Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2023:1700

Hoge Raad
12-12-2023
12-12-2023
22/02728
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:741
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2022:2083
Strafrecht
Cassatie

‘Shredderzaak’. Doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen verbergen van lijk (art. 151 Sr). Cold case uit 2002. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Stelselmatige informatie-inwinning, art. 126j Sv. (a) Verslaglegging WOD-traject. Staat omstandigheid dat gesprekken met verdachte grotendeels niet auditief zijn opgenomen in de weg aan gebruik voor bewijs van twee wel opgenomen gesprekken? (b) Zijn verklaringen van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid verkregen? 2. Bewijsklacht ‘verbergen’ lijk.

Ad 1. Hof heeft overwogen dat WOD-traject in deze zaak kenmerken vertoont van ‘Mr. Big’-methode en dat hof daarom toetsingskader uit ‘Mr. Big’-arresten van HR hanteert. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1982/1983 (‘Mr. Big’) m.b.t. beoordelingskader of verklaringen van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid zijn verkregen en uit HR:2021:947 m.b.t. rol van persoon van verdachte. Onder verwijzing naar rechtspraak EHRM over art. 6 EVRM en ‘privilege against self-incrimination’ (Ibrahim/Verenigd Koninkrijk, Allan/Verenigd Koninkrijk en Bykov/Rusland) voegt HR daaraan toe dat het aan de rechter is om in concreet geval te beoordelen of - aan op art. 126j Sv gebaseerde opsporingsmethode tot op zekere hoogte inherente - misleiding heeft plaatsgevonden in zodanige mate en binnen zodanig kader dat grenzen die bij toepassing van enige vorm van ‘compulsion’ (dwang) en ‘subterfuge’ (misleiding) in acht moeten worden genomen, niet zijn overschreden. HR herhaalt dat als verklaringen in strijd met verklaringsvrijheid zijn afgelegd in de regel slechts bewijsuitsluiting past (vgl. HR:2020:1889). Ook voor onderzoek naar betrouwbaarheid van verklaringen kunnen mate van druk die van door undercoveragent ondernomen activiteiten kan zijn uitgegaan en mate waarin gedragingen van undercoveragent tot verklaringen van verdachte hebben geleid van belang zijn. Ook kan van belang zijn in hoeverre onderdelen van verklaring steun vinden in andere uitlatingen van verdachte en in andere bewijsmiddelen.

Ad (a). Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat sprake is van voldoende nauwkeurige verslaglegging die inzicht geeft in concreet verloop van uitvoering van opsporingsmethode en in interactie en communicatie met verdachte. Daarin besloten liggend oordeel dat hof in staat is geweest om rechtmatigheid van WOD-traject te beoordelen en dat omstandigheid dat slechts drie gesprekken zijn opgenomen niet in weg staat aan gebruik voor bewijs van twee van die gesprekken, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad (b). Hof heeft vastgesteld dat in voor bewijs gebruikte gesprekken niet is gebleken van door undercoveragent uitgeoefende druk of gestelde voorwaarde en geoordeeld dat geen sprake was van onacceptabele wijze van sturen of ongeoorloofde bemoeienis met inhoud van verklaring. Uit gesprekken heeft hof afgeleid dat verdachte toen zelf ervoor heeft gekozen zijn verhaal te delen. ‘s Hofs oordeel dat verdachte bij beide gesprekken is gaan verklaren door toelaatbare mate van misleiding, zonder dat druk op hem is gelegd om bekentenis af te leggen, geeft - tegen achtergrond van wat hof heeft vastgesteld over persoon van verdachte en relatie tussen verdachte en undercoveragenten - niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders door duur van (sociale) contacten tijdens traject. ’s Hofs conclusie dat voor bewijs gebruikte verklaringen niet zijn verkregen in strijd met verklaringsvrijheid geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Aansluitend heeft hof betrouwbaarheid van verklaringen onderzocht, waarbij o.m. acht is geslagen op opgenomen vertrouwelijke communicatie tussen verdachte en zijn vriendin, verankering in objectieve onderzoeksbevindingen en steun in verklaring van getuige over naar buitenland brengen van telefoon van slachtoffer.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2012:BR2841 over gedragingen van art. 151 Sr en uit HR:2018:321 dat ‘verbergen’ ook ziet op ‘verborgen houden’. Hof heeft vastgesteld dat verdachte lichaam van slachtoffer heeft begraven, met beton heeft afgedekt, na ongeveer twee maanden heeft opgegraven, door shredder heeft gehaald en de resten op bollenveld heeft uitgestrooid en dat die resten niet zijn gevonden. ‘s Hofs oordeel dat verdachte lijk heeft ‘verborgen’ geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Volgt verwerping.

Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2023-0217
NJB 2024/15
RvdW 2024/33
NJ 2024/76 met annotatie van N. Jörg

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02728

Datum 12 december 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2022, nummer 23-000552-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman R.J. Baumgardt heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

De advocaat-generaal heeft in haar conclusie onder 3 en 4 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:

“Deze zaak draait om de rol van de verdachte bij de verdwijning van [slachtoffer] begin januari 2002. Op 31 december 2001 was [slachtoffer] – samen met onder meer de verdachte – nog betrokken bij een drugstransport via Schiphol, waarbij na aankomst door anderen tevergeefs een poging is gedaan hem te rippen. Dat wordt door de verdachte niet betwist. Drie dagen later – op 3 januari 2002 – was [slachtoffer] spoorloos verdwenen, zoals blijkt uit de melding die zijn toenmalige partner in januari 2002 bij de politie deed. Het laatste contact tussen hen was een telefoongesprek in de avond van 2 januari 2002.

(...) In november 2015 startte de politie het onderzoek dat uiteindelijk heeft geleid tot de onderhavige strafzaak tegen de verdachte. Gedurende dat onderzoek is de verdachte – samen met een inmiddels overleden medeverdachte – naar voren gekomen als persoon die met [slachtoffer] samenwerkte in het criminele milieu rondom het tijdstip van zijn verdwijning. In 2017 is een zogenaamd ‘Werken Onder Dekmantel’-traject (hierna: WOD-traject) ingezet. Een aantal undercoveragenten heeft zich in een periode van ongeveer zestien maanden – tussen oktober 2017 en februari 2019 – in de nabije omgeving van de verdachte en zijn vriendin begeven. Er was met name veelvuldig contact met de zich als liefdesstel voordoende undercoveragenten A -4083 en A -4084, die bij de verdachte en zijn vriendin bekend waren als ‘ [verbalisant 1] ’ en ‘ [verbalisant 2] ’. Tijdens het WOD-traject heeft de verdachte uiteindelijk tegenover undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ een aantal verklaringen afgelegd die duiden op zijn betrokkenheid bij de verdwijning van [slachtoffer] . De resultaten uit het WOD-traject gaven aanleiding tot het aanhouden van de verdachte in 2019 op verdenking van moord of doodslag op [slachtoffer] en het wegmaken van diens stoffelijk overschot.”

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 31 december 2001 tot en met 21 januari 2002 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer] door zijn hoofd geschoten en met een voorwerp het hoofd van die [slachtoffer] ingeslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij in de periode van 31 december 2001 tot en met 16 juni 2022 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer] heeft verborgen (gehouden) met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.”

3.2

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering die is opgenomen in de uitspraak van het hof. Die uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2022:2083.

3.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

“9. Het WOD-traject

9.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. De resultaten van het WOD-traject moeten worden uitgesloten van het bewijs. Er is sprake van schending van artikel 6 EVRM en van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. (...) Voorts is de verdachte feitelijk in een verhoorsituatie gebracht en is zijn verklaringsvrijheid geschonden. De criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd terzake van de zogenaamde ‘mr. Big’-methode in HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982 en HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1983 dienen in deze zaak te worden toegepast.

(...)

9.3.

Overwegingen van het hof met betrekking tot het verloop van het WOD-traject

9.3.1.

Inleiding

In de onderhavige zaak is een traject van stelselmatige informatie-inwinning (WOD-traject) toegepast. Het hof dient te oordelen of dit WOD-traject rechtmatig is geweest en of de gedurende dit traject door de verdachte afgelegde verklaringen kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Kort samengevat is het WOD-traject als volgt verlopen. Op 27 oktober 2017 vindt de eerste ontmoeting plaats tussen enerzijds de undercoveragent ‘ [verbalisant 2] ’ ( A -4084) en anderzijds [betrokkene 1] en de verdachte. Dit is op een kunstbeurs in Eindhoven, waar [betrokkene 1] een stand heeft en schilderijen verkoopt. ‘ [verbalisant 2] ’ spreekt [betrokkene 1] aan over haar kunst en raakt verder met haar in gesprek. Ook de verdachte komt erbij. ‘ [verbalisant 2] ’ zegt [betrokkene 1] toe dat ze contact met haar zal opnemen over een schilderij. Op 29 januari 2018 (na telefonisch een afspraak te hebben gemaakt) gaan ‘ [verbalisant 2] ’ en undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ ( A -4083), die zich voordoen als een stel, naar de woonboot van [betrokkene 1] en treffen daar ook de verdachte. ‘ [verbalisant 1] ’ en ‘ [verbalisant 2] ’ kopen een schilderij van [betrokkene 1] en hebben sociale gesprekken met de verdachte en [betrokkene 1] . Vervolgens zijn ‘ [verbalisant 1] ’ en ‘ [verbalisant 2] ’ deel gaan uitmaken van het leven van de verdachte en [betrokkene 1] . ‘ [verbalisant 1] ’ heeft zich voorgedaan als een succesvol persoon in de maritieme wereld, die veel (legaal) aan het werk was, ook in het buitenland. Daarnaast heeft hij de verdachte verteld over het smokkelen van grote hoeveelheden vals en niet-vals geld (verklaring van A -4083 – ‘ [verbalisant 1] ’ – bij de rechter-commissaris op 28 februari 2020). De verdachte is ook klussen gaan uitvoeren voor ‘ [verbalisant 1] ’. Na verloop van tijd heeft de verdachte tegenover ‘ [verbalisant 1] ’ verklaringen afgelegd over zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten, laatstelijk op 24 januari 2019.

(...)

9.3.3.

De Hoge Raad en de ‘Mr. Big’-methode

Op 17 december 2019 heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen met betrekking tot de op artikel 126j, eerste lid, Sv gebaseerde, zogenaamde ‘Mr. Big’-methode (ECLI:NL:HR:2019:1982 en 1983). Kenmerkend voor deze methode is dat door opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een verdachte wordt gewonnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt tegenover ‘de grote baas’ omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit. (...)

De Hoge Raad heeft in deze jurisprudentie geoordeeld dat art. 126j, eerste lid, Sv een voldoende wettelijke basis biedt voor een vorm van stelselmatig inwinnen van informatie in een ‘Mr. Big’-traject of een traject dat hier elementen van vertoont. Verder heeft de Hoge Raad een toetsingskader uiteengezet om te beoordelen of een dergelijk traject rechtmatig is verlopen en of de door een verdachte gegeven informatie niet in strijd met zijn verklaringsvrijheid is verkregen.

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak geen sprake van een methode die zonder meer kwalificeert als ‘Mr. Big’, maar vertoont het traject wel kenmerken daarvan. Ook bij een operatie als de onderhavige bestaat het gevaar dat de verdachte feitelijk in een verhoorsituatie terecht komt, waarbij de waarborgen van een formeel politieverhoor ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Het hof zal de vraag naar de toelaatbaarheid van de inzet van het WOD-traject en de vraag of inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van de verdachte dan ook beoordelen langs de lijn van het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader.

9.3.4.

Het verloop van het WOD-traject

(...)

WhatsApp contact:

Gedurende het onderzoek is door A -4083 en A -4084 via WhatsApp contact onderhouden met [verdachte] en [betrokkene 1] . Van de inhoud van deze Whatsapp-gesprekken is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. Een chronologische weergave van deze gesprekken is als bijlage bij dit dossier gevoegd.

Chronologische weergaven van inzetten:

• Op vrijdag 27 oktober 2017 heeft de politiële informatie inwinner A -4084, contact gehad met [betrokkene 1] , de vriendin van [verdachte] en met [verdachte] zelf. Hierbij zijn telefoonnummers uitgewisseld tussen A -4084 en [betrokkene 1] ;

• In de periode van medio december 2017 tot 12 januari 2018 zijn [verdachte] en [betrokkene 1] op vakantie geweest naar Cambodja.

• Op 22 januari 2018 is er telefonisch contact geweest tussen A -4084 en [betrokkene 1] ;

• Op 29 januari 2018 is er een bezoek gebracht door A -4084 en A -4083 aan [betrokkene 1] en [verdachte] ;

• Op 6 februari 2018 is er een bezoek gebracht door A -4084 en A -4083 aan [betrokkene 1] en [verdachte] , hierbij is een schilderij gekocht en zijn telefoonnummers uitgewisseld tussen A -4083 en [verdachte] ;

• Op 23 februari 2018 is er app en telefonisch contact geweest tussen A -4083 en [verdachte] , hierbij is een afspraak gemaakt over het aanstaande bezoek door [verdachte] en [betrokkene 1] aan de woning van A -4083;

• Op 2 maart 2018 zijn [verdachte] en [betrokkene 1] op bezoek geweest in de woning van A -4083 en A -4084;

• Op 20 maart 2018 is A -4083 op bezoek geweest in de woning van [verdachte] en [betrokkene 1] ;

• Op 27 maart 2018 zijn A -4083 en A -4084 op bezoek geweest in de woning van [verdachte] en [betrokkene 1] ;

• Op 12 april 2018 is A -4083 samen met [verdachte] op stap geweest en heeft later contact gehad met A -4130.

• Op 9 mei 2018 is A -4083 op bezoek geweest bij [verdachte] en [betrokkene 1] en aansluitend uit eten geweest.

• Op 6 juni 2018 is A -4083 op bezoek geweest bij [verdachte] en [betrokkene 1] .

• Op 14 juni 2018 zijn A -4083 en A -4084 gezamenlijk met [verdachte] en [betrokkene 1] uit eten geweest in Amsterdam.

• Op 13 juli 2018 heeft A -4083 de twee schilderijen gekocht en gesproken over een eventuele samenwerking tussen A -4083 en [verdachte] .

• Op 8 augustus 2018 is A -4083 op bezoek geweest bij [verdachte] en [betrokkene 1] .

• Op 21 september 2018 is A -4083 samen met [verdachte] op stap geweest en heeft [verdachte] contact gehad met A -4156.

• Op 27 september 2018 heeft [verdachte] aan A -4083 verklaard over zijn betrokkenheid bij de moord c.q. verdwijning van [slachtoffer] .

• Op 10 oktober 2018 zijn A -4083 en A -4084 bij [verdachte] en [betrokkene 1] op bezoek geweest.

• Op 16 oktober 2018 heeft [verdachte] aan A -4083 nogmaals verklaard over de moord op [slachtoffer] .

• Op 1 november 2018 is A -4083 samen met [verdachte] op stap geweest en heeft [verdachte] hierbij contact gehad met A -4165.

• Op 6 december 2018 is A -4083 op bezoek geweest bij [verdachte] .

• Op 19 december 2018 zijn A -4083 en A -4084 met [verdachte] en [betrokkene 1] uit eten geweest.

• Op 11 januari 2019 is A -4083 met [verdachte] op stap geweest en heeft [verdachte] hierbij contact gehad met A -4156 en A -4180.

• Op 24 januari 2019 heeft A -4083 [verdachte] geconfronteerd met het feit dat zijn naam in een politie-onderzoek voorkwam.

• Op 26 februari 2019 hebben A -4156 en A -4196 [betrokkene 4] bezocht en hem bevraagd over het genoemde feit.

• Op 26 februari 2019 is A -4084 bij [betrokkene 1] op bezoek geweest.

De laatste inzet heeft plaats gevonden op dinsdag 26 februari 2019. Het laatste Whatsapp-verkeer tussen A -4084 en [betrokkene 1] vond plaats op zondag 3 maart 2019.

(...)

• Handelen en de bevindingen van de opsporingsambtenaren

Hieronder wordt een groot aantal van de ontmoetingen die plaats hebben gevonden beschreven en wordt WhatsApp-verkeer tussen de undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ en de verdachte weergegeven. Deze ontmoetingen staan beschreven in het ongenummerde WOD-dossier en het WhatsApp verkeer is opgenomen in bijlage 2 van het WOD-dossier. Een en ander geeft inzicht in het begin van het traject, het tot stand komen van het contact, de toegepaste misleiding, de onderlinge communicatie, de sfeer en dynamiek tijdens onderling contact en tijdens de ontmoetingen, alsmede het handelen en de uitlatingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze handelingen en uitlatingen hebben plaatsgevonden. Daarbij geldt dat de verdachte (uiteindelijk) tijdens drie ontmoetingen heeft gesproken over zijn betrokkenheid bij de dood en het wegmaken van het lijk van [slachtoffer] , namelijk op 27 september 2018, 16 oktober 2018 en op 24 januari 2019. Deze drie gesprekken zijn woordelijk uitgewerkt in processen-verbaal. De gesprekken van 27 september 2018 en 16 oktober 2018 neemt het hof in hun geheel op.

Het traject

De contacten hebben plaatsgevonden in de periode van 27 oktober 2017 tot en met 26 februari 2019, een periode van ongeveer 16 maanden. Uit het WOD-dossier blijkt dat de undercoveragenten voor iedere ontmoeting met verdachte en/of [betrokkene 1] een concrete opdracht ontvingen van hun begeleiders, B-2784 en B-2785. Van ieder contactmoment (zij het in persoon, telefonisch of via WhatsApp), hebben de undercoveragenten een proces-verbaal opgesteld, waarin een beschrijving is opgenomen van wat met verdachte en/of [betrokkene 1] besproken en ondernomen is. Dat er sprake zou zijn geweest van meer ontmoetingen en contactmomenten dan gerelateerd, is weliswaar gesteld door de verdediging maar is op geen enkele wijze gebleken.

Uit de processen-verbaal van de undercoveragenten en de verhoren bij de rechter-commissaris leidt het hof af dat het WOD-traject in grote lijnen als volgt is verlopen:

(...)

