In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder heeft in 2017 besloten dat zij zwanger wil worden met behulp van een zaaddonor. Zij is op zoek gegaan naar een donor en heeft zich in november 2017
ingeschreven op een donorwebsite. Uiteindelijk heeft zij haar zwager (hierna: de donor) bereid gevonden om te doneren. De moeder is omstreeks oktober 2018 gestart met kunstmatige inseminatie met sperma (KID) van de donor. Na meerdere mislukte KID-pogingen heeft de moeder op 20 mei 2019 van de behandelend arts toestemming gekregen om een IVF-traject te starten.
(ii) De moeder en de vrouw hebben op 21 juni 2019 een affectieve relatie gekregen.
(iii) In juli 2019 heeft de bevruchting buiten het lichaam plaatsgevonden via het IVF-traject. Kort daarna zijn de embryo’s teruggeplaatst. De vrouw was bij de terugplaatsing aanwezig.
(iv) Op 6 april 2020 is een kind geboren uit de moeder (hierna: het kind). De moeder was ten tijde van de geboorte van het kind van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag.
(v) In augustus 2020 is de relatie tussen de moeder en de vrouw verbroken. Na het uit elkaar gaan van partijen heeft er enige tijd omgang plaatsgevonden tussen de vrouw en het kind. De moeder heeft de omgang in mei 2021 stopgezet.
(vi) Bij vonnis van 13 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter een omgangsregeling vastgesteld tussen het kind en de vrouw.
(vii) Op 11 november 2021 is een tweede kind geboren uit de moeder. De donor is ook van het tweede kind de biologische vader. De moeder en de donor zijn gezamenlijk belast met het gezag over het tweede kind.
(viii) De donor heeft het kind op 3 mei 2022 erkend en op 6 mei 2022 is in het gezagsregister aangetekend dat de donor gezamenlijk met de moeder is belast met het gezag over het kind.