3.2
De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht noodzaakt tot uitleg van art. 12 Rv. Bij die uitleg is uitgangspunt (i) dat art. 12 Rv ziet op gevallen waarin de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is (zie hierna in 3.3.3), (ii) dat art. 12 Rv de rechter niet dwingt zich desondanks onbevoegd te verklaren, nu de rechter niet verplicht is om de zaak aan te houden op grond van deze bepaling (zie hierna in 3.3.5) en (iii) dat uit een oogpunt van goede procesorde zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de Nederlandse procedure na een inhoudelijke behandeling of beoordeling alsnog eindigt in onbevoegdverklaring (zie hierna in 3.3.2).
De litispendentieregeling van art. 12 Rv
3.3.1
Art. 12 Rv luidt als volgt:
“Indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Indien het een zaak betreft die bij dagvaarding moet worden ingeleid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.”
3.3.2
Art. 12, derde zin, Rv in verbinding met art. 11 Rv houdt in dat het beroep op litispendentie in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, op straffe van verval van het recht daartoe moet worden gedaan voor alle weren ten gronde. Deze regel beoogt de goede procesorde te bevorderen en strekt ertoe te voorkomen dat de gedaagde na een debat over de rechtsbetrekking, in een later stadium van de procedure zou kunnen opwerpen dat de rechter wegens zuiver processuele regels niet tot een beoordeling van het geschil zou moeten komen. Gelet op deze strekking moet worden aangenomen dat ook in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, het beroep op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv voor alle weren ten gronde moet worden gedaan.
Voor het hoger beroep brengt deze regel mee dat in die instantie alleen dan een beroep op litispendentie kan worden gedaan indien de partij die het betreft, in eerste aanleg niet is verschenen, of indien het beroep op litispendentie betrekking heeft op een vordering die of verzoek dat voor het eerst in hoger beroep is ingesteld respectievelijk gedaan.
3.3.3
Toepassing van art. 12 Rv veronderstelt dat de rechter op grond van een bevoegdheidsregel internationale bevoegdheid (rechtsmacht) heeft om de zaak te berechten. De litispendentieregeling van art. 12 Rv vormt immers een uitzondering in het bevoegdheidsrecht, die tot gevolg kan hebben dat de rechter, hoewel hij aan een bevoegdheidsregel internationale bevoegdheid kan ontlenen, zich toch onbevoegd verklaart. De rechter dient dus, voordat hij ten aanzien van een bepaalde vordering of verzoek aan toepassing van art. 12 Rv toekomt, eerst zijn internationale bevoegdheid ter zake te onderzoeken.5
3.3.4
Bij de beoordeling van het beroep op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv dient de rechter, indien hij aanhouding op grond van deze bepaling overweegt, in de eerste plaats te onderzoeken of – op het moment van deze beoordeling – is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling, dus of (i) tussen dezelfde partijen (ii) over hetzelfde onderwerp (iii) een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is (waaronder ook moet worden begrepen de situatie dat de rechter in deze staat een beslissing heeft gegeven en de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel nog niet is verstreken), (iv) welke zaak – in de eerste instantie – eerder aanhangig is gemaakt dan de procedure bij de Nederlandse rechter. Daarbij geldt dat het tijdstip van aanhangig maken van de buitenlandse procedure moet worden bepaald naar het – door de rechter ambtshalve toe te passen – recht van de desbetreffende staat.6
3.3.5
Is aan de hiervoor in 3.3.4 vermelde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv voldaan, dan dient de rechter vervolgens te onderzoeken of in de buitenlandse procedure een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is.7 Indien dat het geval is, kan de rechter op grond van art. 12, eerste zin, Rv de behandeling van de zaak aanhouden; hij is daartoe niet verplicht. De rechter kan bijvoorbeeld beslissen dat de behandeling van de zaak niet wordt aangehouden omdat een onherroepelijke beslissing van de buitenlandse rechter naar verwachting nog te lang op zich laat wachten (zie hierna in 3.3.6). De bevoegdheid om de zaak op grond van art. 12 Rv aan te houden komt alleen toe aan de rechter van de instantie waarin het beroep op litispendentie is gedaan (en kon worden gedaan, zie hiervoor in 3.3.2, tweede alinea).
De beslissing om de behandeling van de zaak al dan niet aan te houden, is een voorlopige beslissing, waaraan de rechter niet is gebonden. Het staat de rechter die tot aanhouding heeft besloten, dus vrij om – zolang de buitenlandse rechter nog geen onherroepelijke beslissing heeft gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is – terug te komen van die beslissing en de behandeling van de zaak voort te zetten.