- De verdachte en ‘ [verbalisant 1] ’ ontmoetten elkaar op 21 september 2018 op het woonadres van de verdachte en gingen vervolgens in de auto van ‘ [verbalisant 1] ’ op pad voor een klus. ‘ [verbalisant 1] ’ vertelde de verdachte dat hij hem nodig had bij een afspraak met anderen waarbij de verdachte zou observeren en er daarna op teken van ‘ [verbalisant 1] ’ bij kon gaan zitten.

‘ [verbalisant 1] ’ werd in de auto gebeld door undercoveragent A -4156, die zich later naar de verdachte toe voorstelde als ‘ [verbalisant 3] ’. [verbalisant 1] gaf de verdachte aan dat de klus niet doorging omdat hij ‘ [verbalisant 3] ’ moest ophalen bij NS-station Breukelen. ‘ [verbalisant 3] ’ was op de vlucht, omdat er iets fout was gelopen bij een klus die hij in opdracht van ‘ [verbalisant 1] ’ had gedaan. De verdachte vertelde ‘ [verbalisant 1] ’ dat hij hem bij een treinstation kon afzetten als hij dat beter vond. ‘ [verbalisant 1] ’ vertelde dat hij de keus aan de verdachte liet; hij kon mee omdat hij nu lid was van de club van ‘ [verbalisant 1] ’ en hij vroeg of laat toch ‘ [verbalisant 3] ’ zou ontmoeten, maar als hij het te link vond zou ‘ [verbalisant 1] ’ hem afzetten bij een station en zouden ze even goede vrienden zijn. De verdachte vertelde hierop dat hij mee wilde gaan. ‘ [verbalisant 3] ’ werd vervolgens opgehaald bij het station in Breukelen. Daar had ‘ [verbalisant 1] ’ buiten de auto eerst een kort gesprek met ‘ [verbalisant 3] ’ waarop zij in de auto van ‘ [verbalisant 1] ’ stapten waarin de verdachte zat te wachten. Nadat ‘ [verbalisant 1] ’ wegreed hadden ‘ [verbalisant 3] ’ en hij een gesprek over hetgeen dat was misgelopen bij ‘ [verbalisant 3] ’ en over vertrouwen. ‘ [verbalisant 1] ’ vertelde ‘ [verbalisant 3] ’ dat hij hem zou onderbrengen in een woning te [plaats] . In [plaats] heeft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte en ‘ [verbalisant 3] ’ gedurende ongeveer 20 minuten in de auto alleen gelaten. Hierna is ‘ [verbalisant 3] ’ vertrokken en is ‘ [verbalisant 1] ’ met de verdachte richting de woonboot gereden. Onderweg heeft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte een telefoon gegeven voor zakelijk onderling contact. Voorts heeft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte € 300,00 betaald en hem verteld dat hij zou proberen om volgende week de klus met hem te doen die vandaag was gecanceld.

- De undercoveragent ‘ [verbalisant 3] ’ heeft het volgende proces-verbaal opgemaakt over de gebeurtenissen op 21 september 2018:

“Op vrijdag 21 september 2018, omstreeks 13.30 uur, kwamen wij aan in [plaats] . A-4083 verliet de auto waarna ik alleen met [verdachte] achterbleef.

(...)

Naar aanleiding van mijn verhaal dat ik eerder tegen A-4083 vertelde, hoorde ik dat [verdachte] tegen mij het volgende vertelde: “Ik heb ook weleens moeten vluchten. Ik ben toen 5 jaar naar Kreta gegaan en daarna naar Thailand.

(...)

Ik vroeg aan [verdachte] waarom hij naar Kreta was gevlucht. Ik zag dat [verdachte] zijn hoofd richting mij omdraaide. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei: “Dat kan ik niet vertellen, ik kan daarvoor TBS krijgen en ze kunnen mij jaren vastzetten”. Terwijl [verdachte] tegen mij vertelde dat ze hem jaren konden vastzetten, zag ik dat [verdachte] op datzelfde moment de onderkant van zijn beide polsen op elkaar deed.

(...)”

- Op 26 september 2018 heeft ‘ [verbalisant 1] ’ omstreeks 14:22 uur telefonisch contact opgenomen met de verdachte en is er een afspraak gemaakt voor een klus op donderdagmiddag 27 september 2018.

- Op 27 september 2018 zijn de verdachte en ‘ [verbalisant 1] ’ in de auto van laatstgenoemde gestapt en zijn zij naar Dordrecht gereden. Tijdens deze rit vindt het volgende gesprek plaats:

“ [verbalisant 1] (hof: ‘ [verbalisant 1] ’): Zooo ..Ik heb van de week wel uitgebreid met [verbalisant 3] gesproken. Wat..die vertelde een verhaal of zo...? Ik moet toch effe aan jou vragen zo...eeeh...een verhaal over ...hij vertelt dus over Kreta of zo en dat je daar hebt ondergedoken gezeten., op de één of andere manier..

[verdachte] (hof: de verdachte): ...n.t.v...een tijdje..

[verbalisant 1] : He?

[verdachte] : Een tijdje.

[verbalisant 1] : Ja en wat...hij vertelde iets met TBS. n.t.v .. .in eerste instantie ga ik dan een beetje in de hoijzers...met TBS, dat zou ik dan het liefste willen weten, in plaats van [verbalisant 3] natuurlijk.

[verdachte] . Ik eeeh..ik moest gewoon effe weg.

[verbalisant 1] : He? Je moest effe weg?

[verdachte] : Ik moest effe weg...uit [plaats] .

[verbalisant 1] : Oké..oké.

[verdachte] . Eeeh. er was iets eeh iets geript. aan de overkant., best wel hevig. .. n.t.v.

[verbalisant 1] : Je bedoelt Engeland? Aan de overkant?

[verdachte] : Zuid-Amerika

[verbalisant 1] : Oke..oké.. Zuid-Amerika, oké.

[verdachte] : Toen dat aankwam...ja, toen was er een dubbele portie...

[verbalisant 1] : Dubbele portie?

[verbalisant 1] : Meer als dat je had...eeh..?

[verdachte] : Nee, dubbel zoveel.

[verbalisant 1] : D’r zat van anderen ook nog een partij erbij?

[verdachte] : Ja, die had ie erbij geript.

[verbalisant 1] : Oh.

[verdachte] : Hij ripte soms...ja..

[verbalisant 1] : Ja. . . oké

[verdachte] : Nou...n.t.v. hebben we foutje(?)...n.t.v..

[verbalisant 1] : Ja

[verdachte] : Dus eeh...n.t.v.

[verbalisant 1] : He? Oh..kan je beter effe weg zijn...

[verdachte] : n.t.v. nee, voor de rest niet..

[verbalisant 1] : Wat hebben Wat voor actie is dat geweest?

[verdachte] :.....schieten... auto...

[verbalisant 1] : Oh?

[verdachte] : En in de schredder.

[verbalisant 1] : Oh? Maar wel degene die eehh...? Die eeeh. die er voor gezorgd, dat eeh...?

[verdachte] : Jaja.

[verbalisant 1] : Oh! Heb je em met een mes aan mootjes gesneden?

[verdachte] : Ja, maar eerst eeh..

[verbalisant 1] : Oh ... Maar zelfs daar krijg je toch geen TBS voor hoor.

[verdachte] : Weet ik niet.

[verbalisant 1] : Nee dat weet je inderdaad nooit.

[verdachte] : ...n.t.v...... n.t.v....... bus..maar ja... maar ja dan schredder...

[verbalisant 1] : Maar je zegt afgeknald en begraven en daarna opgegraven?

[verdachte] : ....

[verbalisant 1] : Shredder? (lacht) ja maar, dan wordt er niets meer van teruggevonden, als het goed is. Dus dat komt nooit meer terug voor jou. En die andere partij? Er was sprake van die andere partij?

[verdachte] : Ja dat hebben we netjes op tijd teruggegeven ..(?) n.t.v ...

[verbalisant 1] : Op tijd teruggeven...een foto erbij van eeeh...in een eeh hoe heet het., dooie staat?

[verdachte] : Ja ....n.t.v...... n.t.v...toch eeh...einde..... fotootje maken enne....Effe snel actie ondernemen en

[verbalisant 1] : Wat moet, dat moet. Zo!

[verdachte] : .. .als het er op aan komt, dan eehh..

[verbalisant 1] : Ja. Nou, dan sta jij wel je mannetje wel, ja. Dat geloof ik wel, ja.

[verdachte] : ... .n.tv...... Ik schrik niet zo gauw.

[verbalisant 1] : Nee, dat weet ik. ...Heb je em zelf ....eehh.....afgepompt?

[verdachte] :............

[verbalisant 1] : Dat is al lang...is dat lang geleden?

[verdachte] : ....al 25 jaar

[verbalisant 1] : 20-25 jaar? Nou, dan komt er ook niets meer van terug, natuurlijk.

[verdachte] :.....

[verbalisant 1] : Nee. Dat had je gewoon tegen mij kunnen vertellen he? Want [verbalisant 3] ...Hij kon niet echt...tegenover. .. [verbalisant 3] zit alweer .opgraven.....goeie gozer, bezig zijn die...

[verdachte] : Oh nee...

[verbalisant 1] : .. .TBS-verhaal, die moet wat geflikt hebben en zo. Ja, Ik zeg ...

[verdachte] : ... n.t.v......te veel vertellen ...

[verbalisant 1] : Ja.

[verdachte] : ....n.t.v.

[verbalisant 1] : Nee dat klopt, dat klopt, maar waar hebben we het over he? Moet ik gaan nadenken van...krijg ik daar geen last van? Kunnen wij samen wel gaan vliegen...eeeh. . . als het nodig is?

[verdachte] : Oh ja.

[verbalisant 1] : Ja je kan gewoon eeeh..

[verdachte] :...... n.v.t. weet ik zeker, ik moet er vanaf,..

[verbalisant 1] : Ja

[verdachte] : ...n.t.v...

[verbalisant 1] : Ja oké.

[verdachte] . Maar ...

[verbalisant 1] : Het is ook het betaal en het is klaar ...(?)....n.t.v....keuring..(?)

[verdachte] : Nee, maar voor de rest is er niets.

[verbalisant 1] : Mooi! Nou....hee...wel in één keer eeeh... .Wel steunen....eerst in de plantjes en nou eeeh.....Heb je er nog wakker van gelegen? Toen?

[verdachte] : Jaaaa, best wel last van gehad.

[verbalisant 1] : Ja

[verdachte] : Ja

[verbalisant 1] : Ja... last van “zou het ...eeeh.. uitkomen” of last van “shit”?

[verdachte] : Ja, als je de beelden terugziet, dan eeeh...

[verbalisant 1] : Ja...ja.ja

[verdachte] : of je krijgt van iemand weer een filmpie of.....n.t.v....

[verbalisant 1] : Ja

[verdachte] : ....n.t.v.....

[verbalisant 1] : Jahaa . dat moet zeker daar, Zuidamerikanen, zijn..... n.t.v..... die vinden dat vaak ook heel normaal he? In principe blijft. . . allebei zien te voorkomen, al die ellende, maar ja, je weet met Zuidamerikanen en rippen, of je zaken niet nakomen...

[verdachte] : Ja,.. Ik denk dat die mannen ook tevreden zijn.

[verbalisant 1] : Ja. Daar heb je niks meer mee, he?

[verdachte] : Nee. Gewoon netjes.

[verbalisant 1] : Ja.

[verdachte] : ...die band, die blijft he, we hebben het met z’n tweeën gedaan

[verbalisant 1] : Ja

[verdachte] : ...n.t.v...

[verbalisant 1] : Ja. En die andere gasten die dat plan weten, die klapt ook niet uit de school?

[verdachte] : Nee.

[verbalisant 1] : Dat weet je zeker?

[verdachte] : Ja

[verbalisant 1] :.....n.t.v.

[verdachte] : ...Jaja

[verbalisant 1] : En die ...eehh.. schredder? Dan moet je een flinke schreddder hebben?

[verdachte] : ..n.t.v...de Bo-Rent...gehuurd..

[verbalisant 1] : Ohh...n.t.v....ja, waar je ook plantjes mee schreddert?

[verdachte] : Zo’n eeh..n.t.v...dat was zo’n drie minuten (?) Ben nog wel een uur of acht bezig geweest om em overal schoon te maken.

[verbalisant 1] . Ja. . . wat dacht je dan?

[verdachte] : Naspuiten met eeh..n.t.v.

(...)”.

(...)

- Op 16 oktober 2018 ging ‘ [verbalisant 1] ’ langs op de woonboot. Daar at hij met de verdachte en [betrokkene 1] . Vervolgens vroeg hij aan de verdachte of hij even meeging met hem voor een bespreking en zei dat ze zo weer terug zouden zijn. De verdachte ging mee waarop ze met de auto van ‘ [verbalisant 1] ’ vertrokken en ‘ [verbalisant 1] ’ ongeveer 600 meter verder parkeerde. Vervolgens vond het volgende gesprek plaats:

“ [verbalisant 1] : Ik heb wat vragen ff voor eeehh, zaken natuurlijk. Over die knakker die koud gemaakt is. Ik heb alles op een rijtje gezet en wat nagevraagd. Ik wil toch wat meer dingen weten om zeker te weten dat ik geen ehh risico’s loop en jij ook niet. In principe natuurlijk he, moeten we geen eehhh. Als jou wat overkomt, moetje mij niet mee willen sleuren. Ik probeerde schade helemaal te beperken dus dan moet ik het wel.

[verdachte] : Als er wat met mij gebeurt en er wordt voor mij gezorgd.

[verbalisant 1] : Jawel, dat begrijp ik, dat snap ik ook wel.

[verdachte] : Al wordt er niet voor me gezorgd dan hou ik nog mijn bek dicht.

[verbalisant 1] : Ja dat weet ik.

[verdachte] : En als ik er dan uitkom dan ja

[verbalisant 1] : Ja, ik doe het liever.....voorkomen is veel beter dan genezen natuurlijk. Wat jij hebt geflikt dat zou ik misschien niet eens durven heel respect hoor, dat wel. Maar dat zit niet in mij ofzo maar ik wil wel voorkomen dat ik er gelazer mee krijg. Dus dan moeten we wel even kijken welke risico's zijn er en wat kan er nog een keer terug komen maar daar heb je zelf ook weleens over nagedacht ook? Ik denk dat je daar maandenlang over nagedacht hebt?

[verdachte] : Daar ben ik echt heel goed mee bezig geweest, [verbalisant 1] . Dat hebben we heel goed gedaan. En desnoods rijd ik met je naar mijn ouwe partner

[verbalisant 1] : Wie weten ervan?

[verdachte] : Eén

[verbalisant 1] : Je was totaal met z’n tweeën dus? Je was totaal met z’n drieën, alleen de derde die is er niet meer?....Hoe heette die gozer

[verdachte] : [verbalisant 1] . Hij heet ook [verbalisant 1]

: Dat meen je. Ik ben toch niet achterlijk zeker? Te kutten...Oke, oke.

[verdachte] : Zijn achternaam weet ik niet meer. Zij vrouw werkte toen voor Justitie. Hij kwam uit Amsterdam. Hij had een woning in, hoe heette die straat, in de [b-straat] ? Die vrouw heeft toen nog wel wat navraag voor mij gedaan. Hij was teruggekomen naar Nederland met die vlucht en toen is ie verdwenen.

[verbalisant 1] : Het was met een ripdeal?

[verdachte] : Het was met die ripdeal

[verbalisant 1] : Hoe is dat gedaan?

[verdachte] : Wij zouden een vrouwtje ophalen van Schiphol. Die had 20 kilo in de koffer, alles betaald. Hij zou meegaan. Hij kwam mee. We halen hun op. We staan in die aankomsthal. En we zien daar 15 negertjes om ons heen bewegen zo. Dat is niet goed. Toen kwam hij eruit enne...hij zou de auto pakken. Wat doet hij. Hij pakt de taxi en naait er uit met dat vrouwtje. Op ene gegeven moment krijgen we telefoon dat die taxichauffeur onderweg van de weg afgereden. Op gegeven moment, tussen Schiphol en Amsterdam. Het eerste tankstation. Toen is er politie gekomen. Ondertussen was mijn maatje al bij het tankstation. Ja, wat is er aan de hand hier. Het vrouwtje zegt, ja mijn ex-vriend. Ik heb een nieuwe vriend dit en dat, zus en zo. Die wouten hebben zelfs nog die koffers nog uit die taxi gepakt en mijn maat in de auto geduwd. En toen zij we weggegaan.

[verbalisant 1] : Oh, die hebben nog geholpen ook.

[verdachte] : Dus op een gegeven moment. Die koffers waren in ons bezit. We maken die koffers open en zien dat er het dubbele in zit.

[verbalisant 1] : Dubbele partij dus geen 20 kilo maar 40 kilo. oh.

[verdachte] : Toen hebben we hem op het matje geroepen en toen bleek dat hij allemaal schotwonden had.

[verbalisant 1] : Schotwonden?

[verdachte] : Schotwonden of half in het verband zat.

[verbalisant 1] : Die maat van je?

[verdachte] : Nee, Die de rip gedaan had, die Surinamer.

[verbalisant 1] : Oh onverstaanbaar

[verdachte] : En dat er vergeldingsacties op zouden komen. Nou en toen eh heeft die maat van mij dan geregeld.....(onverstaanbaar) alsjeblieft en hij eh.

[verbalisant 1] : Kwam hij uit Suriname of was hij Surinamer?

[verdachte] : Hij was Surinamer. Hij heeft vroeger die van Gogh roof gedaan.

[verbalisant 1] : Wie?

[verdachte] : van Gogh roof.

[verbalisant 1] : Van Rokhoven?

[verdachte] : Van Gogh.

[verbalisant 1] : Oh van Gogh. Heeft hij dat gedaan?

[verdachte] : Die hebben met z’n tweeën daar in de lucht geschoten ehh in de luchtkoker gezeten. Ze hebben die schilderijen gepakt. Hebben ze in de Amstel hebben ze die op de parkeerplaats gezet. Bij station Amstel. Omdat ze een lekke band hadden. Wij deden gestolen auto’s... .Wij zetten al die auto's daar neer. Maar er werd veel gecontroleerd door de politie. Dus die zien een busje staan met een platte band en die kijken er achterin en zo zijn die van Gogh’s gevonden. Daar heeft hij ook voor vastgezeten.

[verbalisant 1] : Oh oke.

[verdachte] : Dus nou weet je het hele verhaal.

