Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2024:241

Hoge Raad
16-02-2024
16-02-2024
22/04861
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:910
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2022:8349
Verbintenissenrecht
Cassatie

Rechtspersonenrecht. Verbintenissenrecht. Coöperatie. Is in huishoudelijk reglement opgenomen voorwaarde voor uitbetaling van transactiesom een uittredingsvoorwaarde die statutaire basis vereist (art. 2:60 BW)? Wettelijke handelsrente. Is sprake van handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW? Samenhang met 22/03229 (HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:242).

Rechtspraak.nl
NJB 2024/501
NJ 2024/84
RvdW 2024/224
Sdu Nieuws Ondernemingsrechtpraktijk 2024/134
OR-Updates.nl 2024-0088
RO 2024/28
JONDR 2024/237
RN 2024/32
JOR 2024/132 met annotatie van mr. M.A.J. Cremers

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 22/04861

Datum 16 februari 2024

ARREST

In de zaak van

DRENTS OVERIJSSELSE COÖPERATIE KAAS U.A.,

gevestigd te Hoogeveen,

EISERES tot cassatie,

hierna: DOC Kaas,

advocaat: L.V. van Gardingen,

tegen

1. [verweerder 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [verweerder 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. VOF [verweerder 4],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. V.O.F. [verweerder 5],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

6. [verweerder 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [verweerder 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [verweerder 8],

wonende te [woonplaats] ,

9. MAATSCHAP [verweerder 9],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

10. MAATSCHAP [verweerder 10],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

11. [verweerder 11] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

12. MAATSCHAP [verweerder 12],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

13. [verweerder 13] C.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

14. MAATSCHAP [verweerder 14],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

15. [verweerder 15],

wonende te [woonplaats] ,

16. [verweerder 16],

wonende te [woonplaats] ,

17. [verweerder 17],

wonende te [woonplaats] ,

18. MAATSCHAP [verweerder 18],

opgeheven op 4 september 2019 en uitgeschreven uit het Handelsregister,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

18a. [verweerder 18a],

18b. [verweerder 18b],

19. [verweerder 19],

wonende te [woonplaats] ,

20. MAATSCHAP [verweerder 20],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

21. [verweerder 21],

wonende te [woonplaats] ,

22. [verweerder 22],

wonende te [woonplaats] ,

23. de maatschap [verweerder 23],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

24. [verweerder 24],

wonende te [woonplaats] ,

25. [verweerder 25],

wonende te [woonplaats] ,

26. [verweerder 26],

wonende te [woonplaats] ,

27. [verweerder 27],

wonende te [woonplaats] ,

28. [verweerder 28] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

29. [verweerder 29],

wonende te [woonplaats] ,

30. MAATSCHAP [verweerder 30],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

31. MAATSCHAP [verweerder 31],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

32. V.O.F [verweerder 32],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

33. MAATSCHAP [verweerder 33],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

34. [verweerder 34],

wonende te [woonplaats] ,

35. MAATSCHAP [verweerder 35],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

36. MAATSCHAP [verweerder 36],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

37. [verweerder 37],

wonende te [woonplaats] ,

38. STILLE MAATSCHAP [verweerder 38]

, opgeheven op 10 mei 2022 en uitgeschreven uit het Handelsregister,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

38a. [verweerder 38a],

38b. [verweerder 38b],

39. [verweerder 39],

wonende te [woonplaats] ,

40. [verweerder 40],

wonende te [woonplaats] ,

41. [verweerder 41],

wonende te [woonplaats] ,

42. VOF [verweerder 42],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

43. MAATSCHAP [verweerder 43],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

44. MAATSCHAP [verweerder 44],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

45. de maatschap [verweerder 45],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

46. [verweerder 46],

wonende te [woonplaats] ,

47. de maatschap [verweerder 47],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

