Het hof1 heeft de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep en op het hoger beroep van de schuldenaar het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat aan de schuldenaar een schone lei wordt verleend, dat de schuldsaneringsregeling is beëindigd en dat de huidige omvang van de boedelachterstand € 2.132,31 bedraagt. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, de duur van de schuldsaneringsregeling verlengd tot uiterlijk 20 november 2023 dan wel zoveel eerder als de schuldenaar het boedeltekort van € 2.132,31 volledig heeft voldaan.
Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
De beschermingsbewindvoerder dient in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu noch het indienen van een toelatingsverzoek noch het opkomen door middel van een rechtsmiddel tegen beslissingen betreffende de duur van de schuldsanering of het verlenen van een schone lei als een daad van beschikking over de onder bewind staande goederen moet worden beschouwd. (rov. 3.1.1)
De rechtbank heeft kennelijk willen bewerkstelligen dat voor de schuldenaar de (reguliere) verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet meer (volledig) van kracht zijn en dat zij tot aan de laatste dag van een daartoe maximaal verlengde looptijd van haar schuldsaneringsregeling in de gelegenheid is om de niet door haar ontvangen alimentatiegelden van ruim € 2.000,-- alsnog aan de boedel over te maken zodat haar alsdan (alsnog) een (definitieve) schone lei kan worden verleend.
De letterlijke tekst van de beslissing van de rechtbank dat aan de schuldenaar in de tussenliggende periode van 14 juni 2022 tot 20 november 2023 alvast een schone lei wordt verleend, impliceert echter dat sprake is van een voorlopige dan wel voorwaardelijke schone leiverlening. Een dergelijke beslissing vindt geen steun in het recht. De grief van de schuldenaar slaagt in dat opzicht en het vonnis moet worden vernietigd. Dit betekent dat het hof opnieuw – ex nunc – moet beoordelen of de schuldsaneringsregeling met een schone lei moet worden beëindigd of dat er termen aanwezig zijn voor verlenging van de regeling, zoals de rechtbank kennelijk beoogde. (rov. 3.10.2)
De schuldenaar is de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en informatieverplichting niet steeds naar behoren nagekomen. Hierbij komt dat de rechter-commissaris de achterstallige alimentatiebetalingen heeft vastgesteld op € 2.132,31 en deze heeft gekwalificeerd als boedelachterstand. Deze inkomsten zouden, indien zij wel zouden zijn geïncasseerd, immers op grond van art. 295 Fw extra in de boedel zijn gevloeid. (3.10.3)
De vraag of juist is de vaststelling van de rechter-commissaris dat sprake is van een boedelachterstand, kan het hof in het kader van het hoger beroep van de eindzitting niet beantwoorden, althans daartoe is het hof niet bevoegd. De boedelachterstand – en de diverse componenten in dat kader – is voor het hof aldus een gegeven. (rov. 3.10.4-3.10.5)
Door het niet inlopen van de boedelachterstand is de schuldenaar naar het oordeel van het
hof toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor haar uit de
schuldsaneringsregeling voortvloeien. Geen sprake is van een tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing moet blijven. (rov. 3.10.6)
Het hof acht termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar maximaal te verlengen, althans tot het moment waarop de schuldenaar de volledige boedelachterstand van thans € 2.132,31 volledig heeft voldaan. Gedurende deze verlenging zal de schuldenaar zijn vrijgesteld van alle uit hoofde van de schuldsaneringsregeling voortvloeiende (reguliere) verplichtingen, met uitzondering van de verplichting tot de maandelijkse voldoening van het salaris gemachtigde en afdracht van in de betreffende periode te ontvangen of opgekomen bijzondere baten (giften, erfenissen en dergelijke). (rov. 3.10.7-3.11)