[verbalisant 1] : Ja. Oké. En waarom. Er werd natuurlijk door anderen door ehh de eigenaar van de 20 kilo verwacht dat je hem af zou maken.

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : Mmm hoe is dat gegaan dan? Weet je. rook hij geen onraad?

[verdachte] : Wat?

[verbalisant 1] : Dacht niet van...

[verdachte] : Nee nee nee

[verdachte] : Een terrein in halfweg. Toevallig schuin tegenover waar Heineken heeft gezeten, in Halfweg, industrieterreintje. Enne daar heb ik hem door zijn kop geknald.

[verbalisant 1] : Ja, vlakbij Haarlem bedoel je daarzo

[verdachte] : Ja, tussen Haarlem en Amsterdam.

[verbalisant 1] : Ja, dat ken ik wel. Dat is vlakbij mij. Heb jij hem door zijn kop geschoten?

[verdachte] : Mm. En de eerste was een ketser. Die ketste af op zijn leren jas. Munitie nat.

[verbalisant 1] : Jezus, hoe kan dat nou?

[verdachte] : Dus hij Wat doe je nou, wat doe je nou? Ik schiet je door je kanker kop. 3 keer........ (onverstaanbaar)

[verbalisant 1] : Na 3 keer is het wel gelukt ofzo?

[verdachte] : Ja. Enne ja was voor mij ook de eerste keer. Mijn maatje die liep naar buiten. Het is gebeurd. Maar het was nog niet gebeurd want er kwam nog lucht uit en er kwam nog meer uit dus ik ben naar buiten gegaan en toen heb ik flink uitgepakt. Zijn hersenen aangeslagen totdat ik niks meer hoorde.

[verbalisant 1] : Je dacht dat hij nog leefde? Jij hij leefde nog waarschijnlijk.

[verdachte] : Ja, poep en pies, alles laat los he?

[verbalisant 1] : Je hoefde niet verder je magazijn?

[verdachte] : Nee, er kwam niks meer.

[verbalisant 1] : Dat was alles.

[verdachte] : Was nat

[verbalisant 1] : Je had er 4 inzitten. De eerste deed niks maar de andere 3 waren wel raak, oh. Te licht kaliber geweest waarschijnlijk, kan ook nog. Wat is belangrijk toen?

[verdachte] : Toen hebben we eerst met een bobcatje hem ehh begraven, beton opgegooid. Toen dachten we dat iemand het wist. Hebben we hem eruit gehaald en toen hebben we hem in de shredder gegooid.

[verbalisant 1] : Vandaar dat je hem opgegraven hebt. Als het onder de grond ligt, laat je het liggen. Een bobcat? Heb je die gehuurd?

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : In de buurt daarzo?

[verdachte] : Nee ergens anders.

[verbalisant 1] : Oh toch wel. Ver weg gehuurd? Ohhh.

[verdachte] : Nee, die kwam zijn broer af.

[verbalisant 1] : De bobcat van zijn broer af?

[verdachte] : Van mijn maatje zijn broer. Die deed in. . . Hoe heeft die plaats nou. Hij heeft zelfmoord gepleegd. Hij maakt grasvelden voor Ajax en sociale grasvelden voor ehhh.....

[verbalisant 1] : Niet de broer van de Surinamer maar van ander maatje? Ohh oké oké Maar die wist niet waarvoor?? Die weet nergens van?

[verdachte] : Nee nee.

[verbalisant 1] : En beton erover gegooid? Dat was ook nog wat werk toch?

[verdachte] : We hebben losse.....(onverstaanbaar)

[verbalisant 1] : Van die zakken leeg gestort en nat gemaakt? Of eh?

[verdachte] : En ik had er ook zuur over gegooid. Allemaal niet geholpen. Uiteindelijk opgetakeld.

[verbalisant 1] : Gewoon zuur van de supermarkt of ehh?

[verdachte] : Nee, we hadden van alles gehaald.

[verbalisant 1] : Oh

[verdachte] : Zoutzuur van alles.

[verbalisant 1] : Ook zoutzuur, ja.

[verdachte] : Ehh toen dachten we dat iemand het wist en toen hebben we hem in de shredder gegooid.

[verbalisant 1] : Ja, opgegraven?

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : Hoe lang lag hij er al?

[verdachte] : Eh ik denk een maandje of twee

[verbalisant 1] : Een maandje of twee? God. Hoe zag dat eruit?

[verdachte] : Ja, Niet.

[verbalisant 1] : Niet?

[verdachte] : Jaja.

[verbalisant 1] : Stinken waarschijnlijk?

[verdachte] : Snap je..

[verbalisant 1] : Gatverdamme, ja het komt bij mij boven bijna.

[verdachte] : Mijn vader heeft altijd gejaagd.

[verbalisant 1] : Oh wacht ff, ja.

[verdachte] : Van jongs af aan doe ik al konijnen uitbenen.

[verbalisant 1] : Ah, je bent wel wat gewend natuurlijk.

[verdachte] : Dus ik weet hoe het is.

[verbalisant 1] : Maar nou heb je natuurlijk met een dooie vent natuurlijk. En die je ook nog heb gekend natuurlijk.

[verdachte] : Jaja. Toen stonden we wel te lachen en te giebelen en te grappen

[verbalisant 1] : Jaja. Ging hij er wel in een stuk uit of ehh?

[verdachte] : Hij kwam er in één stuk uit.

[verbalisant 1] : Oh oké, potverdomme. Wat hebben jullie met het wapen gedaan trouwens?

[verdachte] : Ehhh, ja helemaal uit elkaar gehaald en daar een stuk en daar een stuk in de plomp

[verbalisant 1] : Gewoon in de plomp gegooid? Oké, In groot water of komt het ooit nog naar boven toe?

[verdachte] : Het komt niet meer naar boven.

[verbalisant 1] : Nee?

[verdachte] : Nooit meer.

[verbalisant 1] : Bij halfweg ofzo

[verdachte] : Nee, daar zijn we ook nog echt helemaal voor omgereden. Zijn telefoon op de trein naar Zwitserland.

[verbalisant 1] : Telefoon op de trein naar Zwitserland? Oh dat is wel handig ja.

[verdachte] : Hebben we iemand voor naar Parijs laten rijden met die telefoon.

[verbalisant 1] : Oh, je hebt wel je eigen goed voorbereid, dat merk ik nu wel ja. Haha.

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : Met die telefoon naar Parijs, daar op de trein.

[verdachte] : Die telefoon is in de trein gelegd, naar Zwitserland. Die gozer is er uit gegaan. Die weet voor de rest ook niks. Die gozer zit op Kreta.

[verbalisant 1] : Oh.

[verdachte] : Die weet voor de rest niks.

[verbalisant 1] : Die weet voor de rest ook niet waarvoor het is ofzo?

[verdachte] : Helemaal niks.

[verbalisant 1] : Oh

[verdachte] : Gewoon gezegd van, je hebt zo veel geld. De telefoon, je rijdt nu naar Parijs.

[verbalisant 1] : Daar moet hij op de trein ergens...

[verdachte] : Je legt de telefoon in de trein.

[verbalisant 1] : Nog ooit wat terug gehoord van die telefoon? Niks?

[verdachte] : Niks. En zijn vrouwtje heeft bij Justitie gewerkt en daarna heb ik nog een gesprekje gehad met haar.

[verbalisant 1] : Zij vermoedt niks dat jullie daar zelf ehh

[verdachte] : Helemaal niet. Anders hadden we allang....

[verbalisant 1] : Zat ze te klagen ofzo? Of denkt ze dat hij gewoon weg is.

[verdachte] : Ja, denkt dat hij gewoon weg is.

[verbalisant 1] : Ja, dat hij gewoon kwijt is....oh. God, maar ze werkt nou niet meer bij Justitie he? Dat valt natuurlijk ehh... Je weet het niet.

[verdachte] : Hoe lang is dat geleden.

[verbalisant 1] : Ja, hoe lang is het geleden?

[verdachte] : Ehhh, 27. 22 jaar geleden.

[verbalisant 1] : 22 jaar geleden, oh oké. Ja, misschien is het wel bejaard enne.....was het ze vrouw of gewoon een vrouwtje?

[verdachte] : Had ie een kind mee, was niet getrouwd

[verbalisant 1] : Oh, hij had er een kind bij. Jaja

[verdachte] : Ja, dat is het hele verhaal.

[verbalisant 1] : Godverdomme. He en de shredder? Hoe was dat? Misschien een rare vraag ofzo hoor. Maar eeeh...

[verdachte] : 4 minuten enne.

[verbalisant 1] : Ja, gaat dat zo snel?

[verdachte] : Rrrrrrrrrrrrrrrrrt

[verbalisant 1] : Iemand gaat in stukken. Gaat er toch niet heel in?

[verdachte] : Hij is er zo helemaal in gegaan. Met plastic en al.

[verbalisant 1] : Met plastic en al, gewoon er doorheen?

[verdachte] : Alles.

[verbalisant 1] : En dat gaat ook door bot heen?

[verdachte] : Alles gaat kapot.

[verbalisant 1] : Alles gaat weg?

[verdachte] : Als je zo’n boomstam in gooit.

[verbalisant 1] : Ja, ja?

[verdachte] : Kan je er ook iemand van 90 kilo doorheen gooien.

[verbalisant 1] : Ja,ja

[verbalisant 1] : Heb je nooit geen klachten gehad van Bo-rent bij de shredder?

[verdachte] : Nee. We hebben hem helemaal schoon gemaakt. Helemaal. Ik denk.. .daar zijn we een uurtje of 6 mee bezig geweest.

[verbalisant 1] : Met schoonmaken? Heb je hem teruggebracht?

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : Heb je hem teruggebracht? Ohhh? Ik dacht eerst dat je hem in de fik gestoken had.

[verbalisant 1] : Je hebt hem gewoon teruggebracht? Ohhh...

[verdachte] : Die shredder hebben we teruggebracht.

[verbalisant 1] : Potver. Die zal zo lang geleden niet meer bestaan die shredder?

[verdachte] : Is 22 jaar geleden.

[verbalisant 1] : Ja maar Bo-rent is niet zo ehh. Nu is het een groot bedrijf maar 20 jaar geleden nog niet he.

[verdachte] : Daar verwacht ik niks meer van.

[verbalisant 1] : Nee he? Bo-rent uit de buurt uitgezocht?

[verdachte] : Nee alles uit de buurt.

[verbalisant 1] : Alles ver weg? Heb je een foto van die gozer gemaakt he? Heb je die verstuurd met een ehh?

[verdachte] : Nee, die heb ik toen afgegeven.

[verbalisant 1] : Die heb je afgegeven? Je hebt een ding gemaakt met een camera?

[verdachte] : Die had je toen niet. Met een polaroid.

[verbalisant 1] : Met een polaroid? Zo’n zelfontwikkelaar.

[verdachte] . Ja.

[verbalisant 1] : En die heb je afgegeven aan die eigenaren van die 20?

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : Waren dat Colombianen of Antillianen?

[verdachte] : Eeh Surinamers.

[verbalisant 1] : Surinamers ook? Ohhh wacht ff, vandaar. Daar komt hij natuurlijk vandaan. Die waren daar tevreden mee. Dat was voor hun voldoende? Hadden ze die 20 ook weer terug?

[verdachte] : Die 20 hadden ze terug.

[verbalisant 1] : Hoe had hij dat nou eigenlijk? Had hij die 20?

[verdachte] : Die had hij daar geript.

[verbalisant 1] : Ja.

[verdachte] : In Suriname

[verbalisant 1] : Die had hij in Suriname gewoon....... met diezelfde vlucht kwam hij terug ook

[verdachte] : Met dat vrouwtje

[verbalisant 1] : Met de vrouwtje was niet de koerier?...20 kilo, portemonnee een beetje spekken, (slecht te verstaan)

[verdachte] : Toen kwamen wij er pas achter van. . ..

[verbalisant 1] : Ja,ja.

[verdachte] : Waarom al die gozertjes op het vliegveld stonden. Dat hij ineens die taxi pakte terwijl het de afspraak was he we staan met twee auto’s, je stapt bij hun in en ik rij erachteraan om te kijken of alles in orde is. Dat was de deal. Maar hij stapt in een keer in de taxi.

[verbalisant 1] : Ik speel advocaat van de duivel. Ik ga een beetje op je zitten schieten.

[verdachte] : Ik speel open kaart met je.

[verbalisant 1] : Ja, dat weet ik. Het valt allemaal niet mee natuurlijk. Kut gesprek. Het kan niet altijd over leuke dingen gaan. Ik zit even te denken, ik ga wat stappen vooruit. Die shredder, waar heb je die neergezet?

[verdachte] : Die is terug.

[verbalisant 1] : Ja maar voor het vershredderen. Waar heb je dat gedaan. Waar heb je hem uitgesmeerd?

[verdachte] : Op een boerenland

[verbalisant 1] : Gewoon een boerenland ergens? Ben je nog weleens terug geweest?

[verdachte] : Tussen de bloembollen.

[verbalisant 1] : De bloembollen? In Zeeland?

[verdachte] : Nee.

[verbalisant 1] : Daar staan de meeste bloembollen.

[verdachte] : Nee, [plaats] .

[verbalisant 1] : [plaats] ? Viel dat niet op?

[verdachte] : Nee.

[verbalisant 1] : Niet?

[verdachte] : Nee.

[verbalisant 1] : Is het daar zo stil dan ofzo?

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : Ohh. ‘s nachts?

[verdachte] : Ja

[verbalisant 1] : Dat maakt natuurlijk herrie ‘s nachts. Hoe lang heb je daarover gedaan met opbouwen, afbouwen. Ik weet niet hoe lang dat duurt.

[verdachte] : Oh nee, dat shredderen hebben we overdag gedaan.

[verbalisant 1] : Dat heb je gewoon overdag gedaan?

[verdachte] : Ja, gewoon daar ...Ik begin er bijna om te lachen...bij de Halfweg, hoe heet dat, godverdomme. Halfweg, je gaat het kanaal over, dan heb je een stuk Amsterdamse Bos, dan kom je bij een industrieterreintje, hoe heet dat ook alweer. Ik kan het zo opzoeken voor je, ik rijd er blind naartoe. Tegenover die nishut (fon) waar Heineken ontvoerd heeft gezeten.

[verbalisant 1] : Dat terreintje dat toen bestond ja.

[verdachte] : Daar zat hij eerst in de grond.

[verbalisant 1] : Daar zat hij eerst in de grond. Op hetzelfde terrein??

[verdachte] : Ja, nee, aan de overkant.

[verbalisant 1] : Aan de overkant van die ehh

[verdachte] : Daar staat nu een hele grote autozaak.

[verbalisant 1] : Dat is allemaal opgedoekt he. En daar heb je hem uitgesmeerd? Maar dat is niet [plaats] toch?

[verdachte] : Nee, daar hebben we hem opgegraven en in [plaats] hebben we hem...

[verbalisant 1] : Godverdomme

[verdachte] : Toevallig ook een ML

[verbalisant 1] : Ja echt waar? Ja. Oh ja, dan zou het misschien we dezelfde geweest zijn. Hahaha, dan hadden ze het al geroken.

[verdachte] : Nee, toen hadden ze nog niet zo'n sjieke ML

[verbalisant 1] : Je weet het nooit he. Als iemand daar gaat zoeken. Gaan ze niks meer vinden?

[verdachte] : Nee.

[verbalisant 1] : Ben je nog weleens terug geweest daar?

[verdachte] : Ja

[verbalisant 1] : En nog steeds bloembollen daar?

[verdachte] : Ja, nog steeds. Wel een raar gevoel als je daar komt.

[verbalisant 1] : Ja, natuurlijk, dat weet ik wel. Je kan wel zo lachen maar dat klopt dat is gewoon hoe je je eigen voelt. Ondanks dat het lang geleden is maar jij hebt het nog prima op de netvlies staan. Zeker als het niet dagelijks je werk is.

[verdachte] : Ja, ik heb het wel op mijn netvlies.

[verbalisant 1] : Ik moet er aan denken, toen met die Arabieren, die ambassade die dat nieuw was. Er zijn meer mensen die... Het is wel de manier natuurlijk, echt weg maken. Met botzagen. Achteraf had je natuurlijk helemaal beter kunnen dumpen die shredder ofzo maar ja als dat Bo-rent komt van waar is dat ding gebleven. Had je hem zelf gehuurd?

[verdachte] : Nee, op een maatjes naam.

[verbalisant 1] : De maat die erbij geweest is?

[verdachte] : Nee, iemand anders. Die de telefoon ehh

[verbalisant 1] : Oh, van de telefoon?

[verdachte] : Die op Kreta woont.

[verbalisant 1] : En die [naam] ? Waar je het over had? Die oude maat zeg maar die erbij was?

[verdachte] : Op een gegeven moment . . .heb ik je verteld. Hij ging naar Spanje. Hij heeft me in de steek gelaten. Zou hij voor me uit rijden en toen heeft hij me in de steek gelaten. Ik heb gezegd van nee nou is het.....geen wrok, geen niks maar nu ben ik even klaar met je.

[verbalisant 1] : Nee, dat snap ik.

[verdachte] : Wat we gedaan hebben is....

[verbalisant 1] : Klaar? Dat is gebeurd denk ik?

[verdachte] : Geen wrang of geen wrok.

[verbalisant 1] : Nee.

[verdachte] : We gaan niet met stront gooien.

[verbalisant 1] : Nee dat is ook wel zo ja.

[verdachte] : Ik heb er nu ook ff genoeg van.

[verbalisant 1] : Ja, en een andere oplossing? Dat volgens mij echt niet mogelijk natuurlijk? Dat had je zelf natuurlijk de Sjaak geweest met die Surinamers of niet? Surinamers uit Amsterdam of allemaal uit Suriname?

[verdachte] : Uit Tilburg volgens mij. Van hoe heet ie? Die vocht tegen [betrokkene 15] .

[verbalisant 1] : [betrokkene 3] . Vroeger. De jungle commando.

[verdachte] : Daar kwam het vandaan.

[verbalisant 1] : Daar kwam het vandaan. Uit die groep. Burgeroorlog daar, jungle commando. 10 man in een legerpakje onder een boom. Het was wel iets meer als dat

[verdachte] : Dat is eigenlijk het hele verhaal.

