De rechtbank heeft geoordeeld dat de weduwe ontvankelijk is en belang heeft bij het verzet, heeft verder de zaak aangehouden voor het indienen van inhoudelijk verweer door de vereffenaar en verlof verleend voor het instellen van tussentijds cassatieberoep. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen als volgt.
“4.4. Vanwege de conclusie dat het verzet zich richt tegen de eerste tussentijdse uitdelingslijst, is de vraag relevant of deze eerste tussentijdse uitdelingslijst nog bestaat, of dat deze rechtsgeldig is ingetrokken. Als dat laatste het geval is, heeft de vereffenaar terecht aangevoerd dat [de weduwe] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
(…)
Op de zitting is aan de vereffenaar gevraagd in hoeverre met de eerste uitdelingslijst de afwikkeling van de nalatenschap in gedrang zou komen. De vereffenaar heeft verklaard dat er geen fout is gemaakt, maar dat in het belang van [de weduwe] is gehandeld. Om die reden heeft de vereffenaar de tussentijdse uitdelingslijst aangepast en het aan de belastingdienst toegekende (uit te betalen) bedrag terug gebracht van € 4.500.000,- naar € 3.000.000,-.
Daarnaast is ter zitting bevestigd door de vereffenaar dat de belastingdienst verreweg de grootste schuldeiser van de nalatenschap is en de vordering reeds onherroepelijk is vastgesteld voor een bedrag van meer dan € 30.000.000,-.
De rechtbank stelt vast dat van een fout dus geen sprake is, het was een keuze van de vereffenaar. Daarnaast is niet vast komen te staan dat de afwikkeling van de nalatenschap in gedrang zou komen als de eerste tussentijdse uitdelingslijst zou zijn gevolgd. Ook het verschil tussen de bedragen (€ 1.500.000,-) op de eerste en de tweede tussentijdse uitdelingslijst, zal gelet op de omvang van de vordering en de rangorde tussen de schuldeisers volgens de vereffenaar aan de belastingdienst toekomen en uitbetaald moeten worden.
Alles in ogenschouw genomen is de rechtbank van oordeel dat zich hier niet een situatie voor heeft gedaan waarin sprake is van een rechtsgeldige intrekking. Die mogelijkheid moet naar het oordeel van de rechtbank ingeval van een uitdelingslijst bij een vereffening echt voorbehouden zijn aan de situatie van overduidelijke fouten die praktisch hersteld worden door of na een intrekking en zonder herstel van die fouten de afwikkeling in gedrang zou komen. Zonder die voorwaarden zou een vereffenaar naar believen - of bij een onwelgevallig verzet - een ingediende uitdelingslijst kunnen intrekken en weer een nieuwe kunnen indienen. De rechtszekerheid is daarmee niet gediend en de eventuele aanpassingen die de vereffenaar zou willen doorvoeren kunnen uitstekend in het debat van de verzetprocedure aan de orde komen. Dan kan ook concreet worden hoe een aanpassing er uit zou moeten zien.
Concluderend stelt de rechtbank vast dat [de weduwe] ontvankelijk is in het verzet, nu het tijdig is ingediend en de tussentijdse uitdelingslijst waartegen verzet is ingediend, niet rechtsgeldig is ingetrokken.”