48. V.O.F [verweerder 48],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

49. MAATSCHAP [verweerder 49],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

50. [verweerder 50],

wonende te [woonplaats] ,

51. MAATSCHAP [verweerder 51],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

52. [verweerder 52],

wonende te [woonplaats] ,

53. MAATSCHAP [verweerder 53],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

54. [verweerder 54],

wonende te [woonplaats] ,

55. [verweerder 55],

wonende te [woonplaats] ,

56. [verweerder 56],

wonende te [woonplaats] ,

57. [verweerder 57],

wonende te [woonplaats] ,

58. STILLE MAATSCHAP [verweerder 58],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

59. [verweerder 59] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

60. MAATSCHAP [verweerder 60],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

61. MAATSCHAP [verweerder 61]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

62. V.O.F. [verweerder 62],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

63. [verweerder 63],

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

verweerders in cassatie 1-52 hierna tevens: de melkveehouders groep A,

verweerders in cassatie 53-62 hierna tevens: de melkveehouders groep B,

verweerder in cassatie 63 hierna tevens: de melkveehouder groep C,

verweerders gezamenlijk: de melkveehouders,

advocaat: D.M. de Knijff.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/19/120498 / HA ZA 17-201 van de rechtbank Noord-Nederland van 17 april 2019, 2 september 2020 en 7 oktober 2020;

b. de arresten in de zaak 200.287.535/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2021 en 27 september 2022.

DOC Kaas heeft tegen het arrest van het hof van 27 september 2022 beroep in cassatie ingesteld.

De melkveehouders hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor DOC Kaas mede door R.G. Bloemberg.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van DOC Kaas heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) DOC Kaas vervaardigde zuivelproducten.

(ii) DOC Kaas wenste te fuseren met branchegenoot DMK Deutsches Milchkontor eG (hierna: DMK). Op de algemene ledenvergadering van 21 mei 2015 hebben de leden van DOC Kaas voor de fusie met DMK gestemd.

(iii) De fusie tussen DOC Kaas en DMK is vormgegeven door samenvoeging van ieders dochter- en werkmaatschappijen (DOC Kaas B.V. en DOC Kaas Vastgoed B.V., respectievelijk DMK Deutsches Milchkontor GmbH (hierna: DMK GmbH)) per 4 april 2016, door middel van de overdracht van de aandelen in DOC Kaas B.V. en DOC Kaas Vastgoed B.V. door DOC Kaas aan DMK GmbH. DOC Kaas verkreeg daarvoor 10% van de aandelen in DMK GmbH, alsmede een transactiesom van € 20 miljoen, te betalen aan de leden van DOC Kaas (hierna: de transactiesom).

(iv) Bij besluit van 15 december 2015 heeft de ledenraad van DOC Kaas een nieuw huishoudelijk reglement (hierna ook: Hr) vastgesteld, dat op 1 januari 2016 in werking is getreden. In het huishoudelijk reglement is een nieuw art. 11 opgenomen, waarin de uitkering van de transactiesom – voor zover van belang – als volgt is geregeld:

Artikel 11

TRANSACTIESOM DMK

Met de overdracht van de aandelen in DOC Kaas B.V. en DOC Kaas Vastgoed B.V. naar DMK GmbH komt er een transactiesom beschikbaar voor de coöperatie groot
€ 20.000.000. Deze transactiesom wordt aan de leden uitgekeerd met inachtneming van de volgende regels:

1. De transactiesom wordt in door het bestuur te bepalen tranches uitgekeerd. De eerste tranche zal worden uitbetaald in februari 2016, of zoveel later als de transactiesom beschikbaar komt.

2. Leden die voldoen aan de volgende cumulatieve eisen komen in aanmerking voor uitbetaling van een tranche:

a. het lid was op 21 mei 2015 lid van de coöperatie, (...), en:

b. het lid is lid van de coöperatie op het moment van de uitkering en:

c. het lid heeft op het moment dat de uitkering plaatsvindt zijn lidmaatschap niet opgezegd op een wijze dat dit lidmaatschap eindigt op of voor 31 december 2018 en:

d. het lid is zijn verplichting tot het storten van gelden op de ledenrekening op 31 december 2015 en daarna steeds volledig nagekomen.

3. (…)

4. Een lid dat voor 31 december 2018 zijn lidmaatschap van de coöperatie beëindigt (op welke wijze dan ook), of een lid dat voor 31 december 2018 ophoudt conform de reglementen van en overeenkomsten met de coöperatie melk te leveren aan de coöperatie, dient reeds ontvangen tranches van de transactiesom aan de coöperatie terug te betalen. Deze terugbetalingsverplichting is niet van toepassing in geval van overmacht of indien het lid opzegt wegens bedrijfsbeëindiging en hij zijn bedrijf vervolgens ook definitief beëindigt. De coöperatie kan deze terugbetalingsverplichting verrekenen met al hetgeen de coöperatie uit welken hoofde dan ook verschuldigd is aan het (oud-)lid.”

