Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2024:1601

Hoge Raad
08-11-2024
08-11-2024
23/04714
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:580
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:2783
Personen- en familierecht
Cassatie

Personen- en familierecht. Vraag of aandelen B.V. aan man toebehoren en daarmee tot huwelijksgemeenschap behoren. Eisen te stellen aan betwisting.

Rechtspraak.nl
NJB 2024/2387
BPR-Updates.nl 2024-0094
RvdW 2024/1074
JPF 2025/4 met annotatie van mr. E.J.M. Cornelissen

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 23/04714

Datum 8 november 2024

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat: J.H.M. van Swaaij,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de vrouw,

niet verschenen.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikkingen in de zaak C/01/341020 / FA RK 18-5887 van de rechtbank Oost-Brabant van 19 oktober 2020, 29 januari 2021, 5 februari 2021 en 10 december 2021;

b. de beschikking in de zaak 200.307.945/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2023.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 31 augustus 2023 en tot verwijzing.

De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1982 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

Op 1 december 2020 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) De ouders van de man hebben op 4 november 1975 bij notariële akte een B.V. opgericht (hierna: de B.V.).

(iii) Op 1 januari 1994 zijn de moeder van de man en de man in functie getreden als bestuurders van de B.V.

(iv) Op 30 december 1994 is de vader van de man overleden.

(v) Op 1 augustus 2007 is de moeder van de man uit functie getreden als bestuurder van de B.V. Sindsdien is de man enig bestuurder van de B.V.

(vi) Op 21 oktober 2010 is de moeder van de man overleden.

2.2

In deze procedure hebben de vrouw en de man ieder onder meer verzocht de verdeling vast te stellen van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen.

2.3

De rechtbank heeft ten aanzien van de aandelen in de B.V. vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat deze aan de man toegedeeld dienen te worden. De rechtbank heeft aldus beslist en bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van overbedeling een bedrag van € 90.275,50 dient te voldoen.

2.4

Het hof1 heeft de beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft het betoog van de man dat de aandelen in de B.V. niet tot de huwelijksgemeenschap blijken te behoren verworpen en daartoe als volgt overwogen:

“5.2. De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte de aandelen in de [B.V.] heeft verdeeld. De aandelen in de [B.V.] hebben nimmer tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoord. Na de eindbeschikking van de rechtbank (…) is gebleken dat de aandelen in de [B.V.] deel uitmaken van de onverdeelde nalatenschap van zijn in 2010 overleden moeder. De notaris heeft hem hier op gewezen. De notaris heeft aangegeven dat uit de archieven niet blijkt van een aandeelhoudersregister waarin de aandelen op naam van de man zijn gesteld. Ook de man beschikt niet over een dergelijk aandeelhoudersregister. Bij de Kamer van Koophandel staat de man alleen als bestuurder vermeld en niet als 100% aandeelhouder. Als de aandelen aan hem waren overgedragen, was dat laatste wel het geval. De man is voor 1/8e aandeel gerechtigd in de nalatenschap van zijn moeder. In het testament van de moeder van de man is voorts een uitsluitingsclausule opgenomen. Dit betekent dat dit 1/8e aandeel niet tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort. Het behoort tot het privévermogen van de man.

Nu de aandelen in de [B.V.] nimmer tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap van partijen behoorden, kunnen die aandelen niet aan hem worden toegedeeld. Hij is daarom niet gehouden om aan de vrouw vanwege overbedeling een bedrag van € 90.275,50 te voldoen. De beschikking van de rechtbank dient op dat punt dan ook te worden vernietigd.

5.3.

Volgens de vrouw behoren de aandelen wél tot de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Zij voert daartoe het volgende aan.

Partijen hebben in de [B.V.] gespaard. De man heeft daarover ook zelf verklaard: “De dierenwinkel is op zichzelf niet rendabel, maar de man heeft daarin gespaard, om daarin bij pensionering een inkomen te hebben”.

