Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2023:777

Hoge Raad
26-05-2023
26-05-2023
22/00881
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:79, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2022:112, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Civiel recht
Cassatie

Onteigening. Schadeloosstelling. Vervolg op HR 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:691). Art. 40c Ow. Eliminatieregel. Had het onteigende op peildatum verwachtingswaarde boven agrarische waarde? Wanneer was sprake van concreet plan voor werk waarvoor wordt onteigend?

Rechtspraak.nl
NJB 2023/1406
RvdW 2023/563
NJ 2023/264 met annotatie van E.W.J. de Groot
TvAR 2023/8150 met annotatie van W.J.E. Van der Werf

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 22/00881

Datum 26 mei 2023

ARREST

In de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

hierna: [eiser],

advocaat: J.P. van den Berg,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT),

zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de Staat,

advocaat: M.W. Scheltema.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. zijn arrest in de zaak 15/03989 van 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:691);

b. het arrest in de zaak 200.291.089/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 januari 2022.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Op vordering van de Staat is bij vonnis van 20 juni 2012 vervroegd de onteigening uitgesproken van een aan [eiser] toebehorend perceelsgedeelte (hierna: het perceel). In het onteigeningsvonnis is het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 182.469,--.

  • -

    ii) De onteigening is geschied ten behoeve van de aanleg van de Rijksweg A4 om Steenbergen met bijkomende werken.

  • -

    iii) Het onteigeningsvonnis is op 31 juli 2012 ingeschreven in de openbare registers.

  • -

    iv) Nadat bij beschikking van 4 juni 2012 aan deskundigen is opgedragen de schadeloosstelling te begroten, hebben de deskundigen de aan [eiser] te betalen schadeloosstelling begroot op € 168.000,-- als de waarde van het perceel.

2.2

De rechtbank1 heeft, overeenkomstig het advies van de deskundigen, de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 168.000,--.

2.3

De Hoge Raad2 heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd. De Hoge Raad heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“4.1.2 Naar de kern genomen klaagt het middel dat het oordeel van de rechtbank dat het onteigende op de peildatum geen verwachtingswaarde boven de agrarische waarde had, berust op een verkeerde toepassing van de eliminatieregel van art. 40c Ow.

4.1.3

De rechtbank heeft geoordeeld dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende geen rekening mag worden gehouden met de planologische stukken uit de jaren 2004-2014, waaruit volgens [eiser] blijkt van op de peildatum bestaande verwachtingen over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende (…). De rechtbank heeft echter niet ten aanzien van (elk van) die planologische stukken beoordeeld of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Daarom slagen de klachten van onderdeel 6. (…).”

2.4

Na verwijzing heeft het hof3 de schadeloosstelling vastgesteld op € 177.569,--.

2.5

Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, onder meer het volgende overwogen.

Art. 40c Ow bepaalt dat bij de bepaling van de schadeloosstelling wegens verlies van een onroerende zaak (het onteigende) geen rekening wordt gehouden met voordelen en nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor die zaak is onteigend, overheidswerken die in verband staan met dat werk en/of plannen waarop dat werk c.q. die overheidswerken zijn gebaseerd. (rov. 6.1.1)

Het werk waarvoor in dit geval is onteigend, is de Rijksweg A4 om Steenbergen met bijkomende werken. Het bedrijventerrein Reinierpolder maakt daarvan geen onderdeel uit. Het hof begrijpt de uitspraak van de Hoge Raad zo, dat niet alleen geen rekening wordt gehouden met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor die zaak is onteigend, samenhangende overheidswerken (en/of plannen daarvoor), maar ook met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor een ander werk (in dit geval plannen voor bedrijventerrein Reinierpolder), indien in die plannen wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. (rov. 6.1.2)

De beoordeling of op de peildatum verwachtingen bestonden over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het perceel dient plaats te vinden op basis van de volgende stukken:

a. het provinciale Uitwerkingsplan van 2004;

b. de Gebiedsvisie van 14 november 2007;

c. de Structuurvisie van 1 oktober 2010;

d. de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant;

e. de Structuurvisie 2012 van de gemeente Steenbergen van januari 2012;

f. de Structuurvisie 2010 Partiële Herziening vastgesteld op 2 juli 2014. (rov. 6.1.3)