(v) In de periode april-juli 2016 heeft DOC Kaas de transactiesom op basis van een door haar geformuleerde sleutel verdeeld over en uitgekeerd aan haar leden, waaronder de melkveehouders, uitgezonderd melkveehouder groep C.

(vi) De melkveehouders hebben op verschillende momenten hun lidmaatschap bij DOC Kaas opgezegd tegen verschillende data.

(vii) DOC Kaas heeft een bedrag gelijk aan het aan de melkveehouders groep A en de melkveehouders groep B uitgekeerde aandeel van de transactiesom op hun melkgeld ingehouden. DOC Kaas heeft aan melkveehouder groep C geen (deel van de) transactiesom uitgekeerd.

2.2

In deze procedure vorderen de melkveehouders – voor zover in cassatie van belang – veroordeling van DOC Kaas tot betaling aan iedere melkveehouder van (i) in geval van de melkveehouders groep A en de melkveehouders groep B: het aan de desbetreffende melkveehouder toekomende melkgeld waarvan de omvang gelijk is aan het door DOC Kaas met het melkgeld verrekende aandeel in de transactiesom, en in geval van melkveehouder groep C: zijn aandeel in de transactiesom (de vorderingen onder B.) en (ii) het aan de desbetreffende melkveehouder toekomende resterende melkgeld over december 2016 (de vorderingen onder C.), vermeerderd met de wettelijke (handels)rente.

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen.

2.4

Het hof1 heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en (onder verbetering van gronden) DOC Kaas veroordeeld tot betaling aan iedere melkveehouder van de vorderingen onder B. en de vorderingen onder C., vermeerderd met de wettelijke (handels)rente. Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen.

De melkveehouders voeren aan dat de bepaling in art. 11 lid 4 Hr (‘de terugbetalingsverplichting’) een statutaire basis mist en om die reden nietig is. Het hof is het daarmee eens. Uit art. 2:27 lid 4, onder c, BW en art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW in verbinding met art. 2:60 BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de coöperatie bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, maar de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de coöperatie waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de statuten gegrond, dan is het nietig en bindt het de leden niet. De verbintenis om een van de coöperatie ontvangen bedrag terug te betalen indien een lid zijn lidmaatschap binnen een bepaalde termijn beëindigt, vloeit uit het lidmaatschap voort en behoeft dus een statutaire basis. Dit geldt ook voor een verplichting tot terugbetaling van een transactiesom als hier aan de orde. (rov. 7.11)

DOC Kaas heeft aangevoerd dat de basis voor de in art. 11 lid 4 Hr neergelegde verplichting tot terugbetaling van een extra vergoeding die het gevolg is van de fusie (‘de transactiesom’) kan worden gevonden in enkele door haar genoemde statutaire bepalingen. Het hof kan DOC Kaas daarin niet volgen. (rov. 7.12)

Nu DOC Kaas niet duidelijk heeft kunnen maken waar de basis voor terugbetaling in haar statuten kan worden gevonden, moet de slotsom luiden dat deze er niet is en dat sprake is van een met art. 2:60 BW strijdige situatie en dat art. 11 lid 4 Hr een nietige bepaling is. Dit wordt niet anders als in aanmerking wordt genomen, zoals DOC Kaas aanvoert, dat art. 11 Hr op basis van unanimiteit en zonder bezwaar van welk lid dan ook tot stand is gekomen. Gevolg is dat DOC Kaas de aan de melkveehouders (met uitzondering van de melkveehouder groep C) uitgekeerde transactiesom niet mocht verrekenen met het nog aan hen verschuldigde bedrag aan melkgeld. (rov. 7.13)

