De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2023 voor zover daarin de proceskostenveroordeling in eerste aanleg is bekrachtigd en de vordering van Dampie tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan Leen Bakker heeft betaald, is afgewezen;
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 december 2021 voor zover daarin Dampie in de proceskosten is veroordeeld;
- compenseert de proceskosten in eerste aanleg in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- veroordeelt Leen Bakker tot terugbetaling van hetgeen Dampie ter uitvoering van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan Leen Bakker heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat Dampie heeft betaald;
- stelt de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst en de datum voor ontruiming van de bedrijfsruimte vast op 31 december 2024;
- veroordeelt Leen Bakker in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dampie begroot op € 963,73 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Leen Bakker deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Leen Bakker in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dampie begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Leen Bakker deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 november 2024.