Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Insolventierecht. Betekenis van gehomologeerd akkoord voor niet voor verificatie vatbare vorderingen (art. 157 Fw), in verband met regel dat tijdens faillissement lopende rente niet vatbaar is voor verificatie (art. 128 Fw).
Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Insolventierecht 2024/29 INS-Updates.nl 2024-0039 NJB 2024/440 RvdW 2024/193 RI 2024/15 JOR 2024/102 met annotatie van Prof. Mr. J.J. van Hees NJ 2024/195 met annotatie van A.J. Berends TvI 2024/40 met annotatie van E. Oppedijk van Veen
Bij tussenvonnis in de zaak C/01/379045/HA ZA 22-077 van 10 mei 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
Partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot beantwoording van de vragen in de in de conclusie onder 3.3, 3.5 en 3.6 genoemde zin.
De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze uitspraak gaat over de vraag of de in art. 157 Fw bedoelde verbindendheid van het gehomologeerde akkoord ook ziet op de vordering ter zake van tijdens het faillissement lopende rente, hoewel deze vordering op grond van art. 128 Fw niet kan worden geverifieerd, tenzij deze door pand of hypotheek wordt gedekt.
2.2
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:
(i) [verweerder] is in 2014 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is in 2019 beëindigd.
(ii) [verweerder] heeft in zijn faillissement een akkoord aangeboden aan zijn schuldeisers (art. 138 Fw). [eisers] hebben als concurrente schuldeisers tegen het akkoord gestemd. Het akkoord is echter aangenomen met de vereiste meerderheid (art. 145 Fw) en door de rechtbank gehomologeerd (art. 150 e.v. Fw). [eisers] zijn dus gebonden aan het akkoord (art. 157 Fw).
(iii) De concurrente schuldeisers hebben op grond van het akkoord 4,23% van hun vorderingen ontvangen. Het resterende deel van de onder het akkoord vallende vorderingen van de concurrente schuldeisers is een natuurlijke verbintenis geworden.
(iv) Er heeft geen uitkering plaatsgevonden op rentevorderingen die zijn ontstaan na de faillietverklaring van [verweerder], ook niet op basis van buitengerechtelijke afspraken.
(v) [eisers] verlangen van [verweerder] betaling van wettelijke en contractuele rente die na de faillietverklaring van [verweerder] is ontstaan. Deze rente wordt niet gedekt door een pand- of hypotheekrecht.
2.3
In deze procedure vorderen [eisers] betaling van [verweerder] van de hiervoor in 2.2 onder (v) genoemde rente. Zij betogen in dat verband dat het faillissement van [verweerder] in 2019 is geëindigd en zij nadien betaling van hun rentevorderingen kunnen verlangen.
2.4
[verweerder] voert onder meer aan dat tijdens het faillissement lopende rente is begrepen in een akkoord dat in een faillissement wordt bereikt en door de rechtbank is gehomologeerd (art. 157 Fw). Van de rentevorderingen van [eisers] resteren slechts natuurlijke verbintenissen, nu dat het gevolg is van een gehomologeerd akkoord in een faillissement, aldus [verweerder].
2.5
De rechtbank heeft bij tussenvonnis1 op de voet van art. 392 e.v. Rv de volgende prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad:
1. Betekent art. 157 Fw dat alle vorderingen die onder de werking van art. 26 Fw zijn begrepen, worden getroffen door een faillissementsakkoord, ongeacht of de verificatie van die vorderingen op andere gronden zoals art. 128 Fw is uitgesloten?
2. Betekent art. 3:9 lid 4 BW (of art. 6:142 lid 2 BW) dat wettelijke en contractuele rentevorderingen als bedoeld in art. 128 eerste volzin Fw natuurlijke verbintenissen worden bij de beëindiging van het faillissement door de homologatie van het faillissementsakkoord?
voor zover het antwoord op vraag 1. of 2. “ja” is:
3. Is deze regel van toepassing op akkoorden waarover is gestemd vóór de dag van de uitspraak van de Hoge Raad en op schuldeisers die tegen het akkoord hebben gestemd?
3 Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.1
Art. 157 Fw bepaalt dat het gehomologeerde akkoord verbindend is voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.
De in art. 157 Fw bedoelde verbindendheid van het gehomologeerde akkoord leidt ertoe dat vorderingen die als gevolg van dat akkoord onvoldaan blijven, niet afdwingbaar zijn, maar als natuurlijke verbintenissen voortbestaan.2
Uit de wetsgeschiedenis van art. 157 Fw3 en het samenstel van de art. 138, 139, 143 en 145 Fw volgt dat de hiervoor bedoelde verbindendheid van het gehomologeerde akkoord is beperkt tot de voor verificatie vatbare vorderingen van de concurrente schuldeisers.