DOC Kaas kan uitbetaling van het melkgeld niet weigeren met een beroep op art. 11 lid 4 Hr. Dat betekent niet dat geheel art. 11 Hr nietig is dan wel vernietigd moet worden en het DOC Kaas (bijgevolg) vrijstaat een nieuw besluit te nemen over de toekenning van de transactiesom. De aanspraak van de melkveehouders op hun deel van de transactiesom vloeit rechtstreeks voort uit het fusiebesluit van 21 mei 2015; de daarop door DOC Kaas toegepaste voorwaarde van een minimale lidmaatschapsduur na de fusie mist toepassing omdat de daarvoor noodzakelijke statutaire basis ontbreekt. (rov. 7.15)

Behalve de vordering onder B. van melkveehouder groep C zien de vorderingen onder B. en C. van de melkveehouders op melkgeld en dus op betaling van de door hen aan DOC Kaas geleverde melk op grond van de leveringsovereenkomsten. DOC Kaas heeft die bedragen niet betaald omdat zij meende daarvoor een tegenvordering te hebben (vordering onder B.) dan wel omdat zij meende het over december 2016 gevorderde niet verschuldigd te zijn (vordering onder C.). Het beroep van DOC Kaas op zowel het een als het ander faalt. Daarmee heeft DOC Kaas nagelaten te betalen wat zij ingevolge de leden- en leveringsovereenkomst – een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW – verschuldigd was. DOC Kaas is daarom over de bedragen van de hier bedoelde vorderingen wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW verschuldigd. (rov. 7.22)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel richt zich met verschillende klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 7.11-7.13.

Onderdeel 1.3 klaagt dat het oordeel van het hof – voor zover dit aldus moet worden gelezen dat art. 11 lid 4 Hr een uittredingsvoorwaarde is waarvoor op grond van art. 2:60 BW een statutaire basis is vereist – getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht is van een uittredingsvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW slechts sprake als aan de leden een verplichting wordt opgelegd die de mogelijkheid voor leden om hun lidmaatschap op te zeggen belemmert, althans valt onder een uittredingsvoorwaarde niet een voorwaarde voor een (definitieve) aanspraak op een eenmalige, additionele ‘aanblijfbonus’.

Onderdeel 1.4 klaagt dat, voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het onderdeel valt niet in te zien dat de eenmalige extra ‘aanblijfbonus’ of het voldoen aan de voor definitieve aanspraak daarop geldende voorwaarde, een uittredingsvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW zou zijn, althans kan hetgeen het hof in dit kader heeft vastgesteld deze conclusie niet dragen. Het onderdeel klaagt dat het hof niet (voldoende) kenbaar bij zijn oordeel zou hebben betrokken de essentiële stellingen van DOC Kaas dat (i) art. 11 lid 4 Hr geen zelfstandige of additionele verplichting voor de leden bevat, maar slechts een voorwaarde stelt voor de (definitieve) toekenning van een eenmalige, extra uitkering en (ii) art. 11 lid 4 Hr feitelijk niet als uittredingsbeperking is ervaren door de melkveehouders.

3.1.2

Art. 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Ook moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.2

Aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, is voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. In dat geval is immers aan het doel en de strekking van die eis voldaan.3

3.1.3

Het hof heeft in rov. 7.11-7.13 geconcludeerd dat de statuten van DOC Kaas geen basis bevatten voor terugbetaling van het uitgekeerde deel van de transactiesom, dat sprake is van een met art. 2:60 BW strijdige situatie en dat art. 11 lid 4 Hr een nietige bepaling is. Dit oordeel moet worden bezien in het licht van de – in cassatie niet of tevergeefs (zie hierna in 3.3) bestreden – vaststellingen van het hof dat de transactiesom “te betalen [is] aan de leden van DOC Kaas” (rov. 4.4), dat de transactiesom “een tijdens het fusiebesluit van 21 mei 2015 aan alle leden (…) toegezegde (extra) (financiële) vergoeding” is (rov. 7.14) en dat de aanspraak van de melkveehouders op hun deel van de transactiesom rechtstreeks voortvloeit uit het fusiebesluit van 21 mei 2015 (rov. 7.15). In het oordeel van het hof ligt aldus besloten dat de terugbetalingsverplichting van art. 11 lid 4 Hr afbreuk doet aan de al bij het fusiebesluit aan de leden toegezegde transactiesom en dus aan uittreding een financiële verplichting verbindt, en daarom is aan te merken als een voorwaarde die is verbonden aan de uittreding van een lid zoals bedoeld in art. 2:60 BW. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, zodat de hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten falen. Dat de leden van DOC Kaas art. 11 lid 4 Hr niet hebben ervaren als een uittredingsbeperking, is in dit verband niet van belang, zodat het hof niet op die stelling behoefde in te gaan.