Het spaarvermogen (in de [B.V.]) bedroeg meer dan twee ton en is door partijen samen opgebouwd. De vrouw heeft ook jarenlang in de dierenspeciaalzaak/winkel geholpen en haar verdiensten daarin zijn onbetaald gebleven. Daarmee is de spaarpot van de [B.V.] gespekt.

De man is bestuurder van de [B.V.], maar hij laat na een aandeelhoudersregister over te leggen. Hij is als bestuurder van de [B.V.] verplicht dit bij te houden/bij te werken.

De man heeft de onderneming van de [B.V.] overgenomen. Daarover zegt de man zelf: “De vader van de man runde een dierenspeciaalzaak. Na zijn overlijden eind 1994 heeft de man die dierenspeciaalzaak overgenomen.

Al sinds 1 januari 1994 is de man directeur en alleen/zelfstandig bevoegd.

De man betwist niet dat er een aandelentransactie is geweest.

Ten slotte heeft geen van de overige erfgenamen ooit de aandelen opgeëist

5.4.

Het hof overweegt als volgt.

Op de vrouw rust de stelplicht, en zo nodig de bewijslast, dat de aandelen in de

huwelijksgemeenschap vallen. Aan die stelplicht heeft de vrouw – voor zover dat tot haar

mogelijkheden behoorde – voldaan. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de man de

stellingen van de vrouw voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dat is niet het geval. In de e-mail van de notaris (…) waarop de man zich voor zijn standpunt beroept, staat het volgende:

“Bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is er vanuit gegaan dat de aandelen in [de B.V.] behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap. Uit de door u toegezonden stukken kan ik dit niet herleiden. De aandelen zijn destijds verkregen door uw ouders. U heeft aangegeven dat de aandelen tijdens leven van moeder aan u zijn overgedragen.

(onderstreping hof).

Alvorens ik werkzaamheden kan verrichten met betrekking tot de overdracht van aandelen zal ik dienen te beschikken over de akte waarbij de aandelen aan u zijn overgedragen. Mochten de aandelen niet tijdens het leven zijn overgedragen dan zijn zij krachtens erfrecht verkregen door alle kinderen.”

Naar eigen zeggen van de man zijn de aandelen dus nog tijdens leven van zijn moeder aan

hem overgedragen.

Het had voorts op de weg van de man gelegen (omdat i) het gaat om een erfenis van zijn moeder, waarvan hij erkent daartoe gerechtigd te zijn en ii) als niet weersproken vaststaat dat hij bestuurder is van de [B.V.] – hij staat ook als bestuurder ingeschreven in het handelsregister – zijn betwisting (dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren) te onderbouwen met concrete en verifieerbare bescheiden, vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058). Dit heeft de man nagelaten.

In de e-mail van de notaris staat slechts dat ‘Uit de door [de man] toegezonden stukken (…) niet [te] herleiden [is dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren]’. Op basis daarvan valt niet de slotsom te trekken dat de aandelen inderdaad buiten de huwelijksgemeenschap vallen.

Onduidelijk daarbij is ook op welke door de man aan de notaris verstrekte stukken de

mededelingen van de notaris zijn gebaseerd.

De man heeft ook geen boedelbeschrijving van de nalatenschap en/of de aangifte/aanslag

erfbelasting overgelegd.

De man heeft nagelaten een aandeelhoudersregister (per datum ontbinding

huwelijksgemeenschap) over te leggen (ofschoon het bestuur dat register moet bijhouden

(art. 2:194 BW) en overigens evenmin uitgelegd wie de aandeelhouder(s) waren (was) die

hem tot bestuurder hebben benoemd (dit gelet op art. 2:242 BW (oud) dat bepaalt dat de

benoeming van bestuurders door de algemene vergadering (oud: van aandeelhouders)

geschiedt).

De stelling van de vrouw dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren, is aldus

komen vast te staan. (…)”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.2.1

Onderdeel 2.2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.4 van de bestreden beschikking dat de man de stelling van de vrouw dat de aandelen in de B.V. tot de huwelijksgemeenschap behoren onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de e-mail van de notaris en hetgeen de man daarover heeft aangevoerd. Daaruit volgt niet dat de aandelen naar eigen zeggen van de man nog tijdens het leven van zijn moeder aan hem zijn overgedragen. Het beroepschrift van de man laat zich volgens het onderdeel niet anders verstaan dan dat de man in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat de aandelen niet aan hem zijn overgedragen.