[verbalisant 1] : [betrokkene 1] weet van niks he?

[verdachte] : Nee.

[verbalisant 1] : Je hebt er ook niks aan volgens mij. Je zal wel een beetje ziek geweest zijn dan?

[verdachte] : Ik ben goed ziek geweest ja.

[verbalisant 1] : Dan met het begraven, opgraven en nog een keer shredderen. Want shredderen kan ik me weinig bij voorstellen. Je zat er helemaal onder? Dat spettert natuurlijk alle kanten op.

[verdachte] : Helemaal onder. Ik ben in bad gegaan. Echt jongen, het bad helemaal bruin.

[verbalisant 1] : Ja

[verdachte] : Ja, daar ben ik echt ff zwaar van onder de indruk geweest.

[verbalisant 1] : Ja, vooral als je iemand kapot schiet. Waar je aan 3 kogels niet genoeg hebt en je moet nog iemand... en waar heb je hem mee geslagen? Met een pijp of eh?

[verdachte] : Nee, met een houten balk.

[verbalisant 1] : Godver.

[verdachte] : Op een gegeven moment kwam mijn maatje weer naar binnen. Hij zei... [verdachte] , [verdachte] ..

[verbalisant 1] : Heb je hem op zijn kop staan slaan ofzo?

[verdachte] : Op zijn kop. Zijn halve kop helemaal kapot geslagen.

[verbalisant 1] : Helemaal kapot.

[verbalisant 1] : Ja bah, godverdomme. Nou mooi...Niet mooi maareh.

[verdachte] : Die keet en alles is afgebroken. Waar dat in is gebeurd.

[verbalisant 1] : Ja. Je hebt hem buiten kapot geschoten toch? Was dat binnen in zo’n?

[verdachte] : In zo’n portocabin (fon).

[verbalisant 1] : Zo’n portocabin, oke. Nou, het is in ieder geval opgeruimd.

[verdachte] : Ja wat moet dat moet. Als je moet kiezen jij of ik.

[verbalisant 1] : Als dat het is dan is de keuze gauw gemaakt.

[verdachte] . Liever had ik dat niet gedaan, maar goed. Het is op mijn pad gekomen.

[verbalisant 1] : Nee, daarom en ik weet het nou. Ik vind het harstikke fijn dat je het vertelt want ik heb natuurlijk zelf ook damage control.

[verdachte] : Ja, tuurlijk, duidelijk. Dat kan je allemaal controleren.

[verbalisant 1] : Ik heb ook de andere mensen met wie ik werk. Die hoeven dat niet te weten. Maar wel voor safe gehouden want ja, dat je lang onder de radar zit willen we graag zo houden. Niks uitsluiten gewoon. Ik kijk ook die televisie programma’s. Dat is misschien allemaal over de top allemaal maar er zit ook een kern van waarheid in hoor.

[verdachte] : Zijn niet gek hoor.

[verbalisant 1] : Nee, dat bedoel ik. Je weet maar nooit hoe een koe een haas vangt en zeker als het ooit nog wordt onderzocht natuurlijk. Die [naam] weet natuurlijk waar het gebeurd is. Is die ook bij het shredderen geweest. Ging die ook over zijn nek?

[verdachte] : Nou eigenlijk niet echt over zijn nek eigenlijk. We zaten flink onder de...

[verbalisant 1] : Ja? Jullie zaten aan de snuif? Beetje coke snuiven, ja dan ehh. Dat is nog wel een zwaar gewicht ook omdat ....(onverstaanbaar) doodgewicht

[verdachte] : Ja, dat krijg je niet zo maar in je auto getild.

[verbalisant 1] : Moest je met z’n tweeën hard voor werken denk ik. Anders kunnen we nog wel eens een keer...Niet nu hoor maar, heeft allemaal niet zo’n haast, een keer langsrijden waar je het nou vershredderd hebt. Ik ben wel benieuwd hoe dat eruit ziet. Is boer [betrokkene 16] nog bezig. Staan er tulpen, nou prima zo.

[verdachte] : Er staan tulpen, dat weet ik zeker.

[verbalisant 1] : Oh, we kunnen er wel een keer langsrijden, als we een klusje hebben, pakken we dat er even bij. Als het op de route ligt.

[verdachte] : Ken je [C] (fon)

[verbalisant 1] : [C] (fon)? Nee

[verdachte] : Dat is een caravan op zo'n park. Wat je net noemde.

[verbalisant 1] : Oh ja dat was dat bij eh

[verdachte] : [plaats]

[verbalisant 1] : Ja, ja, Dat was een park in [plaats]

[verdachte] : Een caravanpark, een bungalowpark. Hij woont zelf op een bungalowpark, een huisje gekocht. En daar een kilometer vandaan op het bollenveld hebben we hem eruit gegooid.

[verbalisant 1] : Je hebt dat ding gewoon neergezet en shredderen maar?

[verdachte] : Nee, geshredderd.

[verbalisant 1] : Ja, geshredderd. Maar dat spuit er toch uit?

[verdachte] : We hebben hem niet op het veld geshredderd. We hebben hem in Amsterdam geshredderd

[verbalisant 1] : Oh, je hebt hem in Amsterdam geshredderd. Oh wacht ff.

[verdachte] : Toen is ie achterin het plastic helemaal

[verbalisant 1] : En je hebt al die meuk heb je in het plastic. .

[verdachte] : In het plastic en daar zijn we mee in die ml achteruit over het veld gereden.

[verbalisant 1] : Over zo’n bollenveld heen en toen uitgestrooid ofzo? Dat is ook wel drappig zo. De volgende dag mocht het vergeven zijn van de meeuwen ofzo?

[verdachte] : Niks van gezien

[verbalisant 1] : Nee joh

[verdachte] : Niks het plastic hebben we verbrand. Kleding, schoenen alles.

[verbalisant 1] : Ja verstandig. Maar dan gaan we weleens een keer kijken joh. Dus je hebt hem buiten geshredderd in een zak. Ik zie het nu in beelden he.

[verdachte] : Zo'n grote plastic...zo’n zeil.

[verbalisant 1] : Eronder he. Goh. Een dekzeil?

[verdachte] : Ja, een dekzeil

[verbalisant 1] : Ja, dat moet inderdaad een smerige boel geweest zijn. Als je ziet hoe ver zo’n boompje al geshredderd wordt. Zo'n meter of 4 zeker wel. Het zit overal tussen.

[verdachte] : Overal zat het tussen. We hebben de raarste middelen gebruikt om het schoon te maken. Van gekkigheid wisten we niet meer wat we erop moesten doen. Toen hebben we hem teruggebracht.

[verbalisant 1] : Maar die gozer die dat ding voor jullie heeft gehuurd bij Bo-rent weet niks waarvoor hij gebruikt is?

[verdachte] : Nee niks.

[verbalisant 1] : Oké. Heb je daar nog weleens contact mee?

[verdachte] : Met die gozer? Af en toe. Hij zit nog op Kreta.

[verbalisant 1] : Hij woont natuurlijk op Kreta.

[verdachte] : Ja, hoe is het [naam] . Ja goed.

[verbalisant 1] : Zit ie daar met zijn gezin? Er zitten nog al wat Nederlanders op Kreta

[verdachte] : Nee, alleen. Ik maak me daar ook niet druk om

[verbalisant 1] : We gaan nog weleens langs dat bollenveldje. En Bo-rent. Dat ding is al lang al... 20 jaar

[verdachte] : Je kunt het checken. Ja, [verbalisant 1] zijn achternaam, godverdomme ik weet het niet meer.

[verbalisant 1] : Ja, dat komt wel. Als ik dat wil.....

[verdachte] : Zijn maatje is toen naar Sint Maarten gegaan en die is daar toen gepakt want die liet alle dure Audi’s e.d. weghalen. Het halve parlement reed in gestolen auto’s rond. Allemaal dikke Audi's en eh.

[verbalisant 1] : Dat is typisch de Antillen ja. Maar zijn . ..hebben ook nooit wat vermoed ofzo? Of nooit gezegd of? Of zijn vrienden? Die moeten ook denken van nou ehhh die [verdachte] die erbij geweest is?

[verdachte] : Nee, daar stond ik helemaal buiten.

[verbalisant 1] : Alleen die Surinamers uit Tilburg die weten er natuurlijk wel van? Je foto. De eigenaren van die 20 kilo.

[verdachte] : Daar stond ik buiten. Dat heeft die [naam] allemaal geregeld.

[verbalisant 1] : Die [naam] heeft dat gedaan. Oh dus die weten ook niet van jou? Die Surinamers? De eigenaren van de 20 kilo

[verdachte] : Nee, die weten niet van mij.

[verbalisant 1] : Die hebben er geen namen bij of gezichten?

[verdachte] : Nee, nee, nee. Toen het allemaal achter de rug was toen was ik ook nog stom. Ben ik eerst naar Kreta gegaan en naar Spanje gegaan. Vond ik allemaal niks. Toen ben ik naar Bonaire gegaan en toen dacht ik, ik zie hem overal lopen.

[verbalisant 1] : Ja ja ja. Het lijkt allemaal op elkaar. Je weet zelf zeker dat hij er niet meer is.

[verdachte] : Dat was wel ff raar.

[verbalisant 1] : Best traumatisch. Dat doe je niet iedere dag. Ja, jij hebt het misschien vaker gedaan met een haas of konijn maar dat is niet hetzelfde als een mens. Oké. Maar op die plek waar hij eerst begraven is en opgegraven daar heb je toen die shredder ehhh.....

[verdachte] : Heb ik die shredder neergezet. Beton allemaal afgevoerd.

[verbalisant 1] : Je had het er nog druk mee. Maar toen heb je wel een beetje in piepzak gezeten?

[verdachte] : Toentertijd zat er eentje in mijn motor, eentje onder mijn kussen, als ik in bad lag. Lag er nog eentje op mijn badrand. Ben echt wel een tijdje....

[verbalisant 1] : Overal pistolen. Maar je hebt nooit visite gehad van iemand. Ook niet van de kit dus dan ebt het ook weg natuurlijk he.

[verdachte] : En inderdaad, weet dat de politie blij waren dat hij uit beeld was.

[verbalisant 1] : Dat hoorde je van zijn meisje natuurlijk. Dat hij uit beeld was. Maar die weten natuurlijk ook niet dat hij koud gemaakt is. Dan is hij gewoon weg.

[verdachte] : We hadden nog wat papieren. Van een jacht wat in Miami lag. We hebben alles verbrand. Krijg maar de tering.

[verbalisant 1] : En die vrouw van hem die toen bij Justitie werkte heb je geen contact meer mee?

[verdachte] : Nee, al jaren niet meer. Die heeft geen facebook ofzo niks.

[verbalisant 1] : Was dat een Surinaamse ook?

[verdachte] : Nee was Nederlandse

[verbalisant 1] : Oh, goh. Goed.

[verdachte] : Zij werkte bij het OM.

[verbalisant 1] : Ja toen. Ja dat is 22 jaar geleden. Hoe oud was ze toen? Weet je dat nog ongeveer?

[verdachte] : Ehhmm toen was ze.....jaar of mijn leeftijd nou. Tegen de 50. Nou 45.

[verbalisant 1] : Dan is ze wel gepensioneerd tuurlijk he nu. Die werkt daar niet meer. Nou mooi

[verdachte] : Hij was toen. Die ouwe was toen dezelfde leeftijd, jaar of 45. Voor de 50

[verbalisant 1] : Wat een verhaal hoor joh. Ik heb een hoop rare dingen gedaan. Maar dat nog niet gedaan in ieder geval maar je weet het nooit he. Het leven is nog niet over he.

[verdachte] : Het is gebeurd. Ik lig er niet wakker van.

[verbalisant 1] : Hoe heeft die [naam] ?

[verdachte] : [betrokkene 4] .

[verbalisant 1] : [betrokkene 4] . Is dat een Hollander of niet?

[verdachte] : Ja.

[verbalisant 1] : [betrokkene 4] ?

[verdachte] : [betrokkene 4] .

[verbalisant 1] : [betrokkene 4] .

[verdachte] : Er is maar één [familie 2] in [plaats] en die hadden vroeger een fietsenwinkel aan het [park] , achter het...aan de zijkant van godverdomme hoe heet het nou...

[verbalisant 1] : Ik weet het ook niet hoor.

[verdachte] : Hoe heet die dure straat ook alweer?

[verbalisant 1] : [e-straat] .

[verdachte] : De [e-straat] en dan heb je [park] en dan de zijkant daarvan had hij een fietsenwinkel die ouwe

[verbalisant 1] : Zijn vader weer dan?

[verdachte] : Zijn vader en zijn broer had een, moet ik zo even op de kaart kijken, een graszoden bedrijf maar die heeft ze eigen in zijn kop geschoten. Zijn broer vond allemaal vrouwenkleding en schoenen in zijn maat.

[verbalisant 1] : Zat in een ander lichaam zeg maar die zal wel niet lekker in zijn vel gezeten hebben anders schiet je jezelf niet door je kop heen he. Nou.

[verdachte] : De rest is allemaal netjes opgeruimd.

(...).”

(...)

- Op 24 januari 2019 is ‘ [verbalisant 1] ’ naar de woonboot van [verdachte] en [betrokkene 1] gegaan. Zij hadden daar een sociaal gesprek. Ongeveer 20 minuten later vertrokken ‘ [verbalisant 1] ’ en de verdachte met de auto van ‘ [verbalisant 1] ’, die hij verderop parkeerde. ‘ [verbalisant 1] ’ confronteerde de verdachte met het feit dat hij informatie had waaruit bleek dat het lichaam niet was vershredderd maar naar België was gebracht. De verdachte bleef erbij dat het lichaam wel vershredderd was. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft tegen de verdachte gezegd dat hij hem niet mee kon nemen naar Portugal wegens de risico’s.

9.3.5.

De verklaringen van de verdachte naar aanleiding van het WOD-traject

De verdachte heeft eerst ter terechtzitting van de rechtbank van 8 december 2020 een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij een vriendschappelijke relatie met ‘ [verbalisant 1] ’ had opgebouwd. Zijn beeld van ‘ [verbalisant 1] ’ was dat deze goed in de slappe was zat. De bedragen voor de schilderijen trok hij zo uit zijn zak. ‘ [verbalisant 1] ’ was bootjesmakelaar en kwam over als iemand die handelde in louche zaken. Concreet had hij daar nooit iets over gezegd, maar de verdachte leidde dat af uit de manier waarop hij praatte en zich voordeed. De verdachte had het idee dat ‘ [verbalisant 1] ’ iets voor hem kon betekenen in die zin dat hij het restaurant in Cambodja kon financieren. De verdachte was ook onder de indruk van ‘ [verbalisant 1] ’. Hij kreeg namelijk het idee dat ‘ [verbalisant 1] ’ de baas was van een internationale organisatie waarbinnen veel geld werd verdiend en dat hij, als onderdeel van deze organisatie, dan ook veel geld zou gaan verdienen. ‘ [verbalisant 1] ’ bleek ook in de bitcoinhandel te zitten en in het valse geld. Het bleek ook dat hij vervoer deed tussen Portugal en Engeland en dat hij vaak in Portugal verbleef. De verdachte zou met ‘ [verbalisant 1] ’ naar Portugal gaan, ‘ [verbalisant 1] ’ had om een kopie van zijn paspoort gevraagd. In Portugal zou de verdachte bakken met geld kunnen gaan verdienen. Hij zag ‘ [verbalisant 1] ’ niet als compagnon maar als baas, als iemand bij wie hij geld kon verdienen om zijn eten te betalen, zijn huur en zijn alcohol- en drugsgebruik. Verder had hij het idee gekregen dat ‘ [verbalisant 1] ’ en de mensen die voor hem werkten, geweld niet schuwden. Om die reden heeft de verdachte zich naar eigen zeggen stoerder en gevaarlijker voorgedaan dan hij eigenlijk is. Toen ‘ [verbalisant 3] ’ een verhaal vertelde over vluchten, heeft de verdachte daarop gereageerd door hem te overtreffen. De verdachte heeft uitgelegd dat hij dit deed met het doel om te stijgen binnen de organisatie van ‘ [verbalisant 1] ’. Er kwamen steeds meer details in zijn verhaal, omdat ‘ [verbalisant 1] ’ hem onder druk zette. Hij bleef in het geheim werken voor wietboeren, terwijl dit van ‘ [verbalisant 1] ’ niet mocht. Dat had hij aan ‘ [verbalisant 1] ’ verteld en toen gaf hij de verdachte op zijn flikker. De verdachte had het geld van de klusjes nodig voor eten en drugs. Hij zou met ‘ [verbalisant 1] ’ naar Portugal gaan om zijn organisatie te ontmoeten, maar dat werd uitgesteld. In de tussentijd pakte hij deze klusjes van ‘ [verbalisant 1] ’ aan en wachtte op de grote klapper. Het verhaal dat de verdachte aan ‘ [verbalisant 1] ’ vertelde, heeft hij verzonnen.

Ter terechtzitting van het hof op 16 juni 2022 heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard. Hij heeft verklaard dat hij in de betreffende periode (nog) veel drugs gebruikte, leed aan wondroos, financiële problemen had en dat hij financieel afhankelijk was van ‘ [verbalisant 1] ’. Hij heeft hem een ‘broodje aap’-verhaal verteld om indruk te maken.

9.3.6.

Deelconclusies van het hof met betrekking tot het verloop van het WOD-traject

(...)

Bevelen en de uitvoering van het traject

Aan het optreden van de opsporingsambtenaren hebben steeds bevelen als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, Sv ten grondslag gelegen, waarin de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven is omschreven als “zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte, teneinde bewijs te verzamelen in het onderzoek naar de ontvoering/moord/doodslag van de vermiste [slachtoffer] ”, uitgebreid met: “dat opsporingsambtenaren door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en/of aan activiteiten en gesprekken deelnemen waaraan ook de verdachte of [betrokkene 1] als genoemd of andere personen in zijn directe omgeving deelnemen”. Er is veelvuldig overleg geweest tussen de betrokken officieren van justitie en het onderzoeksteam. Ter zake van iedere inzet, ook van bijvoorbeeld het versturen van een WhatsApp-bericht van sociale aard, zijn in processen-verbaal de opdrachten van de begeleiders en de bevindingen van de opsporingsambtenaren vastgelegd. Een uitdraai van de gewisselde WhatsApp-berichten bevindt zich in het dossier. De betaalde bedragen voor de schilderijen van [betrokkene 1] en de ‘klussen’ van de verdachte zijn vastgelegd.