3.2.1

Onderdeel 7 richt zich tegen rov. 7.22, waarin het hof heeft geoordeeld dat de vorderingen onder B. en C. (behalve de vordering onder B. van melkveehouder groep C) zien op betaling van de door de melkveehouders op grond van de leveringsovereenkomsten aan DOC Kaas geleverde melk, dat deze overeenkomsten handelsovereenkomsten zijn in de zin van art. 6:119a BW en dat DOC Kaas over de bedragen van deze vorderingen wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW verschuldigd is.

Onderdeel 7.1 klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat alleen sprake is van een handelsovereenkomst bij een overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, of rechtspersonen in de zin van art. 6:119a lid 1 BW, en dat wettelijke handelsrente alleen van toepassing is op de primaire betalingsverplichting die uit een handelsovereenkomst voortvloeit. Althans miskent het hof volgens het onderdeel dat de wijze waarop een coöperatie en haar leden in hun onderlinge bijzondere verhouding geleverde melk vergoeden, primair wordt gereguleerd in die lidmaatschapssfeer binnen de coöperatie – in dit geval door de statuten en het huishoudelijke reglement – en dat de leveringsovereenkomsten slechts een beperkte aanvullende rol vervullen.

3.2.2

Art. 6:119a lid 1 BW bepaalt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in het geval van een handelsovereenkomst bestaat in de wettelijke rente van die som met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft voldaan. Onder een handelsovereenkomst wordt volgens art. 6:119a lid 1 BW verstaan de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, of rechtspersonen.

3.2.3

Art. 6:119a BW is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2000/35/EG (thans: Richtlijn 2011/7/EU4) betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties.5 Art. 1 lid 2 Richtlijn 2011/7/EU bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Handelstransacties zijn volgens art. 2 lid 1 Richtlijn 2011/7/EU transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.

Het begrip ‘handelstransacties’ dient autonoom en uniform te worden uitgelegd. Blijkens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) moet het begrip ‘handelstransacties’ ruim worden opgevat en valt het niet noodzakelijkerwijs samen met het begrip ‘overeenkomst’.6 Om een transactie te kunnen aanmerken als een handelstransactie moet zij zijn verricht tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties en moet de transactie leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.7

3.2.4

Het hof diende in het licht van de rechtspraak van het HvJEU zoals hiervoor in 3.2.3 weergegeven, te beoordelen of de bedragen van de vorderingen onder B. en C. (behalve de vordering onder B. van melkveehouder groep C) die DOC Kaas aan de melkveehouders moet betalen, gebaseerd zijn op een handelstransactie in de zin van art. 2 lid 1 Richtlijn 2011/7/EU en daarmee op een handelsovereenkomst als bedoeld in art. 6:119a BW.

Het hof heeft in rov. 7.22 geoordeeld dat de vorderingen zien op melkgeld, en dus op betaling van de door de melkveehouders (natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, of rechtspersonen) aan DOC Kaas (een coöperatie) op grond van de leveringsovereenkomsten geleverde melk. In dit oordeel ligt besloten dat is voldaan aan de voorwaarden zoals hiervoor in 3.2.3 weergegeven. Het oordeel van het hof dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW en dat daarom over de bedragen van de vorderingen onder B. en C. (behalve de vordering onder B. van melkveehouder groep C) wettelijke handelsrente is verschuldigd, geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 7.1 faalt dus.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt DOC Kaas in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de melkveehouders begroot op € 7.115,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 16 februari 2024.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8349.

2 HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, rov. 4.1.2.

3 HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, rov. 4.1.3.

4 Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (herschikking), PbEU 2011, L 48/1.

5 HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70, rov. 3.3.2.

6 HvJEU 1 december 2022, zaak C-419/21, ECLI:EU:C:2022:948 (X (Levering van medisch materiaal)), punt 22.

7 HvJEU 1 december 2022, zaak C-419/21, ECLI:EU:C:2022:948 (X (Levering van medisch materiaal)), punt 23.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.