3.3.6
Heeft de rechter de behandeling van de zaak op grond van art. 12, eerste zin, Rv aangehouden, en blijkt de vervolgens door de buitenlandse rechter gegeven beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar te zijn8, dan is onbevoegdverklaring op grond van art. 12, tweede zin, Rv aan de orde.
Daarbij geldt dat de rechter zich op grond van art. 12 Rv alleen dan onbevoegd mag verklaren als de buitenlandse beslissing onherroepelijk is geworden, dat wil zeggen dat tegen deze beslissing in de staat van herkomst geen rechtsmiddel is ingesteld en de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel is verstreken.9 Aldus wordt voorkomen dat zowel de Nederlandse als de buitenlandse rechter zich onbevoegd verklaart, wat kan meebrengen dat het geschil nergens in rechte kan worden beslecht.
Is de buitenlandse beslissing die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, nog niet onherroepelijk, dan kan de rechter de behandeling van de zaak verder aanhouden in afwachting van het onherroepelijk worden van de buitenlandse beslissing dan wel de behandeling van de zaak voortzetten (zie hiervoor in 3.3.5).
Blijkt de buitenlandse beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar te zijn alsook onherroepelijk te zijn, dan moet de rechter zich op grond van art. 12 Rv onbevoegd verklaren. In dat stadium heeft de rechter, gelet op de bewoordingen van art. 12 Rv, geen discretionaire bevoegdheid meer.
3.4.1
In hoger beroep geldt in dit verband het volgende.
3.4.2
Heeft de rechter in eerste aanleg een inhoudelijke beslissing gegeven nadat hij had geoordeeld dat niet is voldaan aan de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv, dan kan een tegen dat oordeel gerichte grief niet ertoe leiden dat de rechter in hoger beroep alsnog met toepassing van art. 12 Rv tot het oordeel komt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de desbetreffende vordering of het verzoek onbevoegd is. De beslissing van de rechter in eerste aanleg impliceert immers dat deze rechter de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden en dat stond hem in het kader van de toepassing van art. 12 Rv hoe dan ook vrij (zie ook hierna in 3.4.3).
3.4.3
Tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg om de behandeling van de zaak op grond van art. 12 Rv al dan niet aan te houden (zie hiervoor in 3.3.5), kan gelet op het discretionaire karakter daarvan niet in hoger beroep worden opgekomen.
3.4.4
Heeft de rechter in eerste aanleg een inhoudelijke beslissing gegeven nadat hij in het kader van de toepassing van art. 12 Rv had geoordeeld dat de buitenlandse beslissing niet voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn of niet onherroepelijk is (zie hiervoor in 3.3.6), dan verklaart de rechter in hoger beroep de Nederlandse rechter alsnog op grond van art. 12 Rv onbevoegd indien de rechter in hoger beroep, naar aanleiding van een tegen dat oordeel gerichte grief of in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, oordeelt dat dit onjuist is, en ook overigens aan de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv is voldaan. Het betreft hier een beoordeling naar het moment van dat oordeel in eerste aanleg (ex tunc).
3.4.5
Heeft de rechter in eerste aanleg geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv onbevoegd is, dan kan dat oordeel in hoger beroep worden aangevochten op de grond dat de rechter in eerste aanleg de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden heeft miskend of ten onrechte heeft geoordeeld dat de buitenlandse beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn en onherroepelijk is (zie hiervoor in 3.3.6).
Vernietigt de rechter in hoger beroep de beslissing van de rechter in eerste aanleg dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv onbevoegd is, dan verwijst hij de zaak op de voet van art. 76 Rv terug naar de rechter in eerste aanleg, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de rechter in hoger beroep de zaak aan zich houdt. Weliswaar heeft de rechter in eerste aanleg zich in dat geval niet onbevoegd verklaard ‘wegens het ontbreken van rechtsmacht’ (zie hiervoor in 3.3.3), maar onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv moet daarmee op een lijn worden gesteld.
3.4.6
Het voorgaande komt erop neer dat in hoger beroep:
(i) de verwerping van een beroep op art. 12 Rv slechts met succes kan worden bestreden voor zover de rechter in eerste aanleg, na toepassing te hebben gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid tot aanhouding, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat niet aan de voorwaarden voor onbevoegdverklaring is voldaan (zie hiervoor in 3.4.4);
(ii) de beslissing tot onbevoegdverklaring op de voet van art. 12 Rv binnen het door de grieven ontsloten gebied volledig kan worden herbeoordeeld (zie hiervoor in 3.4.5).