3.2
Art. 128, eerste volzin, Fw houdt in dat rente, na de faillietverklaring lopende, niet in het faillissement kan worden geverifieerd, tenzij door pand of hypotheek gedekt. Uit de wetsgeschiedenis van art. 128 Fw4 blijkt dat deze bepaling berust op het zogenoemde fixatiebeginsel: schuldeisers kunnen in het faillissement opkomen voor het bedrag dat zij te vorderen hebben op het tijdstip van het intreden van het faillissement.
3.3
Het samenstel van de art. 157 en 128 Fw leidt ertoe dat de verbindendheid van het gehomologeerde akkoord niet ziet op tijdens het faillissement lopende rente, omdat de hierop betrekking hebbende vordering niet kan worden geverifieerd, tenzij deze door pand of hypotheek wordt gedekt. De concurrente schuldeiser van wie de rentevordering ingevolge de Faillissementswet niet kan worden geverifieerd, wordt door het gehomologeerde akkoord niet beperkt in zijn recht om na de beëindiging van het faillissement alsnog in of buiten rechte voldoening van die vordering te verlangen.
3.4
De wetsgeschiedenis van de art. 157 en 128 Fw bevat geen aanwijzingen dat het hiervoor in 3.3 geschetste resultaat waartoe het samenstel van deze bepalingen leidt, niet strookt met de bedoeling van de wetgever ten tijde van de invoering van de Faillissementswet in 1896. Voorts heeft de wetgever bij latere herzieningen van de Faillissementswet – met name bij de invoering van art. 273 Fw (verbindendheid van het akkoord in een surséance van betaling), art. 340 lid 2 Fw (verbindendheid van het akkoord in een schuldsaneringsregeling) en art. 385 Fw (verbindendheid van het onderhands akkoord) – geen aanleiding gezien de art. 157 en 128 Fw op enig in dit verband relevant punt te wijzigen.
3.5
De recente rechtspraak van de Hoge Raad waarin nadere uitwerking is gegeven aan het fixatiebeginsel5 – welk beginsel ook ten grondslag ligt aan art. 128 Fw (zie hiervoor in 3.2) – ziet niet op het samenstel van de art. 157 en 128 Fw. In geen van die zaken lag de vraag voor of de verbindendheid van het gehomologeerde akkoord ook ziet op tijdens het faillissement lopende rente.
3.6
De Hoge Raad ziet geen grond om – in weerwil van de tekst van de art. 157 en 128 Fw en de wetsgeschiedenis – te beslissen dat de verbindendheid van het gehomologeerde akkoord ook ziet op tijdens het faillissement lopende rente. Een dergelijke beslissing zou de vraag oproepen of en, zo ja, in hoeverre het belang van concurrente schuldeisers bij afdwingbaarheid van hun (niet door pand of hypotheek gedekte) vorderingen ter zake van tijdens het faillissement van hun schuldenaar lopende rente bescherming verdient, en de vraag langs welke weg een wenselijk geachte bescherming gestalte moet krijgen. Het is aan de wetgever om deze keuzes te maken en aan de gemaakte keuzes uitwerking te geven op een wijze die past in het stelsel van de Faillissementswet.
3.7
Op grond van het vorenstaande luidt het antwoord op de eerste en de tweede prejudiciële vraag ontkennend. De in art. 157 Fw bedoelde verbindendheid van het gehomologeerde akkoord ziet niet op rentevorderingen die op grond van art. 128 Fw niet vatbaar zijn voor verificatie. Hetgeen is bepaald in art. 3:9 lid 4 BW en art. 6:142 lid 2 BW dwingt niet tot een andere uitkomst.
3.8
Nu de eerste en de tweede prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord, behoeft de derde prejudiciële vraag geen beantwoording.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.7 weergegeven wijze;
- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van [eisers] en op € 1.800,-- aan de zijde van [verweerder].
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 9 februari 2024.
1 Rechtbank Oost-Brabant 10 mei 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5062.
2 HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492 (Comtu), rov. 3.2.
3 Geschiedenis van de Faillissementswet (Van der Feltz), II, p. 184-185.
4 Geschiedenis van de Faillissementswet (Van der Feltz), II, p. 126-127.
5 Zie HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 (Koot Beheer/Tideman q.q.), HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1294 (Boele II) en HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424 (Credit Suisse/Jongepier q.q.).
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: