Onderdeel 1 van het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.2.1
Onderdeel 2.2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.4 van de bestreden beschikking dat de man de stelling van de vrouw dat de aandelen in de B.V. tot de huwelijksgemeenschap behoren onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de e-mail van de notaris en hetgeen de man daarover heeft aangevoerd. Daaruit volgt niet dat de aandelen naar eigen zeggen van de man nog tijdens het leven van zijn moeder aan hem zijn overgedragen. Het beroepschrift van de man laat zich volgens het onderdeel niet anders verstaan dan dat de man in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat de aandelen niet aan hem zijn overgedragen.
Onderdeel 2.3 betoogt voorts dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de motivering van de betwisting door de man. Ten onrechte, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd heeft het hof aan de man tegengeworpen (i) dat onduidelijk is op welke door de man aan de notaris verstrekte stukken de mededelingen van de notaris zijn gebaseerd, (ii) dat de man geen boedelbeschrijving van de nalatenschap en/of de aangifte erfbelasting heeft overgelegd en (iii) dat de man heeft nagelaten een aandeelhoudersregister over te leggen. Het hof is daarbij voorbij gegaan aan het betoog van de man (ad (i)) dat het kantoor van de notaris altijd alle notariële zaken voor de ouders van de man en de man behartigde, (ad (ii)) dat de erfgenamen niet hebben onderkend dat de aandelen tot de nalatenschap van de moeder behoorden en (ad (iii)) (onder meer) dat de man niet over een aandeelhoudersregister beschikt, aldus het onderdeel.
3.2.2
De man heeft in zijn beroepschrift aangevoerd:
“Naar inmiddels blijkt hebben de aandelen van de [B.V.] nimmer tot de gemeenschap van goederen van partijen behoord.
Na de beschikking van de Rechtbank van 10 december 2021 nam de man vervolgens in het kader van de notariële overdracht van het onroerend goed aan hem, contact op met het notariskantoor (…). Dit kantoor behartigde altijd alle notariële zaken voor partijen. Door de notaris werd ook de notariële overdracht van de aandelen van de [B.V.] aan de orde gesteld. Daarop vertelde de notaris aan de man dat bij hen de stellige indruk ontstond dat de aandelen van de [B.V.] helemaal niet van de man zijn. Er is immers geen aandeelhoudersregister waar dat uit blijkt. Ook bij navraag bij de Kamer van Koophandel werd bevestigd dat er geen 100% aandeelhouderschap is van de aandelen van [de B.V.]. In het uittreksel valt slechts te lezen dat er sprake is van één bestuurder (…), de man (…).
De notaris concludeerde daarop dat de aandelen van de [B.V.] nog behoren tot de onverdeelde nalatenschap van de moeder van de man, waartoe, aldus de notaris, de man voor 1/8e aandeel is gerechtigd. (…)
De moeder van de man heeft in 2007, nadat zij ernstig ziek werd, met al haar kinderen besproken dat de aandelen in de [B.V.] aan (…) de man (…) zouden toekomen; dat was voor niemand een verrassing, omdat [de man] al die tijd als enige in de zaak hielp.
De man meende dat hij destijds de aandelen daadwerkelijk heeft verkregen. Die aandelen in de [B.V.] blijken nu echter niet – zoals door de moeder van de man bedoeld/toegezegd was – bij leven overgedragen aan de man; zij zijn daardoor krachtens erfrecht verkregen door alle kinderen. Dat stuk nalatenschap is nimmer verdeeld. De notaris heeft aangegeven dat de man daarin voor 1/8e onverdeeld aandeel is gerechtigd.”
In zijn verweerschrift in incidenteel appel:
“Anders dan de vrouw stelt, betwist de man wel degelijk dat er ooit een aandelentransactie heeft plaatsgevonden. De man heeft nimmer gesteld dat er een transactie van aandelen plaatsvond en dat blijkt ook niet zo te zijn. De man dacht dat hij aandeelhouder was, maar de man was er niet mee bekend hoe aandelen worden overgedragen. Toen hij vernam hoe aandelen worden overdragen (koop / levering), realiseerde hij zich dat er inderdaad in het geheel geen aandelen zijn overgedragen. Daarover is ook nimmer iets op papier gesteld door zijn moeder; hij dacht dat die aandelenoverdracht via de Kamer van Koophandel was gebeurd.”
