In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1. Deze komen op het volgende neer.
(i) In april 2005 heeft [verweerder] de gemeente verzocht een aan hem toebehorend perceel, gelegen op de hoek [a-straat] / [c-straat] te [plaats] (hierna: het perceel) aan te merken als bouwperceel ten behoeve van een woning.
(ii) In augustus 2005 heeft de gemeente geantwoord dat op grond van het bestemmingsplan, in het bijzonder de bestemming “verspreide bebouwing klasse C”, een bouwperceel een oppervlakte van tenminste 1600 m2 moet hebben en een breedte van tenminste 40 meter en dat het perceel niet aan die vereisten voldoet.
(iii) In februari 2006 heeft [verweerder] de gemeente verzocht een standpunt in te nemen over de kwalificatie van het perceel als bouwkavel en over de ligging van de voorgevelrooilijn.
(iv) Op 25 april 2006 heeft de gemeente laten weten dat zij heeft besloten om in principe, onder voorwaarden, medewerking te verlenen aan het zodanig vaststellen van de voorgevelrooilijn langs de [a-straat] dat een bouwkavel ontstaat waarvoor [verweerder] een verzoek tot partiële bestemmingsplanherziening kan indienen (hierna: het eerste principebesluit). Tot de voorwaarden behoort dat de woning wordt ontwikkeld in de categorie ‘goedkope koop’ (tot € 200.000,). Het eerste principebesluit houdt voorts in (i) dat bij de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel meetellen de gedeelten van het perceel die vallen onder de bestemmingen “voorerf klasse A” en “bermen, openbaar groen of plantsoenen” en (ii) dat het vanuit het oogpunt van stedenbouw en verkeersveiligheid niet gewenst is een te bouwen woning te oriënteren op de [c-straat] .
(v) In reactie op het eerste principebesluit heeft [verweerder] in april 2006 de gemeente geschreven het met dit laatste niet eens te zijn en dat in geval van oriëntatie op de [c-straat] , het perceel zonder meer kan worden aangemerkt als bouwperceel.
(vi) Op 6 juni 2006 heeft [verweerder] de gemeente verzocht het eerste principebesluit te herzien en daartoe onder meer aangevoerd dat de ontsluitingszijde niet bepalend zou moeten zijn voor de voorgevelrooilijn.
(vii) Op 13 juli 2006 heeft de gemeente laten weten vast te houden aan het eerste principebesluit (hierna: het tweede principebesluit).
(viii) Op 4 oktober 2006 heeft [verweerder] het perceel verkocht aan een derde voor € 400.000,--. De koopovereenkomst houdt in dat de levering zal plaatsvinden op 1 maart 2009, ervan uitgaande – kort gezegd – dat de gemeente erkent dat op het perceel een woning kan worden gebouwd. De koopovereenkomst bevat een nadere regeling voor het geval die voorwaarde op 1 maart 2009 niet is vervuld, onder meer inhoudende dat als de voorwaarde op 1 maart 2011 nog niet is vervuld, ieder der partijen gerechtigd is de overeenkomst te ontbinden. Deze koopovereenkomst is niet uitgevoerd.
(ix) Op 2 februari 2007 heeft [verweerder] een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning met oriëntatie op de [a-straat] .
(x) Bij brief van 12 juni 2007 heeft de gemeente [verweerder] laten weten dat zijn bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat slechts met een vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) (hierna: WRO (oud)) medewerking kan worden verleend, waartoe [verweerder] dan een ruimtelijke onderbouwing moet aanleveren. De brief houdt onder meer in dat, anders dan de gemeente schreef in het eerste en het tweede principebesluit, het oppervlak van de bestemming “bermen, openbaar groen of plantsoenen” niet meetelt bij de berekening van de oppervlakte van het bouwperceel, met als gevolg dat het perceel niet voldoet aan de criteria van het bestemmingsplan.
(xi) Op 10 oktober 2007 heeft [verweerder] zijn aanvraag van 2 februari 2007 ingetrokken en een nieuwe aanvraag ingediend voor de bouw van een woning met oriëntatie op de [c-straat] .
(xii) Bij besluit van 14 november 2007 heeft de gemeente de door [verweerder] aangevraagde bouwvergunning voor de bouw van een woning aan de [c-straat] geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan (hierna ook: het primaire besluit). Het primaire besluit noemt daarvoor twee gronden: (i) de woning is gedeeltelijk geprojecteerd op de bestemming “voorerf klasse A” en (ii) het bouwperceel is niet 40 meter breed. Grond (i) berustte op de opvatting van de gemeente over de loop van de voorgevelrooilijn ten opzichte van de [a-straat] . Onderdeel van het besluit is om geen onderzoek te doen naar eventuele vrijstellingsmogelijkheden, omdat [verweerder] te kennen heeft gegeven geen vrijstelling te wensen.
(xiii) Het door [verweerder] tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de gemeente bij besluit van 16 april 2008 ongegrond verklaard (hierna ook: de beslissing op bezwaar). In de beslissing op bezwaar heeft de gemeente haar standpunt dat het perceel niet breed genoeg is, gehandhaafd en haar standpunt over de loop van de voorgevelrooilijn verlaten.
(xiv) [verweerder] heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 februari 2009 ongegrond verklaard.
(xv) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 11 november 2009 het door [verweerder] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beslissing op bezwaar van de gemeente vernietigd en de gemeente opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. De Afdeling heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen reden is om aan te nemen dat gronden met de bestemming “bermen, openbaar groen of plantsoen” uitgesloten zijn van de berekening van de breedte van een bouwperceel. Voorts heeft de Afdeling vastgesteld dat het perceel van [verweerder] voldoende breed is en het bouwplan in dat opzicht dus niet in strijd is met het bestemmingsplan.
(xvi) Bij besluit van 17 december 2009 heeft de gemeente, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling, het primaire besluit herroepen en alsnog een reguliere bouwvergunning 1e fase aan [verweerder] verleend voor het bouwen van een woning op het perceel, met oriëntatie op de [c-straat] .
(xvii) Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de gemeente met toepassing van art. 19 lid 3 WRO (oud) aan [verweerder] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het uitbreiden van de beoogde woning op het perceel.
(xviii) Op 23 mei 2012 heeft [verweerder] de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de eerdere opstelling van de gemeente. Zijn advocaat heeft bij brief van 10 juli 2013 de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die [verweerder] heeft geleden door de weigering van de bouwvergunning bij het primaire besluit van 14 november 2007.
(xix) De gemeente heeft op 25 oktober 2012 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Daarin is het perceel gelegen binnen de gebiedsaanduiding “geluidzone - industrie” en het bestemmingsplan houdt in dat het daarbinnen niet is toegestaan om woningen te bouwen.