Het hof heeft bij beschikking van 3 februari 2022, voor zover in cassatie van belang, de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard kennis te nemen van het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie.1 Daartoe heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.
Het hof dient zijn rechtsmacht ten aanzien van de nevenvoorzieningen afzonderlijk te beoordelen (HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31). De Nederlandse rechter is op grond van art. 3, aanhef en onder a en b, Alimentatieverordening bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw betreffende kinderalimentatie omdat zowel de man (als verweerder) als de vrouw (als verzoekster) hun gewone verblijfplaats in Nederland heeft. (rov. 5.1)
De man verzoekt te bepalen dat de Nederlandse rechter onbevoegd is ten aanzien van het alimentatieverzoek omdat de rechtbank te Marrakesh hierover al, uitvoerbaar bij voorraad, heeft beslist bij de Marokkaanse beschikking en de vrouw van die beschikking in hoger beroep is gegaan. (rov. 5.2)
Of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw is, gelet op art. 12 Rv, ervan afhankelijk of (i) de Marokkaanse beschikking voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar is en (ii) het verzoek hetzelfde onderwerp betreft als waarover de Marokkaanse rechter reeds heeft beslist. (rov. 5.3)
Tussen Nederland en Marokko geldt geen verdrag of verordening waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen is geregeld. De erkenning van de Marokkaanse beschikking wordt beheerst door het Nederlandse commune internationaal privaatrecht, te weten art. 431 Rv. De voorwaarden voor erkenning zijn door de Hoge Raad uiteengezet in het Gazprombank-arrest.2 De Marokkaanse alimentatiebeslissing voldoet aan deze voorwaarden. (rov. 5.3-5.5)
Nu de Marokkaanse beschikking vatbaar is voor erkenning in Nederland, kan de vrouw een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv instellen om een in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verwerven. Toewijzing van die vordering stuit niet af op het feit dat van deze beschikking (in Marokko) hoger beroep is ingesteld. De Marokkaanse beschikking is immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Omdat de waardering van de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging ten aanzien van de beslissing in hoger beroep niet anders zal zijn, zal ook die beslissing te zijner tijd in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd door het voeren van een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv. (rov. 5.6)
Tussen partijen is niet in geschil dat de Marokkaanse rechter een beslissing over kinderalimentatie heeft genomen. Nu die Marokkaanse beschikking in Nederland kan worden erkend en tenuitvoergelegd, is de Nederlandse rechter onbevoegd kennis te nemen van het inleidend verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie. (rov. 5.8)