Verslaglegging

Het hof gaat uit van de juistheid van de op ambtseed/-belofte opgemaakte processen-verbaal. Voor wat betreft het gebruik van alcohol door ‘ [verbalisant 1] ’ geldt dat hij in de processen-verbaal heeft opgenomen hoeveel alcoholische consumpties hij heeft genuttigd en dat het om een beperkt gebruik van alcohol gaat. De verdachte heeft de juistheid van de weergave in de processen-verbaal in essentie ook niet betwist. Het hof heeft voldoende inzicht kunnen krijgen in het besprokene over Cambodja en Portugal, waarover hierna meer. Over de latere ondertekening van de processen-verbaal heeft de politie verantwoording afgelegd en deze latere ondertekening doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het in de rede ligt dat in een traject als het onderhavige, voor zover dat mogelijk is, de communicatie met de verdachte auditief dan wel audiovisueel wordt opgenomen. Waarom dit in de onderhavige zaak grotendeels niet het geval is geweest is het hof niet geheel duidelijk geworden. Evenwel is het opnemen geen verplichting en heeft het hof door de opgemaakte processen-verbaal voldoende inzicht gekregen in de uitvoering van het traject. Daarbij komt dat de gesprekken van 27 september 2018, 16 oktober 2018 en 24 januari 2019, waarin de verdachte verklaart over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] en het wegmaken van diens lijk, wel auditief zijn opgenomen.

Feitelijk optreden van de opsporingsambtenaren

Hiervoor is een groot aantal ontmoetingen dat heeft plaatsgevonden kort beschreven, is voorts een groot aantal WhatsApp-berichten opgenomen en zijn de opgenomen gesprekken waarbij de verdachte over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] heeft verklaard integraal weergegeven. De overige bevindingen in het dossier betreffende het traject leveren geen ander beeld op dan het beeld dat uit hetgeen hiervoor is geschetst naar voren komt. Naar het oordeel van het hof zijn de opsporingsambtenaren bij de wijze waarop zij aan de bevelen uitvoering hebben gegeven, gebleven binnen de kaders van de opdracht van de officier van justitie.

Mate van (psychische) druk/kwetsbare verdachte

Uit de hiervoor opgenomen informatie uit het WOD-traject blijkt dat de verdachte geen geïsoleerd bestaan leidde. Hij had (en heeft) een liefdesrelatie met [betrokkene 1] en was kennelijk veel in haar bijzijn. Uit de processen-verbaal van ‘ [verbalisant 1] ’ en uit de WhatsApp-contacten volgt het beeld dat de verdachte een sociale man is. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 28 februari 2020 verklaard dat hij het goed kon vinden met de verdachte, de verdachte is een fijne man om mee om te gaan. De verdachte was gelukkig met [betrokkene 1] en maakte een stabiele indruk op ‘ [verbalisant 1] ’.

‘ [verbalisant 1] ’ heeft de verdachte regelmatig wiet zien blowen, maar heeft hem geen harddrugs zien gebruiken. Eerst kon de verdachte niet geopereerd worden aan zijn knie omdat de anesthesist vond dat hij zijn drugsgebruik moest minderen, maar in mei/juni 2018 heeft de operatie alsnog plaatsgevonden en had de verdachte zijn gebruik kennelijk verminderd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2022 met betrekking tot telefonische dealercontacten van de verdachte blijkt ook dat de verdachte rond april/mei 2018 minder verdovende middelen is gaan gebruiken ( p . 1355-1359 Algemeen dossier). Ook overigens volgt het door de verdediging geschetste beeld dat de verdachte een ernstig verslaafde man was, dan wel grote problemen met afkicken had, niet uit de onderzoeksbevindingen. De verdachte komt volledig helder over in de (weergave van de) gesprekken die hij met ‘ [verbalisant 1] ’ voerde en in de door hem verzonden WhatsApp-berichten.

Er is niet van dusdanig ernstige gezondheidsproblemen bij de verdachte gebleken dat hij daardoor als kwetsbaar zou moeten worden aangemerkt. De verdachte had last van zijn knie, maar is daaraan geopereerd. Na deze operatie had hij pijn en leed hij aan wondroos. Op 2 augustus 2018 heeft de verdachte geklust maar moet dan in het weekend met zijn been omhoog, omdat hij nog steeds wondroos heeft. Hij moet weer een kuur maar “de implementatie” (het hof begrijpt: de kunstknie/het implantaat) is perfect en hij zit ook vrij goed qua fysio. De operatie is dus geslaagd en verder neemt de verdachte medicatie en volgt hij fysiotherapie. Op 1 september 2018 blijkt het de goede kant op te gaan met de knie van de verdachte.

Over de financiële situatie van de verdachte ten tijde van het WOD-traject is het volgende gebleken. De verdachte ontving een uitkering en € 60,00 leefgeld per week. Ter terechtzitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij zijn huis in [plaats] aan een vriend onderverhuurde, dat deze de huur meebetaalde en dat hij zelf was ingetrokken op de woonboot bij [betrokkene 1] . Ook heeft hij ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij geld verdiende door klussen uit te voeren, zoals bij iemand schilderen, tuinbouw en een klusje hier of daar. Voorts voerde de verdachte wiettransporten uit. Op 21 april 2018 stuurt hij een WhatsApp-bericht aan ‘ [verbalisant 1] ’ dat hij de aankomende twee weken volop aan het werk is, behalve op Koningsdag. Op 9 mei 2018 vertelde de verdachte aan ‘ [verbalisant 1] ’ dat hij de laatste weken € 1.700,00 had verdiend met transport. Tijdens het gesprek met ‘ [verbalisant 1] ’ op 16 oktober 2018 had de verdachte een wiettransport in de week daarop in het vooruitzicht waarmee hij € 1.000,00 zou verdienen. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij cash kreeg uitbetaald, voor het transport de bus “van hen” gebruikte en niet voor de benzine hoefde te betalen.

De verdachte heeft verklaard dat ‘ [verbalisant 1] ’ hem financieel isoleerde en hem verbood om de wiettransporten uit te voeren. Inderdaad heeft ‘ [verbalisant 1] ’ op 13 juli 2018 tegen de verdachte gezegd dat als hij voor hem, ‘ [verbalisant 1] ’, ging werken, hij zou moeten stoppen met de wiettransporten. Echter blijkt uit de hiervoor aangehaalde gesprekken dat de verdachte door ging met deze transporten en daar ‘ [verbalisant 1] ’ ook over vertelde, die hem daarbij niets in de weg legt. Zelfs geeft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte in het gesprek van 16 oktober 2018 nog het advies om voorzichtig te rijden en rekening te houden met politiefuiken. Ook overigens is niet gebleken dat ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte financieel isoleerde.

Dat de verdachte financieel afhankelijk was van ‘ [verbalisant 1] ’ op het moment dat hij zijn verklaringen van 27 september 2018 en 16 oktober 2018 aflegde, is niet gebleken. Verdachte had pas op 21 september 2018 voor de eerste maal een bedrag ontvangen voor een klusje van ‘ [verbalisant 1] ’ van € 300,00. Op 27 september 2018 ontving hij, na zijn ontboezemingen aan ‘ [verbalisant 3] ’ – waar ‘ [verbalisant 1] ’ niet bij was – van ‘ [verbalisant 1] ’ voor de tweede maal een bedrag van € 300,00 voor de (uiteindelijk niet uitgevoerde) klus. Ten tijde van zijn verklaringen op 27 september 2018 respectievelijk 16 oktober 2018 had de verdachte dus nog maar € 300,00 respectievelijk € 600,00 van ‘ [verbalisant 1] ’ ontvangen, terwijl er al sinds januari 2018 sprake was van regelmatig contact. Kennelijk kon de verdachte op andere wijze in zijn levensonderhoud voorzien.

Mate van misleiding

De verdachte is, zoals blijkt uit de weergave van het WOD-traject, in vergaande mate misleid. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft de indruk gewekt dat hij naast zijn legale werk in boten, waarvoor hij veelal in Portugal verbleef, zich tevens bezighield met het smokkelen van (vals) geld. Hij zou ook een contact bij de politie hebben. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft op 28 februari 2020 bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte al vrij snel uit zichzelf vroeg of hij niet wat geld bij ‘ [verbalisant 1] ’ kon verdienen. In een WhatsApp-bericht van 3 april 2018 aan ‘ [verbalisant 1] ’ schrijft de verdachte: “Mocht je ooit een handje nodig hebben laat t me maar weten”. Uit het dossier ontstaat het beeld dat de verdachte het gezellig vindt met ‘ [verbalisant 1] ’, maar duidelijk is ook dat hij aanvankelijk hoopt op een investering van ‘ [verbalisant 1] ’ en ‘ [verbalisant 2] ’ in het restaurant in Cambodja, en vervolgens als dat van de baan is, wel wat bij ‘ [verbalisant 1] ’ wilde verdienen. Hiertoe voert hij ‘klusjes’ uit op 21 september 2018 en op 27 september 2018. Het contact blijft echter vriendschappelijk; de stellen spreken met elkaar af en de toon van de WhatsApp-berichten is luchtig. De verdachte geeft niet de indruk ‘ [verbalisant 1] ’ als zijn “baas” te zien.

Wat betreft de wens om in Cambodja een restaurant te beginnen, blijkt dat ‘ [verbalisant 1] ’ en ‘ [verbalisant 2] ’ op 2 maart 2018 hebben gesproken over het mogelijk investeren daarin, maar daar wel eerst goed over te willen nadenken. Op 3 maart 2018 heeft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte in een WhatsApp-bericht laten weten dat hij het wel moet laten bezinken en goed moet bekijken allemaal en dat de verdachte niet te blij moet worden, omdat het anders extra tegenvalt. Op 8 maart 2018 heeft ‘ [verbalisant 1] ’ laten weten wel benieuwd te zijn naar het plan van de verdachte en [betrokkene 1] en dat hij zijn mogelijkheden aan het bekijken is. Op 20 maart 2018 hebben de verdachte en [betrokkene 1] aan ‘ [verbalisant 1] ’ een presentatie laten zien met het financiële plaatje van de overname. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft aangegeven dat hij het moest laten bezinken, dat hij met een ander moest overleggen en dat hij ze geen valse hoop wilde geven. Op 26 maart 2018 heeft ‘ [verbalisant 1] ’ aan de verdachte laten weten dat er complicaties zijn en op 27 maart 2018 hebben ‘ [verbalisant 1] ’ en ‘ [verbalisant 2] ’ zich kritisch getoond over de overnamekosten en het door de huurder gevraagde bedrag en hebben zij laten weten dat ze nu niet konden helpen met de financiering. De verdachte en [betrokkene 1] gaven hierna aan er anders tegenaan te kijken en dat ze in de toekomst misschien voor wat kleiners en goedkopers moesten gaan. Op 30 maart 2018 bleek dat het restaurant was verkocht. ‘ [verbalisant 1] ’ liet op die dag ook aan de verdachte weten dat hij voorlopig niet over zijn geld kon beschikken. Op 11 april 2018 heeft de verdachte nog in een WhatsApp-bericht aan ‘ [verbalisant 1] ’ laten weten dat ze nog wel interessante locaties hebben gevonden en dat “ze” niet van Kanell afkomen, maar ‘ [verbalisant 1] ’ reageert hier niet op en leidt de conversatie een andere kant op. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat het restaurant in Cambodja in maart 2018 van de baan was en dat zij een eventuele kroketterie in Cambodja op een zijspoor hadden gezet, omdat zij geen financiële middelen daarvoor hadden. Uit het dossier noch uit de verklaring van de verdachte blijkt verder van concrete plannen van de verdachte met betrekking tot een restaurant of een kroketterie in Cambodja na maart/april 2018, terwijl er evenmin blijkt van enige door ‘ [verbalisant 1] ’ en/of ‘ [verbalisant 2] ’ gedane toezegging met betrekking tot de financiering hiervan. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft hierover in zijn verhoor bij de rechter-commissaris van 28 februari 2020 verklaard: “ [verbalisant 2] en ik hebben met [verdachte] besproken dat het veel te duur was en achteraf gezien waren ze ons daar dankbaar voor, dat het niet doorging. Ze zagen toen ook in dat het niet goed was. Ik kon dat geld natuurlijk niet investeren. Dat Cambodja-verhaal is een stille dood gestorven, maar daar waren [verdachte] en [betrokkene 1] wel content mee. Dat verhaal is gedurende het hele jaar nog wel eens boven komen borrelen, omdat ze graag naar Cambodja wilden. Dit was ook in verband met de dochter van [verdachte] , die in Thailand woont, maar er is nadien niet meer gesproken over dit soort bedragen of een investering met ons geld.”

Met betrekking tot het (vele) geld dat de verdachte in Portugal zou gaan verdienen, heeft de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat hij met ‘ [verbalisant 1] ’ mee naar Portugal zou gaan om “zijn organisatie” te ontmoeten. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat dit concreet werd toen ‘ [verbalisant 1] ’ hem om zijn paspoortgegevens vroeg. Blijkens de WhatsApp-berichten was dit op 20 januari 2019 en heeft de verdachte de volgende dag zijn gegevens naar ‘ [verbalisant 1] ’ gestuurd. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft op 16 maart 2020 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij altijd heel oppervlakkig is gebleven over zijn werkzaamheden, dat hij voornamelijk in het buitenland was wegens zijn werk in de offshore sector en dat hij niet met de verdachte heeft gesproken over criminele activiteiten in Portugal. ‘ [verbalisant 1] ’ zat veel in Portugal, had daar vrienden, werk en plezier. Hij heeft het nooit met de verdachte gehad over welke vrienden er in Portugal ontmoet zouden worden, hij vond het leuk een keer de verdachte mee te nemen naar Portugal en het had niets met criminele activiteiten te maken, aldus ‘ [verbalisant 1] ’ bij de rechter-commissaris.

Het hof overweegt dat er blijkens de processen-verbaal over de ontmoetingen herhaaldelijk over “Portugal” is gesproken, maar dat dit wordt gerangschikt onder “gesprekken van sociale aard”. Niet blijkt dat door ‘ [verbalisant 1] ’ aan de verdachte is toegezegd dat hij in Portugal veel geld zou gaan verdienen en in ieder geval was een trip naar Portugal niet concreet vóór 20 januari 2019.

Verhoorsituatie?

De verdachte heeft op 21 september 2018, geconfronteerd met ‘ [verbalisant 3] ’ die zogenaamd op de vlucht moest, uit zichzelf verklaard dat hij een keer naar Kreta heeft moeten vluchten voor iets waarvoor hij TBS zou kunnen krijgen. Naar het oordeel van het hof is hierbij geen sprake van een verhoorsituatie. Door ‘ [verbalisant 3] ’ is geen enkele druk op de verdachte uitgeoefend om dit verhaal te vertellen. De verdachte is misleid door hem te confronteren met een “vluchtende [verbalisant 3] ” en hij heeft er zelf voor gekozen deze informatie met ‘ [verbalisant 3] ’ te delen.

‘ [verbalisant 1] ’ heeft de verdachte hier nadere vragen over gesteld op 27 september 2018; iets met TBS wil hij wel het liefst weten, in plaats van [verbalisant 3] . De verdachte heeft vervolgens het verhaal uit de doeken gedaan. Op 16 oktober 2018 heeft ‘ [verbalisant 1] ’ nadere vragen aan de verdachte gesteld over “die knakker die koud gemaakt is”, omdat hij toch wat meer dingen wil weten om zeker te weten dat hij geen risico loopt en de verdachte ook niet.

Het hof merkt op dat er een zekere opbouw in de vraagstelling zit, naarmate de verdachte meer vertelt aan ‘ [verbalisant 1] ’. Zo wordt er op 27 september 2018 in eerste instantie voornamelijk gereageerd op wat de verdachte verklaart en wordt de verdachte meegenomen in zijn eigen verhaal. Op 16 oktober 2018 zijn verschillende (verdiepende) vragen gesteld. Naar het oordeel van het hof is evenwel in beide situaties geen sprake van een onacceptabele wijze van sturen en ongeoorloofde bemoeienis met de inhoud van de verklaring van de verdachte. De vragen die ‘ [verbalisant 1] ’ stelt kunnen ook binnen een “normaal gesprek” gesteld worden. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat ‘ [verbalisant 1] ’ hierover bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij meer verduidelijking wilde en dat de verdachte op bepaalde momenten binnensmonds sprak (verklaring van A -4083 bij de rechter-commissaris op 28 februari 2020).

Bij de gesprekken van 27 september en 16 oktober 2018 blijkt niet van enige door ‘ [verbalisant 1] ’ uitgeoefende druk noch van enige door hem gestelde voorwaarde. Het hof heeft (evenals het Openbaar Ministerie en de verdediging) de geluidsopnames van deze gesprekken beluisterd en ook daaruit is niet van enige druk gebleken: ‘ [verbalisant 1] ’ stelt (vervolg)vragen en de verdachte vertelt, er is geen sprake van bijvoorbeeld stemverheffing van ‘ [verbalisant 1] ’ en de gesprekken verlopen rustig. De verdachte heeft er zelf voor gekozen zijn verhaal te delen met ‘ [verbalisant 1] ’, die niet wil dat de verdachte een bekentenis doet, maar juist wil dat er geen misdrijf is gepleegd omdat hij geen problemen met de politie wil.

Er is in deze beide situaties ook overigens geen sprake van (ontoelaatbare) druk. Hierbij betrekt het hof hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de persoon van de verdachte en de situatie waarin hij verkeerde, kort samengevat: het gaat hier niet om een kwetsbare verdachte en er is geen sprake van een (financiële) afhankelijkheid van ‘ [verbalisant 1] ’. De verdachte kon in alle vrijheid afzien van contacten met en klusjes voor ‘ [verbalisant 1] ’. Aldus stond de verdachte niet onder druk om zijn (‘broodje aap’-)verhaal aan ‘ [verbalisant 1] ’ te vertellen. De stelling van de verdachte, dat hij onder druk een (‘broodje aap’-)verhaal heeft verteld omdat hij van mening was met een keiharde crimineel van doen te hebben en zijn positie wilde versterken, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. ‘ [verbalisant 1] ’ was juist iemand die “onder de radar” wilde blijven, hij wilde geen problemen met de politie en wilde bijvoorbeeld dat de verdachte, als hij voor hem ging werken, niet zou rijden omdat de verdachte geen rijbewijs had.

