Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, onder meer het volgende overwogen.
Art. 40c Ow bepaalt dat bij de bepaling van de schadeloosstelling wegens verlies van een onroerende zaak (het onteigende) geen rekening wordt gehouden met voordelen en nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor die zaak is onteigend, overheidswerken die in verband staan met dat werk en/of plannen waarop dat werk c.q. die overheidswerken zijn gebaseerd. (rov. 6.1.1)
Het werk waarvoor in dit geval is onteigend, is de Rijksweg A4 om Steenbergen met bijkomende werken. Het bedrijventerrein Reinierpolder maakt daarvan geen onderdeel uit. Het hof begrijpt de uitspraak van de Hoge Raad zo, dat niet alleen geen rekening wordt gehouden met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door het werk waarvoor die zaak is onteigend, samenhangende overheidswerken (en/of plannen daarvoor), maar ook met voordelen/nadelen die worden veroorzaakt door plannen voor een ander werk (in dit geval plannen voor bedrijventerrein Reinierpolder), indien in die plannen wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. (rov. 6.1.2)
De beoordeling of op de peildatum verwachtingen bestonden over een uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het perceel dient plaats te vinden op basis van de volgende stukken:
a. het provinciale Uitwerkingsplan van 2004;
b. de Gebiedsvisie van 14 november 2007;
c. de Structuurvisie van 1 oktober 2010;
d. de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant;
e. de Structuurvisie 2012 van de gemeente Steenbergen van januari 2012;
f. de Structuurvisie 2010 Partiële Herziening vastgesteld op 2 juli 2014. (rov. 6.1.3)
Tussen partijen staat vast dat dit geen plannen zijn voor de A4, het werk waarvoor wordt onteigend. (6.1.4)
Het hof laat in het midden op welk moment in de periode 2004-2014 het plan voor de A4 “voldoende concreet” was en zal voor elk van de onder a. tot en met f. genoemde plannen beoordelen of reeds sprake was van of werd voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Het gaat er uiteindelijk om of al dan niet valt te verwachten dat ook zonder (het plan voor) het werk waarvoor wordt onteigend, de desbetreffende bestemming (in casu de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder) in het desbetreffende ruimtelijk plan zal worden gerealiseerd. (rov. 6.2.3)
De conclusie ten aanzien van de onder a. tot en met f. genoemde plannen is dat de bestemming daarin, waarop [eiser] de door hem gestelde verwachtingswaarde baseert, voortbouwt op concrete plannen voor de A4, althans dat aan het plan geen verwachtingswaarde op de peildatum kan worden ontleend. Er waren los van de (plannen voor de) A4 geen plannen tot ontwikkeling van het perceel tot bedrijventerrein. (rov. 6.9.1)