3.2
Voor zover het betoog van belanghebbende ziet op de belastingheffing over de jaren 2015 en 2016 faalt het op de gronden die zijn uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720 (rechtsoverweging 3.4).
3.3.1
Voor zover het betoog van belanghebbende ziet op de belastingheffing over de jaren 2017 en 2018 is het volgende van belang.
3.3.2
Op het moment waarop de nu bestreden uitspraak van het Hof werd gedaan, was het uitgangspunt dat een aanwijzing als bedoeld in artikel 25c AWR (de massaalbezwaarprocedure) tot gevolg heeft dat de onder die procedure vallende rechtsvragen uitsluitend aan de rechter kunnen worden voorgelegd in de daartoe geselecteerde zaken (artikel 25d AWR). In andere zaken waarin (tijdig) bezwaar is gemaakt tegen de heffing binnen box 3, kan de rechter volgens dit uitgangspunt alleen beoordelen of die heffing ten aanzien van de belanghebbende moet worden beschouwd als een individuele buitensporige last.4
3.3.3
Dit uitgangspunt is genuanceerd in het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718 (rechtsoverweging 3.2.4). In dit arrest is de regel geformuleerd dat de rechter vanaf de datum waarop in de massaalbezwaarprocedure een collectieve uitspraak is gedaan5, bij de behandeling van het (hoger) beroep inzake het individuele bezwaar (de beoordeling van de individuele buitensporige last) de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel kan betrekken, met inbegrip van het jegens de belanghebbende genomen besluit inzake vermindering van de aanslag dat volgens artikel 25e, lid 4, AWR op de collectieve uitspraak moet volgen (hierna: de individuele verminderingsbeslissing).
3.3.4
De reden voor deze nuancering vond de Hoge Raad in de omstandigheid dat ook na afronding van de massaalbezwaarprocedure en het onherroepelijk worden van de aanslag nog een verzoek tot ambtshalve (verdere) vermindering kan worden gedaan. Tegen de gehele of gedeeltelijke afwijzing van zo’n verzoek staat volgens artikel 9.6, lid 3, Wet IB 2001 bezwaar, en dus ook beroep open. Dit kan ertoe leiden dat een belanghebbende over met elkaar samenhangende geschilpunten twee procedures zou moeten doorlopen: na de reeds aanhangige procedure over het individuele bezwaar een nieuwe procedure naar aanleiding van een verzoek om ambtshalve (verdere) vermindering. Het hiervoor in 3.3.3 genoemde arrest beoogt mogelijk te maken dat in de reeds aanhangige procedure finale afdoening van het geschil kan worden bereikt zonder de belanghebbende te nopen tot een afzonderlijk verzoek om ambtshalve vermindering.
3.3.5
Veelal zullen de gevolgen van de collectieve uitspraak pas volledig duidelijk zijn nadat de inspecteur een individuele verminderingsbeslissing heeft genomen. Indien de individuele verminderingsbeslissing bekend is voordat de rechter uitspraak doet, en partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten, kan de rechter die verminderingsbeslissing in zijn beoordeling betrekken. Dat is wat het hiervoor in 3.3.3 genoemde arrest beoogt te bevorderen. Het is denkbaar dat de rechter zich ook voorafgaand aan de individuele verminderingsbeslissing in staat acht de gevolgen van de collectieve uitspraak in voldoende mate te bepalen. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien uit het partijdebat volgt dat er geen aanleiding is de individuele verminderingsbeslissing af te wachten.
3.3.6
Uit het hiervoor in 3.3.3 genoemde arrest mag dus niet worden afgeleid dat de rechter na de collectieve uitspraak op bezwaar steeds gehouden is de gevolgen daarvan zelfstandig te bepalen en daarmee vooruit te lopen op een nog te nemen individuele verminderingsbeslissing. Uit dat arrest volgt evenmin dat de rechter, in die gevallen waarin hij finale beslechting van het geschil niet mogelijk acht, gehouden is zijn uitspraak pas te doen nadat partijen zich over de gevolgen van de collectieve uitspraak en de daarop gebaseerde individuele verminderingsbeslissing hebben kunnen uitlaten.
3.3.7
Hetgeen hiervoor in 3.3.4 is overwogen laat onverlet dat de rechter het belang van een voortvarende beslechting van het geschil zwaarder kan laten wegen. Indien hij de gevolgen van de collectieve uitspraak op bezwaar voor de hoogte van het in box 3 te heffen bedrag niet kan overzien, maar wel aanknopingspunten vindt om aan te nemen dat het krachtens het arrest van 24 december 2021 te bieden rechtsherstel niet tot een andere beoordeling van de individuele buitensporige last zal nopen, staat het de rechter vrij zich te beperken tot een oordeel over de individuele buitensporige last.
3.3.8
Het oordeel van het Hof en de overwegingen waarop dat oordeel berust, zoals hiervoor in 2.5 samengevat, geven, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.6 en 3.3.7 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten, in cassatie niet in verdergaande mate worden onderzocht.
3.4
De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de klachten in zoverre is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).