Naar het oordeel van het hof geldt ook bij de gesprekken van 27 september 2018 en 16 oktober 2018 dat de verdachte is gaan verklaren door de toegepaste misleiding, welke misleiding het hof gelet op het hiervoor overwogene toelaatbaar acht, zonder evenwel enige op hem gelegde druk. Van een verhoorsituatie is derhalve geen sprake.

Wat betreft het gesprek van 24 januari 2019 is het volgende van belang in de aanloop daar naartoe. Op 6 december 2018 vertelt de verdachte aan ‘ [verbalisant 1] ’ dat hij is gestopt met het koerieren van wiet. Die dag geeft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte op zijn verzoek een bedrag van € 300,00, omdat de verdachte krap bij kas zit. Op 18 december 2018 vraagt de verdachte in een WhatsApp-bericht aan ‘ [verbalisant 1] ’ of deze laatste hem een beetje vooruit kan helpen, hij zit krap bij kas. Op 19 december 2018 geeft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte een bedrag van € 450,00 en zegt dat dit een lening is die de verdachte door klussen voor hem, ‘ [verbalisant 1] ’, te doen gaat terugbetalen. Op 11 januari 2019 voert de verdachte tegen betaling van een bedrag van € 200,00 een zogenaamde incassoklus uit voor ‘ [verbalisant 1] ’. Op 20 januari 2019 wordt, volgens de verdachte, de “klus” in Portugal concreet voor hem, omdat ‘ [verbalisant 1] ’ hem op die datum vraagt om gegevens van zijn paspoort. Vervolgens vindt er op 24 januari 2019 een gesprek tussen ‘ [verbalisant 1] ’ en de verdachte plaats, waarbij ‘ [verbalisant 1] ’, na te hebben gesproken over het belang van vertrouwen, zeker nu de verdachte meegaat naar Portugal, de verdachte voorhoudt dat zijn verhaal voor driekwart klopt. Hierna confronteert ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte met CIE-informatie die hij heeft gekregen “via mijn contact bij de kit”, waaruit bleek dat het lichaam van [slachtoffer] niet was vershredderd maar was verstopt in België. Tijdens dit gesprek blijft ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte hiermee confronteren en hierover bevragen. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft in zijn proces-verbaal van deze ontmoeting het volgende opgenomen: “Ik liet [verdachte] de informatie die ik had lezen via het scherm van mijn telefoon. [verdachte] vertelde geschrokken te zijn dat zijn naam daarin voorkwam maar vertelde weer dat het België verhaal niet klopte en was duidelijk aangeslagen door de informatie. Ik zag dat [verdachte] een bleke gelaatskleur kreeg en dat hij trilde toen hij een shaggie maakte kennelijk door nervositeit.” Het hof heeft de verdachte op de geluidsopname van dit gesprek zwaar horen zuchten.

Naar het oordeel van het hof is de situatie ten aanzien van het gesprek op 24 januari 2019 een andere dan ten tijde van de gesprekken van 27 september 2018 en 16 oktober 2018. Er was bij de verdachte inmiddels een zekere financiële afhankelijkheid van ‘ [verbalisant 1] ’ ontstaan, de verdachte had een klus voor ‘ [verbalisant 1] ’ uitgevoerd die in ieder geval een element van dwang ten aanzien van ‘het slachtoffer’ bevatte (de incasso-klus) en hij had – in zijn op dat moment lastige financiële situatie – concreet een trip naar ‘Portugal’ in het vooruitzicht. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte met die trip – uiteindelijk – geld hoopte te verdienen. De verdachte is tijdens dit gesprek geconfronteerd met politie-informatie waardoor hij mogelijk – ‘ [verbalisant 1] ’ geeft aan gezien de informatie “effe de rem erop” / “het op rij te willen zetten” – niet mee zou kunnen gaan naar Portugal. Door deze politie-informatie raakte de verdachte zeer van zijn stuk. De verdachte is er vervolgens meerdere malen mee geconfronteerd dat zijn eerdere verklaringen niet zouden kloppen en er zijn hem hierover indringende vragen gesteld. In feite bevond de verdachte zich tijdens het gesprek met ‘ [verbalisant 1] ’ op 24 januari 2019 naar het oordeel van het hof aldus in een verhoorsituatie.

9.3.7.

Eindconclusie van het hof met betrekking tot het verloop van het WOD-traject en de door de verdachte afgelegde verklaringen

a ) De rechtmatigheid van het WOD-traject en verklaringsvrijheid

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het WOD-traject rechtmatig is verlopen en dat de door de verdachte op 21 september, 27 september en 16 oktober 2018 afgelegde verklaringen niet in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd en derhalve voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Naar het oordeel van het hof is de verklaring van 24 januari 2019 door de verdachte wel afgelegd in strijd met zijn verklaringsvrijheid en dient deze verklaring te worden uitgesloten van het bewijs.

b) Is sprake van een ‘broodje aap’-verhaal?

De verdachte heeft, kort samengevat, tegenover undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gedood door hem door zijn hoofd te schieten en door met een voorwerp diens hoofd in te slaan. Voorts heeft de verdachte tegenover ‘ [verbalisant 1] ’ verklaard dat hij samen met [betrokkene 4] het lichaam van [slachtoffer] heeft begraven, weer heeft opgegraven, heeft vershredderd en vervolgens de resten naar een bollenveld in [plaats] heeft gebracht.

Hiervoor heeft het hof uiteengezet dat er voor de verdachte geen enkele aanleiding bestond om zich voor te doen als “keiharde bikkel” en aldus een (dergelijk) verzonnen verhaal te vertellen. Het hof is er ook overigens van overtuigd dat de verdachte het werkelijke verhaal heeft verteld en neemt daarbij het volgende in aanmerking.

WhatsApp-gesprek van 17 oktober 2018

Op 17 oktober 2018, daags na het gesprek van 16 oktober 2018 waarbij de verdachte aan ‘ [verbalisant 1] ’ over het doden van [slachtoffer] en over het wegmaken van zijn lichaam heeft verteld, stuurt de verdachte een WhatsApp-bericht aan ‘ [verbalisant 1] ’ waarin hij schrijft dat het even een moeilijk gesprek was en waarin hij ‘ [verbalisant 1] ’ bedankt voor zijn begrip. Een dergelijk bericht ligt bepaald niet voor de hand voor iemand die zich wil voordoen als keiharde bikkel maar wijst erop dat de verdachte heeft verteld wat er werkelijk is gebeurd.

Woonboot OVC-gesprekken

Aan de overtuiging van het hof dat de verdachte geen ‘broodje aap’-verhaal heeft verteld draagt voorts bij de inhoud van de OVC-gesprekken op de woonboot. Hierover overweegt het hof het volgende.

In het politieonderzoek is op basis van een daartoe gegeven bevel het opsporingsmiddel van het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) ingezet in de woning (woonboot) van de verdachte en zijn partner [betrokkene 1] . De opgenomen communicatie is woordelijk uitgewerkt in het dossier.

Op 27 september 2018 heeft er een ontmoeting plaatsgevonden tussen de verdachte en de undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’. Op deze dag vertrekt ‘ [verbalisant 1] ’ even na 16:30 uur. Daaropvolgend spreekt de verdachte met zijn partner in de woonboot.

De verdachte spreekt eerst over “die jongen in die auto” – het hof begrijpt dat de verdachte hier spreekt over de ontmoeting met de undercoveragent ‘ [verbalisant 3] ’ met wie hij in een auto op 21 september 2018 heeft gesproken – en dat ‘ [verbalisant 1] ’ daarnaar gevraagd heeft.

In de uitwerking van het OVC-gesprek van 27 september 2018 vanaf 16:36:48 uur is het volgende gerelateerd ( p . 172-173 Algemeen dossier):

[verdachte] neemt afscheid van [verbalisant 1] op de woonboot en gaat daarna in gesprek met [betrokkene 1] op de woonboot.

“(...)

[verdachte] : Ja, maar ik zat laatst met die jongen in die auto... En die zegt van ja euhm... ja godverdomme die kut kerel... onderduiken en.....ik zeg ja ik ken het gevoel... Ow, je eh eh....ja ik ben ook wel eens op een plek... ntv... ver.. ntv ...oh ...enne... toen vroeg ie hoezo dat dan.. Ik zeg ja een beetje uit de hand gelopen euh bat hoe doet er niet toe, moes wel effe uit het beeld...dus ja er was iets voorgevallen enne dat ging niet door de beugel.. dus [verbalisant 1] vroeg ook net effe aan mij, hij zegt [verdachte] eeuh niet om het een of ander, maar effe euh weet dat je eerlijk bent en ... mij bedriegen.....ntv...ooh dat verhaal, nee joh.... Ntv.

[betrokkene 1] : Ja

[verdachte] : Dat hebben we zo lang en zo lang

[betrokkene 1] : Oke

[verdachte] : Enne... zo lang denk je dat daar nog iets... Nee, we hebben hem weer opgepakt enne hup in de schredder....ooh, naou eeuh..

[betrokkene 1] : ooh oke

[verdachte] : Stijg je wel wat in punten zegt ie eeuh..

[betrokkene 1] : Stijg je wel (lacht hierbij)

[verdachte] : (lacht)

[betrokkene 1] : Het zijn wel geen leuke herinneringen, maar wel eeuh..

[verdachte] : Hij zegt van ja denk je daar nog wel eeuh ...soms ntv

[betrokkene 1] : Natuurlijk.... Natuurlijk

[verdachte] : Hij zegt euh ja nee dat snap ik zegt ie, das menselijk hij zegt maar euh wat moet dat moet.... Ntv zegt ie

[betrokkene 1] : (lacht) oh sorry hoor, ja het is natuurlijk ntv leuk hoor......ik denk dat jij eeuh ....heel rustig kan blijven in de meest rare situaties en heel goed weet wat jij moet doen, want het is voor jou niet zo snel een hele rare situatie....en dus eeuh

[verdachte] : Nee, dus euh hij vroeg een beetje dat was gegaan enne ntv en hoeveel mensen er vanaf wisten...wat zei je? ...enne... Hoe kwam je dan van die andere mensen af..heel netjes hun spullen teruggegeven enne..ssst..pak dat maar....ntv hij zegt meen je dat nou echt? Jahaa, anders waren we er niet van af gekomen, en wat moet euh dat moet....hij zegt euh ja niet om het een of ander dat ik je niet vertrouw, maar euh ik wil... ik vind het wel fijn om dit te weten enne....ntv Niet dat we dadelijk een of ander geouwehoer krijgen.

[betrokkene 1] : ja

[verdachte] : Enne.. Ik zei m’n strafblad dus euh ja bedreigingen euh poging tot euh mishandeling euh.....ntv ...niks

[betrokkene 1] : Ja

[verdachte] : hij vindt het gewoon fijn euh... dat ik bij m ben

[betrokkene 1] : Ja

[verdachte] : Na, das duidelijk

[betrokkene 1] : Ja ......ja dan hoef je alleen maar euh je hersenen enne je gezicht te laten doen..ja..t is waar jij goed in bent en waar jij toen euh kaas van hebt ....ntv.

(...)”

Kort daarna, op dezelfde dag tussen 17:24:26 uur tot 17:24:50 uur, is op de woonboot het volgende besproken ( p . 175-176 Algemeen dossier):

“ [betrokkene 1] : Ik wou zeggen kijk uit dat [betrokkene 4] ntv..

[verdachte] : Nee

[betrokkene 1] : ( [betrokkene 1] lacht)

[verdachte] : ntv

[betrokkene 1] : Liever zo met euhh [verbalisant 1] . Het is fijn omdat kun je gewoon je leven gewoon weer rustig euu herstellen ennuhh... terwijl je toch euuh ja je geheim gegeven hebt.

[verdachte] : (Noot verbalisant: ik hoor [verdachte] niks zeggen)”

Uit het door de verdachte met zijn partner [betrokkene 1] gevoerde gesprek – dat vrijwel direct volgde op het gesprek dat de verdachte had gevoerd met ‘ [verbalisant 1] ’ – kan worden afgeleid dat de verdachte aan [betrokkene 1] vertelt wat hij heeft besproken met ‘ [verbalisant 1] ’. Op geen enkel moment laat de verdachte daarbij merken, dat hij niet de waarheid verteld zou hebben tegen ‘ [verbalisant 1] ’. Dit laatste vindt ook bevestiging in het gegeven dat [betrokkene 1] niet verbaasd is door hetgeen de verdachte vertelt. [betrokkene 1] is er kennelijk al van op de hoogte. Zo vertelt de verdachte “we hebben hem weer opgepakt enne hup in de schredder” en dat ‘ [verbalisant 1] ’ daarop heeft gezegd dat de verdachte ‘in punten stijgt’, [betrokkene 1] reageert hierop (lachend) “stijg je wel” en vervolgens met “het zijn wel geen leuke herinneringen”. Ten slotte wordt door [betrokkene 1] tegen de verdachte gezegd “Liever zo met euhh [verbalisant 1] . Het is fijn omdat kun je gewoon je leven gewoon weer rustig euu herstellen ennuhh... terwijl je toch euuh ja je geheim gegeven hebt.” De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof dat “je geheim” zou zien op door de verdachte uitgevoerde wiettransporten volgt het hof niet, reeds omdat dit niet past in de context van de gesprekken.

Op 16 oktober 2018 spreekt ‘ [verbalisant 1] ’ met de verdachte in zijn auto. De verdachte vertelt dan aan ‘ [verbalisant 1] ’ uitgebreid en gedetailleerd over het doden van [slachtoffer] en wat zijn rol hierbij is geweest. De inhoud en het verloop van dit gesprek is weergegeven bij de bespreking van het WOD-traject.

Op 17 oktober 2018 spreken de verdachte en [betrokkene 1] op de woonboot en is onder meer het volgende opgevangen bij de inzet van de OVC ( p . 181 Algemeen dossier):

“(...)

[betrokkene 1] : Ja, ze weten hoe het in elkaar steekt, je bent een kei slimme gast gewoon. En die gasten zijn niet zo slim als jij. Daar kunnen ze niets aan doen, want jij hebt verder niks. Maar weet dat wel. Ja dat is echt waar. Besef dat. En geloof er in, ja voor mezelf ook. Ja. En heb het er wel even met [verbalisant 1] er, dat je ziet jou eh, hoe je kijkt en hoe je denkt, en ja.

[verdachte] : Absoluut. Ik heb nou open kaart met hem gespeeld, maar als ik hier iets van terug krijg, gewoon, dan heb [verbalisant 1] een probleem.

[betrokkene 1] : Ja, dat is zeker. NTV. Dat weet ie ook.

[verdachte] : Ja.

[betrokkene 1] : Ja

[verdachte] : NTV België gegaan het zat me even niet lekker om dat te vertellen.

[betrokkene 1] : Nee

[verdachte] : NTV”

Uit deze conversatie tussen de verdachte en [betrokkene 1] blijkt opnieuw op geen enkele wijze dat de verdachte tegen ‘ [verbalisant 1] ’ een onwaar verhaal zou hebben verteld over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] . Integendeel, de verdachte zegt “open kaart” te hebben gespeeld.

Verankering van elementen uit het verhaal van de verdachte in objectieve onderzoeksbevindingen

Hetgeen de verdachte heeft verteld is voorts op diverse onderdelen aantoonbaar juist gebleken op grond van feiten en omstandigheden in het dossier. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

• Het gesprek tussen de verdachte en ‘ [verbalisant 3] ’ op 21 september 2018

De verdachte heeft verklaard dat hij ook wel eens heeft moeten vluchten en toen vijf jaar naar Kreta en daarna naar Thailand is gegaan.

Uit de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) volgt dat de verdachte inderdaad jaren geleden naar Kreta is gegaan waar hij jarenlang heeft gewoond en vervolgens naar Thailand is gegaan ( p . 152 en p . 1179-1186 Algemeen dossier). De verdachte heeft ook zelf bij de Reclassering verteld dat hij in 2002 naar Kreta is vertrokken.

• Het OVC-gesprek van 16 oktober 2018

De verdachte heeft tijdens het gesprek op 16 oktober 2018 met ‘ [verbalisant 1] ’ over de navolgende onderwerpen het volgende verteld.

Het slachtoffer

De verdachte heeft tegen undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ gezegd dat het slachtoffer [slachtoffer] heette en een woning in de [b-straat] te [plaats] had. Het slachtoffer [slachtoffer] was van Surinaamse afkomst en zou in het verleden de Van Gogh schilderijenroof hebben gepleegd. Deze [slachtoffer] was hiervoor opgepakt en had vastgezeten voor deze roof.

Uit het dossier is hierover het volgende gebleken.

[slachtoffer] is verdachte geweest in het onderzoek naar de schilderijenroof uit het Van Goghmuseum in 1991. Hij is hiervoor veroordeeld en heeft vastgezeten in de gevangenis [gevangenis] . [betrokkene 4] heeft als getuige in 2003 verklaard dat hij [slachtoffer] in 1993 in de gevangenis [gevangenis] heeft leren kennen waar [slachtoffer] een straf uitzat voor de Van Goghroof ( p . 105-106 Algemeen dossier). Hij heeft ook verklaard de woning van [slachtoffer] in de [b-straat 1] te [plaats] in 1997 of 1998 te hebben overgenomen ( p . 10 Algemeen dossier).

De partner van het slachtoffer

De verdachte heeft undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ verteld dat de partner van [slachtoffer] bij justitie werkte, zij met het slachtoffer een kind heeft maar niet met hem getrouwd was en dat de verdachte later een gesprekje met haar heeft gehad.

Uit de verklaring van [betrokkene 12] , de toenmalige partner van [slachtoffer] , volgt dat zij naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer] op 11 januari 2002 een ontmoeting in een café in Amsterdam heeft gehad met [verdachte] ( p . 16 Algemeen dossier). [verdachte] heeft toen verteld over de ripdeal op Schiphol. Als e-mailadres van deze [verdachte] had zij genoteerd [e-mailadres] ( p . 21 Algemeen dossier). De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg erkend dat hij haar destijds heeft gesproken in een café in Amsterdam. [betrokkene 12] heeft in het verleden gewerkt bij de jeugdhulpverlening ( p . 257 Algemeen dossier). Uit de GBA-gegevens blijkt dat [betrokkene 12] en [slachtoffer] samen een zoon hebben ( p . 261 Algemeen dossier).