Onderdeel 2.3 betoogt voorts dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de motivering van de betwisting door de man. Ten onrechte, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd heeft het hof aan de man tegengeworpen (i) dat onduidelijk is op welke door de man aan de notaris verstrekte stukken de mededelingen van de notaris zijn gebaseerd, (ii) dat de man geen boedelbeschrijving van de nalatenschap en/of de aangifte erfbelasting heeft overgelegd en (iii) dat de man heeft nagelaten een aandeelhoudersregister over te leggen. Het hof is daarbij voorbij gegaan aan het betoog van de man (ad (i)) dat het kantoor van de notaris altijd alle notariële zaken voor de ouders van de man en de man behartigde, (ad (ii)) dat de erfgenamen niet hebben onderkend dat de aandelen tot de nalatenschap van de moeder behoorden en (ad (iii)) (onder meer) dat de man niet over een aandeelhoudersregister beschikt, aldus het onderdeel.

3.2.2

De man heeft in zijn beroepschrift aangevoerd:

“Naar inmiddels blijkt hebben de aandelen van de [B.V.] nimmer tot de gemeenschap van goederen van partijen behoord.

(…)

Na de beschikking van de Rechtbank van 10 december 2021 nam de man vervolgens in het kader van de notariële overdracht van het onroerend goed aan hem, contact op met het notariskantoor (…). Dit kantoor behartigde altijd alle notariële zaken voor partijen. Door de notaris werd ook de notariële overdracht van de aandelen van de [B.V.] aan de orde gesteld. Daarop vertelde de notaris aan de man dat bij hen de stellige indruk ontstond dat de aandelen van de [B.V.] helemaal niet van de man zijn. Er is immers geen aandeelhoudersregister waar dat uit blijkt. Ook bij navraag bij de Kamer van Koophandel werd bevestigd dat er geen 100% aandeelhouderschap is van de aandelen van [de B.V.]. In het uittreksel valt slechts te lezen dat er sprake is van één bestuurder (…), de man (…).

De notaris concludeerde daarop dat de aandelen van de [B.V.] nog behoren tot de onverdeelde nalatenschap van de moeder van de man, waartoe, aldus de notaris, de man voor 1/8e aandeel is gerechtigd. (…)

(…)

De moeder van de man heeft in 2007, nadat zij ernstig ziek werd, met al haar kinderen besproken dat de aandelen in de [B.V.] aan (…) de man (…) zouden toekomen; dat was voor niemand een verrassing, omdat [de man] al die tijd als enige in de zaak hielp.

De man meende dat hij destijds de aandelen daadwerkelijk heeft verkregen. Die aandelen in de [B.V.] blijken nu echter niet – zoals door de moeder van de man bedoeld/toegezegd was – bij leven overgedragen aan de man; zij zijn daardoor krachtens erfrecht verkregen door alle kinderen. Dat stuk nalatenschap is nimmer verdeeld. De notaris heeft aangegeven dat de man daarin voor 1/8e onverdeeld aandeel is gerechtigd.”

In zijn verweerschrift in incidenteel appel:

“Anders dan de vrouw stelt, betwist de man wel degelijk dat er ooit een aandelentransactie heeft plaatsgevonden. De man heeft nimmer gesteld dat er een transactie van aandelen plaatsvond en dat blijkt ook niet zo te zijn. De man dacht dat hij aandeelhouder was, maar de man was er niet mee bekend hoe aandelen worden overgedragen. Toen hij vernam hoe aandelen worden overdragen (koop / levering), realiseerde hij zich dat er inderdaad in het geheel geen aandelen zijn overgedragen. Daarover is ook nimmer iets op papier gesteld door zijn moeder; hij dacht dat die aandelenoverdracht via de Kamer van Koophandel was gebeurd.”

