Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen, en de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.3 Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.
De verwijten die aan Heineken worden gemaakt, zien louter op handelingen op de Griekse markt, die MTB aanmerkt als misbruik van machtspositie. Aangaande dat feitelijk handelen maakt MTB aan AB dezelfde verwijten als zij aan Heineken maakt. Zij baseert daarop haar vorderingen, die jegens Heineken en AB gelijkluidend zijn. Tussen partijen staat vast dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op die markt. Over de handelingen van AB heeft de HCC reeds een oordeel gegeven. Die beschikking legt MTB aan haar verwijten ten grondslag. Dat betekent dat de positie van Heineken wat betreft de feiten in zoverre hetzelfde is als die van AB. (rov. 3.4)
Vast staat ook dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is en dat er een bepaalde centrale beleidsbepaling is, onder meer als het gaat om de internationale presentatie van het merk Heineken. Wel in geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming vormen in de zin van art. 102 VWEU. Het belang van dat geschil, en daarmee dus van het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken, voor de thans voorliggende vraag is echter beperkt. De Nederlandse rechter zal bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken niet anders kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn. Als datzelfde handelen van AB en die HCC-beschikking aan de Griekse civiele rechter worden voorgelegd om te beslissen op de vorderingen van MTB jegens AB valt niet uit te sluiten dat deze komt tot een andere waardering dan de Nederlandse rechter die hoe dan ook dient te beslissen op de vorderingen van MTB jegens Heineken. Dan zou, in een geschil dat draait om de vraag of sprake is van overtreding van het Unierechtelijk verbod op misbruik van machtspositie, de situatie kunnen ontstaan dat het gedrag van AB volgens de ene rechter in de EU wel en volgens de andere niet in strijd is met dat verbod. Gelet op dat risico van onverenigbare beslissingen is in beginsel voldaan aan de eis van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting. (rov. 3.5-3.6)
Of de vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn, zal in de hoofdzaak moeten worden uitgemaakt. Alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht, kan het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van Verordening Brussel I-bis worden beschouwd. Dat geval doet zich hier niet voor. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. (rov 3.9)
Voor de Unierechtelijk relevante vraag of het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd, is van belang dat AB in Griekenland onder het Heineken-merk bier verkoopt en deel uitmaakt van het Heineken-concern. Het verwijt dat haar gemaakt wordt, is dat zij bij de verkoop van onder meer dat bier op die markt misbruik maakt van haar machtspositie. Dat dat verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor haar te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van dat concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen. (rov. 3.11)