De broer van de maat

De verdachte heeft tegen undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ gezegd dat de maat met wie de verdachte was [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4] ) heet en ze hebben gegraven met een bobcat van diens broer. Deze laatste maakte grasvelden voor Ajax en sociale grasvelden, hij heeft zelfmoord gepleegd, aldus de verdachte.

Uit de verklaring van [betrokkene 4] volgt dat hij samen met zijn broer een bedrijf heeft gehad in de grondrecycling en dat zijn broer zelfmoord heeft gepleegd ( p . 282 Algemeen dossier). Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel volgt dat van [B] BV de enig aandeelhouder [betrokkene 13] was die op [datum] 2011 is overleden ( p . 259 Algemeen dossier).

De telefoon en Kreta

De verdachte heeft voorts aan undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ verteld dat ze de telefoon van het slachtoffer aan iemand hebben gegeven die ermee naar Parijs moest rijden om de telefoon in een trein te leggen. Diegene woont op Kreta.

Uit het dossier is hierover het volgende gebleken.

[betrokkene 4] heeft op 3 april 2007 verklaard dat hij met [betrokkene 10] twee restaurants heeft gehad op Kreta ( p . 575 Algemeen dossier). [betrokkene 10] heeft een facebookpagina en is via facebook bevriend met de verdachte en [betrokkene 4] . [betrokkene 10] is ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal op 6 maart 2019 woonachtig in Griekenland ( p . 261 Algemeen dossier). Uit de hierna te bespreken eerste verklaring van [betrokkene 10] volgt dat hij in 2002 op verzoek van de verdachte tegen betaling van € 200,00 een mobiele telefoon naar Antwerpen heeft gebracht en deze vervolgens op een vrachttrein heeft gelegd.

De Heining

Over de plek waar hij [slachtoffer] heeft gedood heeft de verdachte verteld:

“ [verdachte] : Een terrein in Halfweg. Toevallig schuin tegenover waar Heineken heeft gezeten, in Halfweg, industrieterreintje. Enne daar heb ik hem door zijn kop geknald.

[verbalisant 1] : Ja, vlakbij Haarlem bedoel je daarzo

[verdachte] : Ja, tussen Haarlem en Amsterdam.

(...)

[verdachte] : (...) Halfweg, je gaat het kanaal over, dan heb je een stukje Amsterdamse Bos, dan kom je bij een industrieterreintje, hoe heet dat ook alweer. Ik kan het zo opzoeken voor je, ik rijd er blind naartoe. Tegenover die nishut (fon) waar Heineken ontvoerd heeft gezeten.

[verbalisant 1] : Dat terreintje dat toen bestond ja.

[verdachte] : Daar zat hij eerst in de grond.

[verbalisant 1] : Daar zat hij eerst in de grond. Op hetzelfde terrein??

[verdachte] : Ja, nee, aan de overkant.

[verbalisant 1] : Aan de overkant van die ehh.

[verdachte] : Daar staat nu een hele grote autozaak.”

De verdachte heeft ook verteld dat ze hem eerst met een bobcatje hebben begraven en er beton op hebben gegooid.

Uit de door de verdachte gegeven details over de plek waar hij [slachtoffer] heeft gedood kan worden afgeleid dat dit De Heining betreft.

Uit het dossier is hierover het volgende gebleken.

In 2002 stond er op bedrijventerrein “De Heining” een zogenaamde “Romney-loods” die eerder bij de ontvoering van dhr. Heineken was gebruikt ( p . A61 Algemeen dossier). Op het betreffende terrein staan nu twee autobedrijven ( p . 571 Algemeen dossier). Naar aanleiding van de vraag van de politie om nadere informatie over de Heining in 2001-2002 heeft getuige [betrokkene 14] gemeld dat hij op enig moment is aangesproken door de [familie 1] over het feit dat er ’s nachts een (graaf)machine op een betonvloer heeft staan beuken. Er ontstond ruzie doordat het regenwater bleef staan omdat er op een van deze terreinen een hogere betonvloer was gestort ( p . 1035 Algemeen dossier).

[C]

De verdachte heeft gezegd dat ze het lichaam in Amsterdam vershredderd hebben en het vervolgens op een bollenveld eruit hebben gegooid. De verdachte heeft hierover gezegd:

“ [verdachte] : Ken je [C] ?

[verbalisant 1] : Oh ja dat was dat bij eh..

[verdachte] : [plaats] .

[verbalisant 1] : Ja, ja dat was een park in [plaats] .

[verdachte] : Een caravanpark, een bungalowpark, hij woont zelf op een bungalowpark, een huisje gekocht. En daar een kilometer vandaan op het bollenveld hebben we hem eruit gegooid.”

Uit de GBA-gegevens is gebleken dat [betrokkene 4] stond ingeschreven op het adres [c-staat 1] , [postcode] , zijnde Bungalowpark [C] ( p . 262 Algemeen dossier).

10. Steunbewijs

a ) De telefoon van [slachtoffer]

[betrokkene 10] heeft op 6 juni 2019 het volgende verklaard. Hij heeft de verdachte leren kennen in 1998 op Kreta. Via de verdachte heeft hij ook [betrokkene 4] leren kennen, dat was in 2000 of 2001. [betrokkene 4] en de verdachte waren meer kennissen dan vrienden van [betrokkene 10] .

In december 2001 kwam [betrokkene 10] terug uit Griekenland en verbleef hij tot eind januari 2002 in de woning op de [b-straat 1] te [plaats] . Deze laatste woning behoorde toe aan [betrokkene 4] en ook de verdachte verbleef in december 2001 en januari 2002 in deze woning. Vanaf 31 januari 2002 stond [betrokkene 10] ingeschreven op een adres in de [d-straat] te [plaats] .

[betrokkene 10] heeft verklaard dat in de periode dat hij samen met de verdachte in de woning op de [b-straat 1] te [plaats] verbleef, door de verdachte aan hem is gevraagd om een mobiele telefoon weg te gooien. [betrokkene 10] heeft – nadat hij eerst heeft verklaard op verzoek van de verdachte een mobiele telefoon in de gracht te hebben gegooid – verklaard de telefoon op de trein te hebben gezet, in Antwerpen.

In het verhoor van [betrokkene 10] staat dit als volgt opgenomen:

“V: [betrokkene 10] , dan weer terug naar mijn eerste vraag, he. Jij zegt die telefoon deed het niet. Althans, dat zegt [verdachte] . En ik heb hem nu in de gracht gegooid. Kan het zijn dat je hem niet in de gracht gegooid hebt?

A : Hoe bedoel je?

V: Nou dat je er iets anders mee gedaan hebt dan in de gracht?

A : O j pffff ja, ik heb er iets anders mee gedaan.

V: En dat is?

A : ik heb hem op de trein gezet. Naar Antwerpen.

V: oké.

(...)

V: Heb je aan [verdachte] gevraagd, [verdachte] waarom moet ie in godsnaam naar.

A : Ja, natuurlijk heb ik dat gevraagd. Ja.

V: En wat zei [verdachte] toen?

A : Ja, hij moet weg. En toen zei ik waarom heb je hem zelf niet weggegooid. Ja, hij moet weg en eh, hij moet gewoonweg. Ik zeg oké, wat moet ik ermee doen. Hij zegt ja eh, stap in de trein naar Antwerpen, hoe je hem daar weg. Oké.

V: Waar heb je hem op de trein gelegd?

A : Ik heb hem meegenomen naar Antwerpen en daar heb ik hem weggegooid.

V: Dus je bent zelf met de trein naar Antwerpen gegaan?

A : Ja, ja. En ook weer met de trein terug gekomen.

V: Kan het zijn dat je hem daar niet hebt weg gegooid maar dat je er iets anders mee gedaan hebt?

A : Ik heb hem weg gegooid.

V: Kan het zijn dat je hem daar niet hebt weggegooid maar dat je er iets anders mee gedaan hebt? En dan vraag ik je om even heel goed na te denken.

A : Ja.

V: Wat heb je er toen mee gedaan?

A : Ik heb hem op de trein gegooid naar eh, een vrachttrein naar Polen. Vracht of weet ik veel wat.

V: In ieder geval, je hebt hem daar op een andere trein gedaan. Daar moet een verhaal achter zitten, [betrokkene 10] .

A : Ja, dat klopt.

V: Want? Wat is het verhaal daar achter?

A : Die telefoon moest weg, die moest verdwijnen. Wil je dat doen, ja is goed. Ik zeg eh ga ik daar problemen mee krijgen? Welnee. Ik dacht dat ie van diefstal afkomstig was, weet ik veel wat.

V: Als ie van diefstal afkomstig is dan kan je hem als hij uit is. Gewoon in je prullenbak gooien. Maar, de trein naar Antwerpen, vervolgens zet je hem op een trein naar Polen. Of waar dan ook.

A : Ja, een vrachttrein. (NTV) weet ik veel.

(...)

V: En hoeveel heb je daarmee verdiend?

A : 200 euro ofzo.

V: En dan weer even terug, niet in het water, trein naar Antwerpen.

A : Ja. Ja.

V: Waarom?

A : Nou dat werd mij gevraagd. Hij moet weg, zover mogelijk.

(...)

V: Maar hij heeft het wel verteld.

A : Wat?

V: Dat de telefoon weg moet.

A : Ja.

V: Ja en je hebt niet gevraagd waarom?

A : Nee.

V: Nee, maar hij heeft hier wel gezegd waarom?

A : Nee, hij heeft niet gezegd waarom.

V: Is het ooit nog ter sprake gekomen?

A : Nee. Nooit.”

Het hof acht deze door de getuige [betrokkene 10] op 6 juni 2019 afgelegde verklaring – voor zover inhoudende dat hij op verzoek van de verdachte in januari 2002 tegen betaling van € 200,00 een mobiele telefoon naar het buitenland heeft gebracht en daar de mobiele telefoon op een vrachttrein heeft gelegd – betrouwbaar en bruikbaar als bewijsmiddel. Uit het woordelijk uitgewerkte gedeelte van het proces-verbaal van verhoor – zoals hiervoor is weergegeven – kan worden afgeleid dat de getuige [betrokkene 10] uit eigen wetenschap en op eigen initiatief (zonder dat dit door de verbalisant al was genoemd) heeft verklaard over het naar het buitenland brengen en het op een vrachttrein gooien van de mobiele telefoon die hij van de verdachte had gekregen. De verklaring van [betrokkene 10] sluit aan bij de verklaring van de verdachte tegenover ‘ [verbalisant 1] ’, voor zover de verdachte heeft verklaard dat ze iemand hebben betaald om de telefoon naar het buitenland te brengen en deze aldaar op een trein naar een ander buitenland te leggen, alsmede dat degene die dat heeft gedaan op Kreta zit. Gelet op deze specifieke overeenkomsten acht het hof het van onderschikt belang dat de verdachte heeft gezegd dat ze hiervoor iemand naar Parijs hebben laten rijden en dat [betrokkene 10] zegt dat hij hiervoor de trein naar Antwerpen heeft genomen. Daarbij betrekt het hof dat het over een gebeurtenis van lang geleden gaat waardoor herinneringen kunnen vervagen, alsmede dat het mogelijk is dat [betrokkene 10] de klus niet geheel conform opdracht heeft uitgevoerd. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 10] kan nog worden opgemerkt dat hij, voordat hij verklaart over het wegbrengen van de mobiele telefoon, nadrukkelijk aangeeft dat hij niet over de streep getrokken hoeft te worden nadat de verbalisant aan [betrokkene 10] mededeelt dat een beloning van € 20.000,00 is uitgeloofd. [betrokkene 10] zegt hierover: “Prachtig, maar het is niet van toepassing op mij. Ik heb een goede baan”. Bovendien is deze eerste verklaring afgelegd op 6 juni 2019, terwijl er op dat moment nog niets over een telefoon die (in het buitenland) op een trein zou zijn gelegd in de media verschenen was ( p . 1286-1288 Algemeen dossier).

De later afgelegde verklaringen van [betrokkene 10] zal het hof niet betrekken bij het bewijs, nu daarbij niet kan worden vastgesteld of [betrokkene 10] daarbij uit eigen wetenschap heeft verklaard of dat dit informatie betreft die tot hem is gekomen via de media.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 10]

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 10] als getuige ter terechtzitting.

De getuige is reeds gehoord bij de rechter-commissaris ten tijde van de behandeling in eerste aanleg. Bij dat verhoor heeft de verdediging de getuige kunnen bevragen over alle thema’s waarover zij hem thans opnieuw zou willen bevragen. Het bij pleidooi aangevoerde brengt naar het oordeel van het hof niet de noodzaak met zich de getuige opnieuw op te roepen en hem te horen.

Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

b) De gebeurtenissen rond het drugstransport op 31 december 2001

Het hof wijst er voorts op dat hetgeen de verdachte heeft verteld over de aanleiding voor het doden van [slachtoffer] , bevestiging vindt in hetgeen hiervoor onder 5. is vastgesteld omtrent de gebeurtenissen rond het drugstransport op 31 december 2001.

11. Afrondende conclusie ten aanzien van de onderdelen 9 en 10

Het hof acht hetgeen de verdachte op 27 september 2018 en 16 oktober 2018 aan undercoveragent ‘ [verbalisant 1] ’ heeft verteld bruikbaar voor het bewijs. Het betreft hier geen verzonnen verhaal. Verschillende elementen uit deze verklaring zijn op grond van de feiten en omstandigheden in het dossier aantoonbaar juist gebleken. Daarnaast vindt het verhaal van de verdachte steun in ander bewijs. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht. Voorts acht het hof bewezen dat de verdachte het lijk van [slachtoffer] verborgen heeft (gehouden) om dit feit te verhelen.

(...)

Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij na het doden van [slachtoffer] samen met [betrokkene 4] het lichaam van [slachtoffer] heeft begraven en er vervolgens beton op heeft gedaan. Na enige tijd hebben zij het samen weer opgegraven, vervolgens door een shredder gehaald en de resten daarvan vervoerd in de auto van [betrokkene 4] , waarna ze de resten hebben uitgestrooid op een bollenveld in de buurt van het bungalowpark waar [betrokkene 4] woonde.”

4 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs door het hof van door de verdachte op 27 september 2018 en 16 oktober 2018 tegenover een niet als zodanig herkenbare opsporingsambtenaar afgelegde verklaringen.

4.2

De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat in deze zaak in het Werken Onder Dekmantel-traject (hierna: het WOD-traject) de zogenoemde ‘Mr. Big’-methode is toegepast. Het hof heeft geoordeeld dat in deze zaak geen sprake is geweest van een methode die zonder meer kwalificeert als de ‘Mr. Big’-methode, maar dat het traject wel kenmerken daarvan vertoont en dat het hof daarom de toelaatbaarheid van de inzet van het WOD-traject en de vraag of inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van de verdachte zal beoordelen aan de hand van het toetsingskader dat de Hoge Raad heeft geschetst in zijn arresten van 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982 en ECLI:NL:HR:2019:1983.

Juridisch kader

4.3.1

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“1. In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, onthoudt de verhorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd.

2. De verdachte is niet tot antwoorden verplicht. Voor de aanvang van het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.”

- Artikel 126j lid 1 Sv:

“In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.”

4.3.2

De Hoge Raad heeft in zijn onder 4.2 genoemde arresten van 17 december 2019 onder meer het volgende overwogen:

“5.2.1 In zijn arrest van 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen naar aanleiding van de vraag naar de toelaatbaarheid van het stelselmatig inwinnen van informatie door een opsporingsambtenaar ingeval een verdachte voorlopig gehecht is, terwijl die opsporingsambtenaar zich onder een andere identiteit, dus zonder dat voor de verdachte kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, bevindt in de omgeving van de verdachte op de plaats waar deze is ingesloten:

“5.4 Mede in het licht van de wetsgeschiedenis biedt art. 126j Sv een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag als bedoeld in art. 8 EVRM voor het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, onder een andere identiteit in de omgeving van de verdachte verkeert en, met schending van diens vertrouwen, met de verdachte in contact komt.

5.5

Uit de ontstaansgeschiedenis van die bepaling en van de titel waarin zij is opgenomen volgt dat daaronder ook is begrepen het inwinnen van informatie door contacten met de verdachte zelf, terwijl tekst noch geschiedenis van die bepaling steun biedt aan de opvatting dat een dergelijk inwinnen van informatie op voorhand is uitgesloten ten aanzien van een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt.

5.6

Het vorenoverwogene neemt niet weg dat toepassing van art. 126j Sv ten aanzien van een voorlopig gehechte verdachte licht het gevaar in zich bergt dat de verdachte op zodanige wijze feitelijk komt te verkeren in een verhoorsituatie waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken, dat aldus verklaringen worden verkregen die in strijd met de in art. 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Gelet daarop zal vooreerst bij de toetsing van een zodanige toepassing van art. 126j Sv aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit uitgangspunt moeten zijn dat die toepassing eerst in aanmerking komt als de bijzondere ernst van het misdrijf zulks rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn.

5.7

Indien aan voornoemd uitgangspunt is voldaan, kan de rechter voor de vraag komen te staan of informatie van de verdachte niet in strijd met voormelde bepalingen is verkregen. De beantwoording van die vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de proceshouding die de verdachte met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht heeft ingenomen en hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (vgl. EHRM 5 november 2002, Appl. nr. 48539/99, Allan v. The United Kingdom, NJB 2003, p . 80, nr. 2).

5.8

Zowel in het geval dat de rechter bevindt dat de hier bedoelde toepassing van art. 126j Sv niet strookt met de daaraan op grond van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te stellen eisen, als in het geval dat de rechter bevindt dat die toepassing wel aan die eisen voldoet, maar tot het oordeel komt dat de verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop in de regel slechts uitsluiting van het bewijs van die verklaringen.”

5.2.2

Deze overwegingen zijn, in het bijzonder waar het gaat om de in art. 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid, tevens van belang in gevallen als de onderhavige, die hierdoor worden gekenmerkt dat door een of meer opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een niet-gedetineerde verdachte wordt gewonnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit. Ook bij de uitvoering van zo een operatie bestaat immers het gevaar dat de verdachte feitelijk in een verhoorsituatie terechtkomt waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd.