Daarbij heeft de man de door het hof in rov. 5.4 van de bestreden beschikking gedeeltelijk aangehaalde e-mail van de notaris overgelegd (zie hiervoor in 2.4). Op het door het hof aangehaalde gedeelte volgt nog:

“In het testament van uw moeder is een uitsluitingsclausule opgenomen, inhoudende dat de aandelen niet zullen gaan behoren tot een gemeenschap van goederen. Bovendien behoren niet alle aandelen u toe maar slechts 1/8e gedeelte.

Het is mij dan ook niet duidelijk waarom bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ook de aandelen dienen te worden verdeeld en de waarde hiervan ook deels toekomt aan uw ex-partner. (…)”

Ter mondelinge behandeling bij het hof is namens de man verklaard:

“U vraagt mij waaruit blijkt dat de aandelen in de [B.V.] deel uitmaken van de onverdeelde nalatenschap van de moeder van de man. In de stukken heb ik dit aangegeven. Door de notaris is aangegeven dat uit de archieven niet blijkt van een aandeelhoudersregister waarin de aandelen op naam van de man zijn gesteld. Bij de Kamer van Koophandel staat de man alleen als bestuurder vermeld en niet als 100% aandeelhouder. Als de aandelen aan hem waren overgedragen, was dat laatste wel het geval. Na het overlijden van de moeder van de man zijn de aandelen in de [B.V.] onverdeeld gebleven. Dit blijkt uit de door de man als productie T overgelegde e-mail in hoger beroep.

U vraagt mij naar het aandeelhoudersregister. De man beschikt hier niet over. Mogelijk is dit in handen van de demente boekhouder. De man weet niet of dit register is bijgehouden. De moeder van de man heeft altijd gezegd dat de man de [B.V.] zou voortzetten. Dat daarvoor een aandelenoverdracht had moeten plaatsvinden wist de man niet. De man is altijd te goeder trouw geweest.

U houdt mij voor dat de man eerder heeft aangegeven dat zijn moeder bij leven de aandelen in de [B.V.] aan hem heeft overgedragen. Dat blijkt dus niet zo te zijn. De notaris heeft de man op dat punt gecorrigeerd.”

3.2.3

In het licht van het hiervoor in 3.2.2 aangehaalde betoog van de man, is het oordeel van het hof dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren, onbegrijpelijk.

De e-mail van de notaris is door de man in het geding gebracht om te onderbouwen waarom hij zich in hoger beroep niet langer op het standpunt stelt dat de aandelen bij leven aan hem zijn overgedragen. Onbegrijpelijk is dus de overweging van het hof dat naar eigen zeggen van de man de aandelen nog tijdens het leven van zijn moeder aan hem zijn overgedragen.

Eveneens onbegrijpelijk is de overweging dat onduidelijk is op welke door de man aan de notaris verstrekte stukken de mededelingen van de notaris zijn gebaseerd. Uit het vervolg van de e-mail van de notaris blijkt immers dat die mededelingen zijn gebaseerd op het ontbreken van een akte van overdracht. In dat verband is van belang het betoog van de man dat de notaris altijd alle notariële zaken voor partijen behartigde, waaraan het hof geen aandacht heeft besteed.

Ook is onbegrijpelijk dat het hof gewicht heeft gehecht aan het feit dat de man geen boedelbeschrijving van de nalatenschap en/of de aangifte erfbelasting heeft overgelegd. Het betoog van de man houdt immers in dat de aandelen na het overlijden van de moeder in 2010 niet in de afwikkeling van de nalatenschap zijn betrokken.

Voor zover het hof zijn oordeel dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de aandelen aan hem zijn overgedragen heeft doen steunen op zijn vaststelling dat de man heeft nagelaten een aandeelhoudersregister in het geding te brengen, is het eveneens onbegrijpelijk, nu de man heeft gesteld dat hij niet over een aandeelhoudersregister beschikt.

De hiervoor in 3.2.1 genoemde klachten slagen.

3.2.4

De overige klachten van onderdeel 2 en onderdeel 3 behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 augustus 2023;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 8 november 2024.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2783.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.