Tussen partijen staat vast dat dit geen plannen zijn voor de A4, het werk waarvoor wordt onteigend. (6.1.4)

Het hof laat in het midden op welk moment in de periode 2004-2014 het plan voor de A4 “voldoende concreet” was en zal voor elk van de onder a. tot en met f. genoemde plannen beoordelen of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Het gaat er uiteindelijk om of al dan niet valt te verwachten dat ook zonder (het plan voor) het werk waarvoor wordt onteigend, de desbetreffende bestemming (in casu de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder) in het desbetreffende ruimtelijk plan zal worden gerealiseerd. (rov. 6.2.3)

De conclusie ten aanzien van de onder a. tot en met f. genoemde plannen is dat de bestemming daarin, waarop [eiser] de door hem gestelde verwachtingswaarde baseert, voortbouwt op concrete plannen voor de A4, althans dat aan het plan geen verwachtingswaarde op de peildatum kan worden ontleend. Er waren los van de (plannen voor de) A4 geen plannen tot ontwikkeling van het perceel tot bedrijventerrein. (rov. 6.9.1)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat voor het perceel geen verwachtingswaarde kan worden ontleend aan de plannen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder, op een verkeerde rechtsopvatting berust.

Volgens onderdeel a van het middel moet, anders dan het hof heeft gedaan, bij de bepaling van de schadeloosstelling rekening worden gehouden met de voordelen of nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor een ander werk, ook indien in die plannen wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend.

Onderdeel b klaagt onder meer dat het hof niet heeft geoordeeld dat de beoordeelde plannen voortbouwen op het uiteindelijke, definitieve plan voor de A4 en dat het hof is uitgegaan van een te ruime opvatting over wat kan worden aangemerkt als het concrete plan voor het werk waarvoor onteigend is.

3.2.1

Bij de beoordeling van de klachten dient het volgende tot uitgangspunt.

3.2.2

De onteigende heeft recht op volledige schadeloosstelling, te begroten naar het peilmoment van art. 40a Ow (veelal het moment dat het vervroegde onteigeningsvonnis wordt ingeschreven). Daarbij is de werkelijke waarde van het onteigende bepalend, te stellen op de prijs tot stand gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b lid 2 Ow). De onteigening behoort voor de onteigende partij in financieel opzicht nadeel noch voordeel mee te brengen.4

3.2.3

Bij het bepalen van de in art. 40b lid 2 Ow bedoelde koopprijs is uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Ook moet rekening worden gehouden met op het ogenblik van de onteigening bestaande, voldoende reële, verwachtingen over een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan,5 de zogenoemde ‘verwachtingswaarde’.

3.2.4

Op grond van art. 40c Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voordelen of nadelen teweeggebracht door (1) het werk waarvoor onteigend wordt, (2) overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt en (3) de plannen voor de werken onder 1 en 2 bedoeld.

Deze zogenoemde ‘eliminatieregel’ brengt onder meer mee dat de waardevermeerderende of waardeverminderende invloed van een bestemmingsplan bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende buiten beschouwing moet blijven, voor zover de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor een werk ter plaatse van onder meer het onteigende, en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven om de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk te maken. Dit betekent dat voor eliminatie alleen plaats is indien de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, concreet zijn op het moment waarop de juridisch-planologische grondslag wordt bepaald. Plannen met een algemeen karakter die nog nader moeten worden uitgewerkt zijn dat niet.6 Gezien het uitzonderingskarakter van art. 40c Ow moet deze bepaling terughoudend worden toegepast.7

3.2.5

De eliminatieregel houdt ook in dat geen rekening dient te worden gehouden met verwachtingswaarde die het gevolg is van het werk of het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend. Dit betekent dat geen rekening dient te worden gehouden met de waardevermeerderende of waardeverminderende invloed van verwachtingen die berusten op planologische stukken die zijn bepaald door een reeds bestaand concreet plan voor het werk ter plaatse van het onteigende. Zodra er een concreet plan is voor het werk ter plaatse van het te onteigenen perceel, doen latere planologische stukken voor de bepaling van de verwachtingswaarde niet meer ter zake, ook niet voor zover deze betrekking hebben op andere werken. Op dat moment is immers al concreet dat het werk waarvoor wordt onteigend ter plaatse van het te onteigenen perceel zal worden gerealiseerd. Bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende kan dan ook niet (in negatieve of positieve zin) verwachtingswaarde worden ontleend aan planologische stukken waarin reeds sprake is van of waarin wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend.8 Dit strookt met het uitgangspunt dat de onteigening voor de onteigende partij in financieel opzicht nadeel noch voordeel behoort mee te brengen.

