klaagschrift als ter zitting heeft betrokkene er blijk van gegeven dat hij het niet eens is met het hebben van een andere zorgverantwoordelijke. De klacht van betrokkene richt zich juist op de feitelijke overplaatsing, welke beslissing niet beheerst wordt door artikel 8:16 Wvggz, maar door artikel 8:9 Wvggz. Lentis heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat haar aanzegging van 22 mei 2021 viel onder de reikwijdte van dat laatste artikel. Dat deze feitelijke overplaatsing met zich brengt dat er ook een wijziging van zorgverantwoordelijke volgt, een (ambtshalve) beslissing die mogelijk wel onder de reikwijdte van artikel 8:16 Wvggz valt, doet in dit geval niet ter zake. De klacht van betrokkene richt zich immers niet tegen de wijziging van zorgverantwoordelijke, maar tegen zijn feitelijke verhuizing naar een andere locatie.”