Erkenning en vordering/verzoek art. 431 lid 2 Rv in de procedure waarin een beroep op art. 12 Rv is gedaan
3.5.1
Het vorenstaande laat onverlet dat in de Nederlandse procedure, waarin een beroep op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv is gedaan, partijen tevens kunnen vragen om erkenning van de buitenlandse beslissing, al dan niet met veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld (art. 431 lid 2 Rv) (zie hierna in 3.6.1-3.6.2).
Uit het oogpunt van proces-economie moet worden aanvaard dat ook in een verzoekschriftprocedure kan worden verzocht om (erkenning van de buitenlandse beslissing en) veroordeling, op de voet van art. 431 lid 2 Rv, tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. Art. 261 Rv verzet zich daartegen niet.10
3.5.2
Onbevoegdverklaring op grond van art. 12 Rv heeft betrekking op de vordering of het verzoek ten aanzien waarvan het beroep op art. 12 Rv is gedaan (zie hiervoor in 3.3.3). Is in de procedure tevens een vordering ingesteld, of verzoek gedaan, tot erkenning van de buitenlandse beslissing, al dan niet met veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld (zie hiervoor in 3.5.1), dan wordt de procedure daarover voortgezet.
Erkenning naar commuun ipr; buitenlandse beslissing onherroepelijk?
3.6.1
Naar commuun internationaal privaatrecht is uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.11
3.6.2
De rechter kan erkenning als hiervoor in 3.6.1 bedoeld uitstellen of weigeren indien de buitenlandse beslissing niet onherroepelijk is, dat wil zeggen dat tegen de buitenlandse beslissing in de staat van herkomst een rechtsmiddel is ingesteld of de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel nog niet is verstreken.12 Een weigering op deze grond vormt geen belemmering voor een hernieuwd verzoek om erkenning van de beslissing. Ook kan de rechter, op verzoek of ambtshalve, de voorwaarde stellen dat de partij die om erkenning van een niet onherroepelijke buitenlandse beslissing vraagt, zekerheid stelt voor schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden.
3.7.1
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank – wat er ook zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering – het beroep van de vrouw op litispendentie als bedoeld in art. 12 Rv verworpen, primair op grond van het oordeel dat geen sprake is van ‘hetzelfde onderwerp’. De rechtbank was dus van oordeel dat niet is voldaan aan de hiervoor in 3.3.4 genoemde toepassingsvoorwaarden van art. 12 Rv. Vervolgens heeft zij een inhoudelijke beslissing gegeven over de kinderalimentatie.
3.7.2
De vrouw heeft in hoger beroep een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van ‘hetzelfde onderwerp’. Het hof heeft deze grief gegrond bevonden en zich vervolgens op grond van art. 12 Rv onbevoegd verklaard.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, kon deze grief echter niet leiden tot het oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv ten aanzien van het desbetreffende verzoek onbevoegd is.
3.7.3
Onderdeel I, dat hierop gerichte klachten bevat, slaagt dus in zoverre. Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling.
3.8.1
Onderdeel III is gericht tegen de verwerping door het hof (in rov. 5.31-5.33) van de grief van de man tegen het oordeel van de rechtbank dat de man gehouden is aan de vrouw haar persoonlijke spullen terug te geven voor zover die zich in de echtelijke woning bevinden. Door deze grief te verwerpen op de grond dat geen van partijen heeft gespecificeerd om welke spullen het gaat, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste opvatting over de art. 149 en 150 Rv, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het onderdeel.
3.8.2
Het onderdeel slaagt. In eerste aanleg heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw haar persoonlijke spullen teruggeeft. De man heeft daartegen aangevoerd dat de vrouw al haar persoonlijke spullen heeft meegenomen toen zij de echtelijke woning verliet. De rechtbank heeft beslist dat de man de vrouw haar persoonlijke spullen diende terug te geven, voor zover die zich nog in de echtelijke woning bevonden. In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zich nog persoonlijke spullen bevinden in de echtelijke woning. Door de desbetreffende grief van de man te verwerpen heeft het hof miskend dat het op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv aan de vrouw, en dus niet aan de man, was om te stellen en zo nodig te bewijzen welke persoonlijke spullen de man diende terug te geven.