Toegesneden op het onderhavige geval is een plan concreet indien het de aanleg van de A4 op het perceel behelst. Op een zodanig plan voortbouwende planologische stukken voor andere werken, zoals een bedrijventerrein in de nabijheid van het perceel, leiden niet tot verwachtingswaarde die bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende in aanmerking moet worden genomen. Zolang de plannen tot aanleg van de A4 nog niet concreet waren, dat wil zeggen niet de aanleg van de A4 op het perceel behelsden, konden planologische stukken waarin is voorzien in een bedrijventerrein in de nabijheid van het perceel wel aanleiding geven tot een verwachtingswaarde die in aanmerking moet worden genomen.

3.3.1

In cassatie staat vast dat op grond van het op de peildatum vigerende bestemmingsplan op het perceel een agrarische bestemming (“Agrarisch gebied met landschappelijke waarde” met de nadere aanduiding “openheid”) rustte. De rechtbank heeft overeenkomstig het advies van de deskundigen een op die bestemming afgestemde waarde van het perceel tot uitgangspunt genomen. Dit uitgangspunt stemt overeen met hetgeen hiervoor in de eerste zin van 3.2.3 is overwogen, en is in cassatie niet bestreden.

3.3.2

De rechtbank en, na verwijzing, het hof hebben voorts, overeenkomstig hetgeen hiervoor in de tweede zin van 3.2.3 is overwogen, onderzocht of op de peildatum zodanige concrete verwachtingen ten aanzien van mogelijke niet-agrarische ontwikkelingen ter plaatse van het perceel hebben bestaan dat het perceel in het vrije economische verkeer een andere dan de agrarische waarde had.

Onderdeel a gaat ervan uit dat het hof daarbij ook rekening diende te houden met voordelen of nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder indien in die plannen wordt voortgebouwd op een concreet plan voor het werk waarvoor is onteigend. Het onderdeel berust, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.5 is overwogen, op een onjuiste rechtsopvatting en faalt daarom.

3.3.3

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.4 en 3.2.5 is overwogen, moest het hof bij de schadevaststelling rekening houden met verwachtingswaarde als gevolg van planologische stukken waarin is voorzien in uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het perceel die reeds bestonden voorafgaande aan het bestaan van een concreet plan voor de aanleg van de A4 op het perceel. Het mocht evenwel geen rekening houden met verwachtingswaarde als gevolg van planologische stukken waarin is voorzien in uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het perceel indien die planologische stukken voortbouwen op een concreet plan voor de aanleg van de A4 op het perceel.

Het hof heeft weliswaar ten aanzien van de in rov. 6.1.3 genoemde stukken onderzocht of er voldoende concrete plannen waren voor de aanleg van de A4, maar heeft daarbij ten onrechte niet betrokken of op het moment van bekendmaking van deze stukken reeds sprake was van een concreet plan voor de aanleg van de A4 op het perceel. Het hof is daarmee uitgegaan van een te ruime opvatting van hetgeen geldt als een concreet plan voor het werk waarvoor wordt onteigend. De daartegen gerichte klachten van onderdeel b slagen dan ook. De andere klachten van onderdeel b behoeven geen behandeling.

3.4

In cassatie is niet bestreden het oordeel van het hof in rov. 6.1.3 dat de beoordeling of op de peildatum verwachtingen bestonden over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende dient plaats te vinden op basis van de in die rechtsoverweging genoemde stukken. Na verwijzing zal ten aanzien van elk van deze stukken moeten worden beoordeeld of op het moment van bekendmaking daarvan het plan voor de aanleg van de A4 op het perceel concreet was.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 januari 2022;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 480,03 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 26 mei 2023.

1 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 juni 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:5428.

2 HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:691.

3 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:112.

4 HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:458, rov. 3.1.2.

5 HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1874, rov. 4.2.

6 zie voor een en ander o.a. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, rov. 3.3.3-3.3.4.

7 HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1506, rov. 3.4.3.

8 HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:691, rov. 4.1.3.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.