Ook in deze gevallen moet daarom worden beoordeeld of de in het kader van zo een operatie door de verdachte afgelegde verklaring niet is verkregen in strijd met zijn verklaringsvrijheid. Voor die beoordeling of de verklaringsvrijheid van de verdachte in zo een geval is aangetast, is in het bijzonder van belang het verloop van het opsporingstraject, de eventueel reeds door de verdachte ingenomen proceshouding met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, de mate van (psychische) druk die in dat traject op de verdachte is uitgeoefend, de mate en de wijze van binnen dat traject toegepaste misleiding van de verdachte en de bemoeienis die opsporingsambtenaren hebben gehad met de inhoud van (wezenlijke onderdelen van) de door de verdachte afgelegde verklaring. Bij deze beoordeling is voorts van belang de duur en intensiteit van dat traject, de strekking en frequentie van de contacten met de verdachte zelf en de in het vooruitzicht gestelde positieve of negatieve consequenties als de verdachte wel of juist geen opheldering geeft over bepaalde zaken.

Bij deze beoordeling dient de rechter, naast het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens de verdachte, tevens acht te slaan op de wettelijke grondslag waarop het optreden van de opsporingsambtenaren heeft plaatsgevonden, en in het geval dat het optreden is gebaseerd op een bevel tot het stelselmatig inwinnen van informatie als bedoeld in art. 126j Sv, in het bijzonder op de inhoud van dat bevel waar het gaat om de wijze waarop aan dat bevel uitvoering wordt gegeven, alsmede de eventueel nader aan dat bevel verbonden voorwaarden die verband houden met het verkrijgen van een verklaring van de verdachte.

Teneinde de rechter in staat te stellen een en ander te kunnen beoordelen, is van groot belang dat hij inzicht heeft in het concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode en de interactie met de verdachte die daarbij heeft plaatsgevonden. Mede met het oog daarop is een voldoende nauwkeurige verslaglegging aangewezen, door naleving van de wettelijke eisen met betrekking tot de inhoud van het bevel waarop het optreden van opsporingsambtenaren berust alsook de in art. 152 Sv bedoelde verplichting van de opsporingsambtenaar tot het opmaken van proces-verbaal en de in art. 126aa Sv en art. 149a Sv omschreven verplichtingen tot voeging van processtukken. Deze verslaglegging dient inzicht te geven in het verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode over de gehele periode waarin deze is ingezet, en in het bijzonder een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met de verdachte te omvatten. Naast verslaglegging door middel van verbalisering ligt het in de rede dat, voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd. Voor die registratie is een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie, zoals bedoeld in art. 126l Sv, vereist.

5.2.3

Indien de rechter oordeelt dat binnen het onder 5.2.2 aangeduide opsporingstraject verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop in de regel slechts uitsluiting van het bewijs van die verklaringen.

Indien de rechter voor het bewijs wel gebruikmaakt van die verklaringen, moet hij motiveren waarom dit gebruik in het licht van het onder 5.2.2 weergegeven beoordelingskader toelaatbaar is en dient hij voorts ervan blijk te geven – op grond van de concrete omstandigheden van het geval – zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaringen te hebben onderzocht. De rechter toetst dan ook voor het overige de rechtmatigheid van de wijze van opsporing jegens de verdachte, onder meer met betrekking tot de vraag of het optreden door de opsporingsambtenaren in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.”

4.3.3

Voor de beoordeling of de verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, kan de persoon van de verdachte, onder meer als het (kennelijk) gaat om een zogenoemd kwetsbare verdachte als bedoeld in artikel 28b lid 1 Sv, van belang zijn bij de beoordeling van de mate van druk die van de door een niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar ondernomen activiteiten ten aanzien van de verdachte kan zijn uitgegaan, en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de opsporingsambtenaar tot de betreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (vgl. HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:947, rechtsoverweging 3.3.2).

4.3.4

In de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het daaruit voortvloeiende “privilege against self-incrimination” komt tot uitdrukking dat er verschillende situaties zijn “which give rise to concerns as to improper compulsion in breach of Article 6” en dat van zo’n situatie sprake is in het geval “where the authorities use subterfuge to elicit information that they were unable to obtain during questioning” (EHRM 13 september 2016, nr. 50541/08 (Ibrahim e. a ./Verenigd Koninkrijk), overweging 267; vgl. ook EHRM 5 november 2002, nr. 48539/99 (Allan/Verenigd Koninkrijk), overweging 50, en EHRM 10 maart 2009, nr. 4378/02 (Bykov/Rusland)). Het is aan de rechter om in een concreet geval, aan de hand van in het bijzonder de hiervoor onder 4.3.2 en 4.3.3 naar voren komende gezichtspunten, te beoordelen of de – aan een op artikel 126j Sv gebaseerde opsporingsmethode als in deze zaak toegepast tot op zekere hoogte inherente – misleiding van de verdachte heeft plaatsgevonden in een zodanige mate en binnen een zodanig kader dat de grenzen die bij de toepassing van enige vorm van “compulsion” (dwang) en “subterfuge” (misleiding) in acht moeten worden genomen, niet zijn overschreden.

4.3.5

Als verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop – zoals onder 4.3.2 naar voren kwam – in de regel slechts uitsluiting van het bewijs van die verklaringen. Het uitsluiten van die verklaringen van het gebruik voor het bewijs, is dan immers noodzakelijk om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen (vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.4.1).

4.3.6

Ook voor het hiervoor onder 4.3.2 bedoelde onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte kan van belang zijn de mate van druk die van de door een niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar ondernomen activiteiten ten aanzien van de verdachte kan zijn uitgegaan, en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de opsporingsambtenaar tot de betreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid. In dat verband kan ook van belang zijn in hoeverre onderdelen van deze verklaring steun vinden in andere uitlatingen van de verdachte en in andere bewijsmiddelen.

Het oordeel van de Hoge Raad

4.4.1

Het cassatiemiddel komt onder meer op tegen het oordeel van het hof over de verslaglegging van het WOD-traject. Het klaagt over het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de communicatie van de onder dekmantel werkende opsporingsambtenaren met de verdachte grotendeels niet auditief is opgenomen, niet in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van de verklaringen die de verdachte in dat traject heeft afgelegd.

4.4.2

Het hof heeft vastgesteld dat de niet als zodanig herkenbare opsporingsambtenaren van ieder contactmoment – in persoon, telefonisch of via WhatsApp – een proces-verbaal hebben opgesteld waarin een beschrijving is opgenomen van wat met de verdachte en/of zijn partner [betrokkene 1] is besproken en ondernomen. In dit verband heeft het hof vastgesteld dat van iedere inzet, ook van bijvoorbeeld het versturen van een WhatsApp-bericht van sociale aard, in processen-verbaal de opdrachten van de begeleiders en de bevindingen van de opsporingsambtenaren zijn vastgelegd, en dat een uitdraai van de gewisselde WhatsApp-berichten zich in het dossier bevindt. Verder heeft het hof vastgesteld dat de drie ontmoetingen waarbij de verdachte heeft gesproken over zijn betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer en het wegmaken van diens lijk (op 27 september 2018, 16 oktober 2018 en 24 januari 2019) auditief zijn opgenomen en dat deze gesprekken woordelijk zijn uitgewerkt in processen-verbaal. Het hof heeft deze geluidsopnamen beluisterd. Uit de stukken volgt verder dat de bij het WOD-traject betrokken opsporingsambtenaren A -4083 (‘ [verbalisant 1] ’), A -4084 (‘ [verbalisant 2] ’), A -4156 (‘ [verbalisant 3] ’), A -4130, A -4165 en A -4180 en hun begeleiders B-2784, B-2785 en B-2844 in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuige zijn gehoord bij de rechter-commissaris. Het hof heeft overwogen dat dit alles inzicht geeft in het begin van het traject, het tot stand komen van het contact, de toegepaste misleiding, de onderlinge communicatie, de sfeer en dynamiek tijdens het onderlinge contact en tijdens de ontmoetingen, en in het handelen en de uitlatingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze handelingen en uitlatingen hebben plaatsgevonden.

4.4.3

Het hof heeft daarmee als zijn – niet onbegrijpelijke – oordeel tot uitdrukking gebracht dat sprake is van een voldoende nauwkeurige verslaglegging van het WOD-traject die inzicht geeft in het concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode over de gehele periode waarin deze is ingezet en de interactie en de communicatie met de verdachte die daarbij hebben plaatsgevonden. Daarin ligt besloten dat het hof in staat is geweest om de rechtmatigheid van het WOD-traject – in het bijzonder in verband met de verklaringsvrijheid van de verdachte – te beoordelen, en dat de omstandigheid dat alleen de gesprekken van 27 september 2018, 16 oktober 2018 en 24 januari 2019 auditief zijn opgenomen niet in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van de verklaringen die de verdachte op 27 september 2018 en 16 oktober 2018 in dat traject heeft afgelegd. Dat oordeel geeft, in het licht van wat onder 4.3.2 is weergegeven, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.4.4

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

4.5.1

Het cassatiemiddel klaagt verder over het gebruik voor het bewijs door het hof van door de verdachte op 27 september 2018 en 16 oktober 2018 tegenover een niet als zodanig herkenbare opsporingsambtenaar afgelegde verklaringen. Het voert daartoe onder meer aan dat die verklaringen in een verhoorsituatie en in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd.

4.5.2

Het hof heeft in het kader van de beantwoording van de vraag of – bij de toepassing van het op grond van artikel 126j Sv uitgevoerde WOD-traject – de verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn verkregen, onder meer aandacht besteed aan de volgende gezichtspunten.

4.5.3

Over de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte geen geïsoleerd bestaan leidde, dat het door de verdediging geschetste beeld dat de verdachte een ernstig verslaafde man was of grote problemen met afkicken had niet uit de onderzoeksbevindingen volgt en dat ook niet is gebleken van dusdanig ernstige gezondheidsproblemen bij de verdachte dat hij daardoor als kwetsbaar zou moeten worden aangemerkt. Daarin ligt als – niet onbegrijpelijk – oordeel besloten dat de verdachte niet een kwetsbare verdachte is als bedoeld onder 4.3.3.

4.5.4

Over de relatie tussen de verdachte en de undercoveragenten ‘ [verbalisant 2] ’ en ‘ [verbalisant 1] ’ heeft het hof vastgesteld dat in de periode tussen 27 oktober 2017 en 26 februari 2019 diverse sociale contacten hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] , vaak op of in de buurt van hun woonboot, waarbij de beide undercoveragenten zich als stel presenteerden. In die contacten kwamen ook financiële onderwerpen aan de orde. Het hof heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de verdachte financieel afhankelijk was van ‘ [verbalisant 1] ’ op het moment dat hij zijn verklaringen van 27 september 2018 en 16 oktober 2018 aflegde. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken van concrete plannen van de verdachte met betrekking tot het opzetten van een horecaonderneming in Cambodja na maart/april 2018 en ook niet van enige door ‘ [verbalisant 1] ’ en/of ‘ [verbalisant 2] ’ gedane toezegging met betrekking tot de financiering hiervan. Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte niet de indruk heeft gegeven ‘ [verbalisant 1] ’ als zijn “baas” te zien, dat niet is gebleken dat ‘ [verbalisant 1] ’ aan de verdachte heeft toegezegd dat hij in Portugal veel geld zou gaan verdienen, en dat een trip naar Portugal in ieder geval niet concreet was vóór 20 januari 2019. Het hof heeft verder overwogen dat niet is gebleken dat ‘ [verbalisant 1] ’ de verdachte financieel isoleerde. Uit de vaststellingen van het hof blijkt in dat verband dat de verdachte slechts enkele bescheiden geldbedragen van ‘ [verbalisant 1] ’ heeft ontvangen. Hierin ligt – als niet onbegrijpelijk oordeel – besloten dat niet sprake was van in het vooruitzicht gestelde financiële consequenties die afbreuk deden aan de verklaringsvrijheid van de verdachte. Ook het oordeel van het hof dat niet geloofwaardig is dat de verdachte ervan uitging met een “keiharde crimineel” van doen te hebben, is niet onbegrijpelijk.

4.5.5

Over de vraag of de verdachte feitelijk is gebracht tot verklaringen die niet zijn te beschouwen als spontane en niet door inhoudelijke bemoeienis van de undercoveragenten gekleurde uitspraken, geldt het volgende. Het hof heeft overwogen dat de verdachte op 21 september 2018 aan een derde undercoveragent ‘ [verbalisant 3] ’ uit zichzelf heeft verklaard dat hij een keer naar Kreta heeft moeten vluchten voor “iets waarvoor hij TBS zou kunnen krijgen”. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte daarbij weliswaar is misleid, maar dat ‘ [verbalisant 3] ’ geen enkele druk op de verdachte heeft uitgeoefend om dit verhaal te vertellen.
Verder heeft het hof vastgesteld dat ‘ [verbalisant 1] ’ naar aanleiding hiervan op 27 september 2018 vragen heeft gesteld waarna de verdachte zijn verhaal heeft gedaan en ‘ [verbalisant 1] ’ voornamelijk reageerde op wat de verdachte toen verklaarde. ‘ [verbalisant 1] ’ heeft op 16 oktober 2018 verschillende (verdiepende) vragen gesteld over “die knakker die koud gemaakt is”. Het hof heeft – mede door het beluisteren van de geluidsopnamen – vastgesteld dat in beide gesprekken niet is gebleken van enige door ‘ [verbalisant 1] ’ uitgeoefende druk of van enige door hem gestelde voorwaarde en geoordeeld dat geen sprake is geweest van een onacceptabele wijze van sturen of een ongeoorloofde bemoeienis met de inhoud van de verklaring van de verdachte. Uit de gesprekken heeft het hof afgeleid dat de verdachte op 27 september 2018 en 16 oktober 2018 zelf ervoor heeft gekozen zijn verhaal te delen met ‘ [verbalisant 1] ’, die aangaf dat hij problemen met de politie wilde vermijden.
Mede op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat de verdachte bij de gesprekken van 27 september 2018 en 16 oktober 2018 is gaan verklaren door een toelaatbare mate van misleiding, zonder dat daarbij enige druk op de verdachte is gelegd om een bekentenis af te leggen. Dat oordeel geeft – tegen de achtergrond van wat onder 4.5.3 en 4.5.4 is overwogen en in het licht van wat onder 4.3.2 en 4.3.3 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders door de duur van het onderhouden van de (sociale) contacten tijdens het gehele WOD-traject. Verder blijkt in dat verband uit de beoordeling van het hof dat het ten aanzien van het latere gesprek met ‘ [verbalisant 1] ’ op 24 januari 2019 de mate van sturing onacceptabel vond, zodat het die verklaring van het bewijs heeft uitgesloten. De op dit alles gebaseerde conclusie van het hof dat de door de verdachte afgelegde verklaringen die het voor het bewijs heeft gebruikt, niet zijn verkregen in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.5.6

Aansluitend heeft het hof ervan blijk gegeven de betrouwbaarheid van die verklaringen van de verdachte te hebben onderzocht in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting van die verklaringen door de verdachte.
Het hof heeft in dat verband allereerst overwogen waarom het ervan overtuigd is dat de verdachte in deze verklaringen “het werkelijke verhaal” heeft verteld en dat dit dus – anders dan door en namens de verdachte naar voren is gebracht – geen verzonnen “broodje aap”-verhaal is. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op het WhatsApp-gesprek tussen de verdachte en ‘ [verbalisant 1] ’ van 17 oktober 2018 en de opgenomen vertrouwelijke communicatie van 27 september 2018 en 17 oktober 2018 tussen de verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] . Voorts heeft het hof verankering van verschillende elementen uit de verklaringen van de verdachte gevonden in objectieve onderzoeksbevindingen in het dossier op grond waarvan het hof heeft geconcludeerd dat wat de verdachte aan ‘ [verbalisant 3] ’ en met name ‘ [verbalisant 1] ’ heeft verteld “aantoonbaar juist” is gebleken. Daarnaast heeft het hof steun gevonden voor deze verklaringen in ander bewijs, te weten de verklaring van de getuige [betrokkene 10] over het naar het buitenland brengen van de telefoon van het slachtoffer en wat is komen vast te staan over het drugstransport van 31 december 2001. Het hierop steunende oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdachte betrouwbaar zijn en dus voor het bewijs kunnen worden gebruikt, is – mede gelet op wat onder 4.3.6 is vooropgesteld – niet onbegrijpelijk.

4.6

Het cassatiemiddel faalt ook in zoverre.

5 Beoordeling van het zevende cassatiemiddel

5.1

Het cassatiemiddel klaagt over de – hiervoor onder 3.1 weergegeven – bewezenverklaring van feit 2, voor zover die inhoudt dat de verdachte een lijk heeft “verborgen (gehouden)”.

5.2.1

De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘verbergen’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.

5.2.2

Artikel 151 Sr, dat is opgenomen in Titel V (Misdrijven tegen de openbare orde) van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, luidt:

“Hij die een lijk begraaft, verbrandt, vernietigt, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen te verhelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

5.2.3

Artikel 151 Sr bevat een opsomming van de mogelijke, wettige en niet wettige, feitelijke gedragingen waarmee het behoud van het lijk als bewijsmateriaal wordt verhinderd, welke gedragingen elkaar niet steeds hoeven uit te sluiten en uit uiteenlopende handelingen kunnen bestaan (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2841). Het ‘verbergen’ van een lijk als bedoeld in die bepaling ziet ook op het ‘verborgen houden’ daarvan (vgl. HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:321).

5.3

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte samen met een ander het lichaam van het slachtoffer heeft begraven en met beton heeft afgedekt, het na ongeveer twee maanden weer heeft opgegraven, het vervolgens door een shredder heeft gehaald en de resten op een bollenveld heeft uitgestrooid. Het hof heeft verder vastgesteld dat de resten van het lichaam van het slachtoffer niet zijn gevonden. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte samen met een ander een lijk heeft ‘verborgen’ als bedoeld in artikel 151 Sr geeft – mede in het licht van wat onder 5.2.3 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

5.4

Het cassatiemiddel faalt.

6 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

7 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

8 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A .L.J. van Strien, T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2023.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.