Daarbij heeft de man de door het hof in rov. 5.4 van de bestreden beschikking gedeeltelijk aangehaalde e-mail van de notaris overgelegd (zie hiervoor in 2.4). Op het door het hof aangehaalde gedeelte volgt nog:
“In het testament van uw moeder is een uitsluitingsclausule opgenomen, inhoudende dat de aandelen niet zullen gaan behoren tot een gemeenschap van goederen. Bovendien behoren niet alle aandelen u toe maar slechts 1/8e gedeelte.
Het is mij dan ook niet duidelijk waarom bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ook de aandelen dienen te worden verdeeld en de waarde hiervan ook deels toekomt aan uw ex-partner. (…)”
Ter mondelinge behandeling bij het hof is namens de man verklaard:
“U vraagt mij waaruit blijkt dat de aandelen in de [B.V.] deel uitmaken van de onverdeelde nalatenschap van de moeder van de man. In de stukken heb ik dit aangegeven. Door de notaris is aangegeven dat uit de archieven niet blijkt van een aandeelhoudersregister waarin de aandelen op naam van de man zijn gesteld. Bij de Kamer van Koophandel staat de man alleen als bestuurder vermeld en niet als 100% aandeelhouder. Als de aandelen aan hem waren overgedragen, was dat laatste wel het geval. Na het overlijden van de moeder van de man zijn de aandelen in de [B.V.] onverdeeld gebleven. Dit blijkt uit de door de man als productie T overgelegde e-mail in hoger beroep.
U vraagt mij naar het aandeelhoudersregister. De man beschikt hier niet over. Mogelijk is dit in handen van de demente boekhouder. De man weet niet of dit register is bijgehouden. De moeder van de man heeft altijd gezegd dat de man de [B.V.] zou voortzetten. Dat daarvoor een aandelenoverdracht had moeten plaatsvinden wist de man niet. De man is altijd te goeder trouw geweest.
U houdt mij voor dat de man eerder heeft aangegeven dat zijn moeder bij leven de aandelen in de [B.V.] aan hem heeft overgedragen. Dat blijkt dus niet zo te zijn. De notaris heeft de man op dat punt gecorrigeerd.”
3.2.3
In het licht van het hiervoor in 3.2.2 aangehaalde betoog van de man, is het oordeel van het hof dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de aandelen tot de huwelijksgemeenschap behoren, onbegrijpelijk.
De e-mail van de notaris is door de man in het geding gebracht om te onderbouwen waarom hij zich in hoger beroep niet langer op het standpunt stelt dat de aandelen bij leven aan hem zijn overgedragen. Onbegrijpelijk is dus de overweging van het hof dat naar eigen zeggen van de man de aandelen nog tijdens het leven van zijn moeder aan hem zijn overgedragen.
Eveneens onbegrijpelijk is de overweging dat onduidelijk is op welke door de man aan de notaris verstrekte stukken de mededelingen van de notaris zijn gebaseerd. Uit het vervolg van de e-mail van de notaris blijkt immers dat die mededelingen zijn gebaseerd op het ontbreken van een akte van overdracht. In dat verband is van belang het betoog van de man dat de notaris altijd alle notariële zaken voor partijen behartigde, waaraan het hof geen aandacht heeft besteed.
Ook is onbegrijpelijk dat het hof gewicht heeft gehecht aan het feit dat de man geen boedelbeschrijving van de nalatenschap en/of de aangifte erfbelasting heeft overgelegd. Het betoog van de man houdt immers in dat de aandelen na het overlijden van de moeder in 2010 niet in de afwikkeling van de nalatenschap zijn betrokken.
Voor zover het hof zijn oordeel dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de aandelen aan hem zijn overgedragen heeft doen steunen op zijn vaststelling dat de man heeft nagelaten een aandeelhoudersregister in het geding te brengen, is het eveneens onbegrijpelijk, nu de man heeft gesteld dat hij niet over een aandeelhoudersregister beschikt.
De hiervoor in 3.2.1 genoemde klachten slagen.